Wetenschap

Frictie: Ethiek in tijden van dataïsme

Miriam Rasch
De Bezige Bij, 2020

Bestel dit boek via ons partnerprogramma met Athenaeum Boekhandel

 

Door Leon Commandeur, promovendus filosofie van de logica

Er zijn twee manieren om een boek te kopen: met frictie en zonder frictie. Frictie is weerstand, veroorzaakt door obstakels. De weg die je af moet leggen om een boek bij de boekwinkel te kopen zit bijvoorbeeld vol met frictie: door de regen naar de boekenwinkel fietsen, om daar overweldigd te worden door het aanbod en uit die immense muur van boeken dat ene boek proberen te vinden dat je aanspreekt.

Tegenwoordig kun je al die frictie echter omzeilen, bijvoorbeeld door je smartwatch een keuze voor je laten maken op basis van een algoritme dat al je vorige boekaankopen, en die van je vrienden, meeneemt. Je bent het huis niet uit geweest, en na minder dan vijf minuten staat het e-book op je e-reader. Weinig frictie, veel gemak en geen nare verassingen, hoe kun je daar nu op tegen zijn? Toch pleit Miriam Rasch in Frictie: Ethiek in tijden van dataïsme niet voor minder frictie, maar juist voor een herwaardering van frictie.

‘Frictieloos of seamless design’, schrijft Rasch, ‘is […] al sinds de jaren negentig het ideaal van soft- en hardware-ontwikkeling, en een van de belangrijke dogma’s van het dataïsme.’ Dataïsme is het geloof dat alles te vertalen is in data. En dat geloof wordt in de praktijk gebracht, met name door grote techbedrijven als Google, Apple, Facebook, Amazon en Microsoft. Zo zien we op dit moment de poging om frictie te laten verdwijnen uit onze samenleving. Alles van het bestellen van een boek tot het vinden van de ware liefde besteden we uit aan apps en algoritmen. Frictieloos.

Frictie is ‘een poging om al essayerend een denkbeweging in praktijk te brengen.’ Het is een beschouwing over wat het betekent als we ons in laten kapselen door data-gedreven technologie, en probeert zodoende met ‘omtrekkende bewegingen’ een nieuw denken daarover te verkennen. Geen afgekaderd ethisch raamwerk, geen doemdenken over nieuwe technologie, maar een literaire poging om vat te krijgen op de belangrijkste sociaal-maatschappelijke en culturele ontwikkeling van deze tijd, en over hoe we ons daar als individu toe verhouden.

Het antwoord op het dataïsme is volgens Rasch te vinden in een herwaardering van de existentialistische ethiek. Rasch baseert zich op Simone de Beauvoir. In haar Pleidooi voor een moraal der dubbelzinnigheid schreef ze dat er zonder mislukking – het ‘echec’ – geen moraal kan zijn, omdat ethiek imperfectie veronderstelt. ‘De mens’, schrijft Rasch, ‘is gedoemd tot het echec, tot mislukking, omdat wat je doet nooit precies zo zal uitpakken als je denkt, hoopt of vreest.’ Die aanhoudende onzekerheid, imperfectie en gedoemde mislukking is daarbij geen nederlaag of reden tot defaitisme. Integendeel, het is juist de ‘geboorte van de mogelijkheid, niet het einde ervan.’ Met andere woorden, juist in de onbepaalde, dubbelzinnige ruimte ontstaat de mogelijkheid voor eigen keuzes.

Het dataïsme probeert daarentegen door het wegnemen van frictie iedere vorm van onzekerheid, onbepaaldheid of dubbelzinnigheid te elimineren. Wat we daarmee dreigen te verliezen is een deel van onze autonomie: de mogelijkheid om onze eigen keuzes te maken, om zelf een richting te geven aan ons leven, ook als dat weg is van het gebaande pad zoals dat bepaald wordt door de data-technologie.

Wat moeten we doen in tijden van dataïsme? Hoe kunnen we er tegenwicht aan bieden? En hoe kunnen we daarmee iets van onze autonomie terugwinnen? Rasch schrijft dat ‘een van de weinige stelregels die De Beauvoir afleidt uit een moraal van dubbelzinnigheid is […] om het echec “bewust te aanvaarden”.’ Omarm het echec dus, want daarmee rebelleer je tegen het dataïsme en schep je de mogelijkheid voor een eigen keuze.

