Biografie

Frits Lugt 1884 – 1970

Leven voor de kunst

J.F. Heijbroek
Thoth/Fondation Custodia, Bussum, 2011

Door Rudi Wester, Literatuurcritica en voormalig directeur van het Institut Néerlandais in Parijs

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

Nooit zal ik de dag vergeten – 17 november 2003 – waarop ik voor het eerst van mijn leven een tekening van Rembrandt in mijn handen mocht houden. Zonder witte handschoentjes, maar wel – letterlijk – met ingehouden adem, want hoesten of proesten mocht niet. De sensatie is moeilijk te omschrijven. Het is een mengeling van het idee dat de grote meester deze tekening misschien zelf wel heeft aangeraakt, ruim driehonderd jaar geleden, en van de uniciteit van het moment. De toenmalige directeur van de Fondation Custodia, Mària van Berge, had het ‘heilige der heiligen’ voor mij ontsloten: de enorme kluis van Hôtel Turgot, waar de beroemde kunstkenner Frits Lugt in 1953 zijn unieke verzameling van zeventiende- en achttiende-eeuwse beeldende kunst, oude boeken, Chinees porselein, kunstenaarsbrieven, oude lijsten, portretminiaturen en voorwerpen uit de Griekse en Romeinse Oudheid onderbracht.

Hôtel Turgot ligt aan de binnenplaats achter het ‘voorhuis’ Hôtel Lévis-Mirpoix, waar Lugt in 1956 het Institut Néerlandais had gevestigd en waarvan ik directeur was van 2003 tot 2009. Het Institut was mooi, in dat grote herenhuis uit het begin van de negentiende eeuw, maar Hôtel Turgot was nog mooier. Al die zalen en vertrekken, door het echtpaar Lugt ingericht in een merkwaardige mix van oud-Hollandse stijl en Franse zwier, waren indrukwekkend. Maar vooral bijzonder was het dat ik ‘gewoon’ tussen schilderijen van Frans Hals, Albert Cuyp, Ruysdael en Saenredam liep en dat ik Mària van Berge gele geheugenstickertjes op de lampen zag plakken, terwijl ze catalogi schreef aan dezelfde tafel waaraan Frits Lugt ook aan catalogi had zitten werken. Overal zoemden de verhalen over Frits en To Lugt rond. Dat meneer zich ‘s ochtends heel vroeg door het achterdeurtje aan de Rue de l’Université wurmde – want het echtpaar woonde op het aanpalende Place du Palais Bourbon – in plaats van de majestueuze entree aan de Rue de Lille te nemen. En dat mevrouw er altijd persoonlijk op toezag dat de pensionnaires, geleerden, studenten en kunstenaars die maandenlang op de tweede en vijfde verdieping van het Institut verbleven, niet teveel hagelslag op hun boterham strooiden.

Mària van Berge legde mij uit, geduldig, leek het, dat Lugt altijd die schilderijen of tekeningen kocht die net even anders waren dan die welke de kunstenaar gewoonlijk maakte. Schilderde Avercamp voornamelijk ijs- en wintergezichten? Dan kocht Lugt een zomergezicht. Maakte Jan Steen van alle huishoudens een puinhoop? Aan de muur van Hôtel Turgot hangt een keurig ingerichte huiskamer. De oude boeken uit zijn verzameling kwamen terug op schilderijen, de polychrome Delftse tegeltjes rond de open haard in zijn werkkamer zag je op het schilderij erboven. En uit de kluis haalde Mària van Berge de ene loodzware, in leer gebonden portefeuille uit de zeventiende eeuw na de andere tevoorschijn, waarin alle kostbare tekeningen en prenten van Van Dijck, Brueghel, Dürer en Lorrain door Frits Lugt waren opgeborgen. En van Rembrandt natuurlijk. Altijd weer Rembrandt. Want Lugt was bezeten van Rembrandt, al vanaf zijn veertiende jaar. Zo sterk was zijn passie, dat het geen toeval was dat hij op de geboortedag van Rembrandt in Parijs op de Place de l’Étoile in elkaar zakte en overleed, op 15 juli 1970 – zei Mària.