Maar in hoeverre is het überhaupt nog mogelijk om je te onttrekken aan het dataïsme als je, bijvoorbeeld, daardoor geen hypotheek zou kunnen krijgen? Ook de existentialist kan zich niet geheel onttrekken aan zijn gesitueerdheid. De opgave is om in die gesitueerdheid je eigen project vorm te geven. In hoeverre kan dat überhaupt nog als we het dataïsme alle ruimte geven, Big Tech volledig haar gang laat gaan en zodoende een onontkoombaar systeem laten bestaan dat autonome keuzes praktisch onmogelijk maakt? Er zijn grenzen aan de mogelijkheid om je als individu te onttrekken aan het dataïsme.

Een pleidooi voor een existentialistische ethiek als tegenwicht van het dataïsme kan dus alleen maar gepaard gaan met een oproep tot het inperken, reguleren en controleren van de macht van Big Tech. Dat ontbreekt in Frictie weliswaar, maar dat maakt het boek niet minder relevant. Wat Frictie namelijk wél doet, en wat het daarom ook een belangrijke bijdrage aan de discussie maakt, is het verkennen van die nieuwe verhouding tussen individu en data.

Los van of het kan, is het eerst nog de vraag in hoeverre je je zou moeten willen onttrekken aan het dataïsme. We hoeven geen ‘luddieten’, pertinente tegenstanders van iedere vorm van technologische ontwikkeling, te zijn. Rasch toont zich in ieder geval geen luddiet wanneer zij schrijft over navigatie-apps:

‘Het gaat er dan ook niet om dat we de nieuwverworven voordelen van de kaarten-app weer moeten opgeven, uit een nostalgisch verlangen of een zweverige verheerlijking van “aanwezig zijn in het hier en nu”, dat we onze telefoon thuis moeten durven laten zodat we verrast kunnen worden door dat wat toevallig op ons pad komt (en dan maar hopen dat je niet de verkeerde hoek omslaat). Dat komt me voor als valse romantiek.’

Belangrijk is dat we de technologie moeten leren gebruiken zonder ons er blind door te laten leiden. We moeten aanvoelen wanneer we onze eigen keuze moeten maken en wanneer we die kunnen uitbesteden.

Om dat te kunnen bewerkstelligen, moeten we de kloof tussen data en dat wat data representeert herkennen en erkennen. Dat gat wordt duidelijk wanneer we ons eigen dataprofiel bekijken, bijvoorbeeld met de functie in Facebook die laat zien waarom we een bepaalde advertentie te zien krijgen. Zodra we ons eigen dataprofiel onder ogen krijgen, treedt er vervreemding op: ben ik dit echt? En die ervaring van vervreemding roept frictie op: ‘Frictie tussen data en dat wat data representeren, die op haar beurt frictie oproept in je binnenste, je halt doet houden, nog eens doet kijken, laat lachen van verontwaardiging, verwondering of ongeloof. De dingen kloppen niet, ergens schuurt iets.’ Met andere woorden, onze likes op Facebook geven nooit een accurate representatie van onze identiteit – in tegenstelling tot wat het dataïsme pretendeert.

Als we proberen woorden te leren geven aan de vervreemding die het gat tussen onszelf en ons dataprofiel op kan roepen, kunnen we beter aanvoelen wanneer de data-technologie het van ons over aan het nemen is, net zoals we ook de grenzen van de taal leren kennen door te proberen datgene te zeggen wat niet te zeggen is, bijvoorbeeld in literatuur en poëzie. Toch lijkt het erop, schrijft Rasch, ‘alsof de afstand tussen taal en de wereld breder geaccepteerd wordt dan die tussen data en de wereld’.

Zo is Frictie dus een aanmoediging om de fundamentele ambiguïteit van data te erkennen en het risico op eventuele mislukkingen te nemen, zodat we toch iets van onze autonomie herwinnen. Fiets dus door de regen naar de boekhandel en kies, zonder angst voor frictie, zelf een boek.

 


Lees ook:

De dood van de cyberflaneur van Evgeny Morozov
• Bespreking van Het nut van het nutteloze van Nuccio Ordine