Zou ik al deze mooie verhalen terugvinden in de biografie over Frits Lugt, geschreven door J.F. Heijbroek, conservator bij het Rijksmuseum? Jazeker, al moet je goed zoeken tussen de duizelingwekkende hoeveelheden exacte prijzen, veilingen, namen van kunsthandelaren en collecties in musea waaraan deze oprechte kunsthistoricus voorrang geeft boven de human touch in zijn biografie. Die biedt een schat aan gegevens aan de kunsthandelaar, de museumdirecteur, aan iedereen die van kunst houdt en eventueel een verzameling wil aanleggen. Heijbroek toont precies aan hoe Lugt, gewapend met uithoudingsvermogen, een goede neus voor bijzondere dingen, een ontwikkeld koopmansinstinct en een waanzinnige kennis van kunst, door keihard te werken, zich weinig gelegen te laten liggen aan zijn kinderen en de hele wereld over te reizen dankzij een ijzeren conditie, te werk ging om zijn unieke collectie bij elkaar te krijgen. En te houden.

Maar laten we bij het begin beginnen, want dat doet Heijbroek ook. Zijn biografie is strikt chronologisch opgebouwd. Frits Lugt wordt in 1884 geboren in een huis aan de Amstel en is enig kind. Zijn vader is civiel ingenieur bij de Publieke Werken in Amsterdam, een precieze en bescheiden man aan wie Lugt veel zal hebben. De grote liefde voor Rembrandt ontstaat als de veertienjarige Frits de Rembrandttentoonstelling bezoekt die georganiseerd is ter gelegenheid van de troonsbestijging van koningin Wilhelmina. Maar liefst 124 schilderijen en ruim 350 tekeningen zijn er van de grote meester te zien, evenals De Nachtwacht, die van het Rijks naar het Stedelijk is verhuisd. Frits Lugt is overdonderd door zo veel schoonheid. Dit heeft hij nog nooit gezien. Prompt maakt hij een 162 bladzijden tellende levensbeschrijving van Rembrandt, met veertig door hemzelf getrouw nagetekende etsen. Lugt zal altijd een goede tekenaar blijven – daarvan getuigen ook zijn zelfportretten uit 1921, die in de biografie afgebeeld zijn. En als hij vijftien (!) is, stelt hij een catalogus samen van Hollandsche meesters […] en eenige ander belangrijke werken, waarbij hij de techniek, de maten, een titelbeschrijving en een korte biografie van de kunstenaar opneemt. De reden? ‘Omdat deze nog niet bestond,’ is zijn eenvoudige antwoord. Zijn passie voor kunst, voor het alles nauwkeurig beschrijven, maar ook voor het verzamelen neemt vaste vorm aan als hij op een veiling twaalf historieprenten (voor drie gulden, vermeldt Heijbroek trouw) en ‘de 1764-editie’ van het beroemde Schilder-boeck van Karel van Mander à f 2,50 koopt – nog steeds op vijftienjarige leeftijd. Het grote verzamelen is begonnen.

Een bijzondere kans krijgt hij als het Amsterdamse veilinghuis Frederik Muller & Cie, die lucht hadden gekregen van dit jonge genie, hem vraagt om bij hen te komen werken. Zijn vader aarzelt, laat hem nog wel tot januari 1901 in de vierde klas van de hbs zitten en bedingt dat zijn zoon eerst een half jaar door Engeland mag reizen om zich op de hoogte te stellen van de kunsthandel aldaar en Engels te leren. Het is in Engeland dat de zeventienjarige Lugt het patroon zal ontwikkelen dat hij de rest van zijn leven hartstochtelijk in stand zal houden: hij maakt unverfroren tientallen afspraken met grote handelaren, bezoekt musea en veilinghuizen, noteert precies wat hij allemaal ziet aan kunstwerken in particuliere en openbare collecties en ontwikkelt zo een perfecte kennis en smaak. Hij leert van de beroemde collectionneur Fairfax Murray hoe je moet verzamelen: ‘Hij [Fairfax Murray] had de gewoonte op veilingen grote partijen op te kopen. Na nauwgezet onderzoek behield hij enkele bladen en bracht de rest weer op de markt. Zo bouwde hij voor weinig geld een keurcollectie op’, noteert de biograaf. Goed voorbeeld doet goed volgen; Lugt zal het zijn hele verdere leven ook zo doen.

Ondertussen heeft hij succes bij Muller & Cie, verdient aardig, maakt afspraken met kunstkenners, zowel in Europa als in Noord-Afrika, waar hij op vakantie is, adviseert vooraanstaande verzamelaars over aan- en verkopen, organiseert veilingen en schrijft catalogi. Ook werpt hij zich in de strijd met pamfletten als Is de aankoop door het Rijk van een deel der Six-collectie aan te bevelen? in 1907, toen in het parlement hevig werd gedebatteerd over de vraag of de Nederlandse staat belangrijke kunstwerken, zoals het Melkmeisje van Vermeer uit de collectie-Six, voor Nederland moest behouden dan wel verwerven, of voor veel geld aan het buitenland mocht verkopen. De voorstanders van het behouden en verwerven van Nederlands kunsterfgoed wonnen en de aankoopbegroting van het Rijk werd met f 563.000 verhoogd, een enorm bedrag in die tijd. Toen stonden politici dus nog wel pal voor het behoud van cultuur in Nederland.

In de zomer van 1910 leert Frits Lugt Jacoba (roepnaam: To) Klever kennen, van wie we maar moeten aannemen dat hij verliefd op haar werd (met dat soort frivoliteiten houdt de biograaf zich niet bezig), want op 15 december 1910 trouwen zij. Het zal een lang en gelukkig huwelijk worden. Vanaf het begin bewondert To haar echtgenoot mateloos. En voor diegenen die altijd vragen hoe rijk Lugt wel niet geweest moet zijn om zo’n prachtige collectie op te bouwen, ligt in dit huwelijk een deel van het antwoord besloten: de vader van To is Joseph Klever, een tot Nederlander genaturaliseerde Duitser, die een van de acht firmanten was die zich in 1896 hadden verenigd in de Steenkolen Handels Vereniging, de shv. Van zijn schoonvader kan Frits Lugt altijd geld lenen om grote aankopen te doen. Vaak verkoopt hij daarna snel weer wat door met winst om hem af te kunnen lossen. Het is de schoonvader die het grote buiten Rustenhoven in Maartensdijk koopt en er een enorme ruimte aan laat bouwen, waar de steeds groeiende collectie van Frits Lugt kan hangen en waar hij bezoekers en handelaren ontvangt. Lugt laat zelf een landhuis neerzetten op het terrein achter het kapitale pand van zijn schoonvader. Daar woont hij rustig met vrouw en de inmiddels geboren kinderen Jaap (1911), Huib (1914), Clara (1916) en Elsje (1919). In 1928 zal nog het nakomertje Irene worden geboren – een schat van een vrouw, die nog steeds deel uitmaakt van het huidige bestuur van de Fondation Custodia.

Lugt heeft zich ondertussen opgewerkt tot partner bij Muller & Cie, met een tekenbevoegdheid tot f 25.000. Maar dan breekt de Eerste Wereldoorlog uit en klapt de hele kunsthandel in elkaar. Lugt moet opstappen, maar het is een blessing in disguise: met zijn contractueel vastgelegde winstaandeel bij het veilinghuis à f 10.000 en flink wat spaarcenten kan hij zich nu geheel wijden aan de opbouw van zijn collectie. In 1917 doet hij zijn eerste grote aankopen, zoals schilderijen van Adriaen van Ostade en Pieter de Hooch, waarvan hij de laatste meteen met flinke winst doorverkoopt aan kunsthandelaar Jacques Goudstikker. Zijn adagium is dat ‘van belangrijke kunstwerken de prijs altijd blijft stijgen’ en daar handelt hij naar.

Ook begint hij met het verzamelen van oude, in perfecte staat verkerende boeken en brieven van grote kunstenaars. Zo koopt hij in 1918 per telegraaf vanuit Nederland bij Sotheby’s in Londen twee van de zeven bewaard gebleven brieven van Rembrandt aan Constantijn Huygens voor f 3.563. Door zijn ongelooflijke kennis van oude tekeningen doet hij ook vondsten, zoals een tekening van Peter Paul Rubens, die in een kavel met ‘onbelangrijke werken’ zat en die Lugt kocht voor f 175. Kortom, zijn collectie begint er langzamerhand op te lijken en zijn naam en faam worden in binnen- en buitenland steeds groter. Bovendien stelt hij ook nog, samen met zijn vader, het Merkenboek samen, dat in 1921 wordt gepubliceerd. Het bevat 3026 zorgvuldig getekende afbeeldingen van collectiemerken, die meestal op de achterzijde van tekeningen en prenten staan, met korte biografische schetsen van verzamelaars. Het Merkenboek is een beroemd standaardwerk geworden en in vier talen vertaald. Lugt heeft alles verzorgd, betaald en deed ook nog de distributie. Een ongelooflijk werk. En alsof dat nog niet genoeg is, tekent hij, ook in 1921, een contract met een Franse uitgever voor acht delen van een Inventaire général des dessins des écoles hollandaises, allemandes et flamandes au Musée du Louvre. Het laatste deel ervan wordt pas in 1969 uitgegeven. Lugt heeft er meer dan veertig jaar, met tussenpozen uiteraard, aan gewerkt. In 1926 begint hij ook nog aan een reeks Répertoires: overzichten van alle veilingcatalogi tot 1900, door de medewerkers van Custodia oneerbiedig ‘het telefoonboek’ genoemd. Maar Lugt had al zoveel catalogi verzameld dat hij er iets mee wilde doen.

Werkt hij wel eens niet? Hij heeft toch ook een gezin? Die dingen lijken niet erg te spelen voor Lugt. Hij reist de hele wereld af, schrijft, verzamelt en brengt alleen de zomervakanties op Rustenhove (nomen est omen) door. Of hij bezoekt tijdens de vakantie met het hele gezin Florence, maar daar moeten die arme kinderen dan in een straf tempo alle musea bezoeken. Het is dan ook geen wonder, al waagt de biograaf zich niet aan deze psychologie van de koude grond, dat geen van de vier kinderen – zoon Huib overlijdt al op zeventienjarige leeftijd in 1931 aan de gevolgen van spierdystrofie – ‘iets’ heeft met kunst, wat de Fondation Custodia zelfs in 1996 nog lelijk zal opbreken. Het jaar 1931 is voor Frits Lugt überhaupt een annus horribilis. De beurskrach van 1929 heeft ook hem hard getroffen, zijn geliefde zoon overlijdt en Joseph Klever scheidt van zijn vrouw om ogenblikkelijk te hertrouwen met de Weense huispianiste van zijn kinderen en naar Wenen te verhuizen. Weg is dan voor Frits Lugt de mogelijkheid om te lenen van zijn schoonvader. Weg naar Wenen is ook het deel van zijn collectie dat nog niet was afbetaald. Weg is ten slotte ook het paradijselijke Rustenhoven, waar het echtpaar Lugt het niet meer uithoudt.

In 1932 laten ze zich, waarschijnlijk om belastingtechnische redenen, zelfs uitschrijven uit Nederland en gaan in hotels in Parijs wonen. Voor de kinderen en om zijn collectie onder te brengen, koopt hij in Den Haag twee panden aan de Lange Vijverberg 14 en 15 en stelt een secretaris aan, de heer Domis, om zijn verzameling te beheren en open te stellen voor bezoekers. Een fatale beslissing, zo blijkt, want Domis wordt al in 1940 lid van de NSB en laat in november 1941 een groot deel van de kostbare collectie confisqueren door de Duitsers. Een groot deel, want zo wereldvreemd was Lugt toch niet dat hij de inval niet had zien aankomen en in 1939 al 56 goed verzegelde pakketten, waarin de uit de passe-partouts verwijderde kostbaarste tekeningen en kunstenaarsbrieven zaten, naar vijf bevriende adressen in Zwitserland had gestuurd. Wel heeft hij zich schromelijk vergist in de betrouwbaarheid van zijn secretaris. Op 11 januari 1941 is hij met vrouw en drie dochters via Spanje en Portugal scheep gegaan naar Amerika om een al lang geplande reis langs Amerikaanse collecties te maken. Volstrekt machteloos staat hij dan ook als hij hoort wat er in Den Haag met zijn collectie gebeurt en hij vergist zich totaal als hij denkt dat Duitse musea en kunsthandelaren zijn collectie wel niet zullen kopen, omdat zij hem kennen. ‘Haalt men thans ‘t huis leeg, dan geef ik er de brui aan,’ schrijft hij vanuit Amerika aan een bevriende museumdirecteur in Nederland.

Maar Lugt zou Lugt niet zijn als hij dat zou doen, want het mooiste gedeelte van de biografie gaat over Lugts vastberaden en heldhaftige pogingen om, eenmaal terug in Nederland na de bevrijding, zijn gestolen bezit weer terug te krijgen. Zijn huis aan de Lange Vijverberg is geheel leeggeroofd, tot het meubilair aan toe, en het echtpaar, dat zijn dochters heeft achtergelaten in Amerika, moet kamperen op de derde verdieping, omdat op de andere verdiepingen een Engels bureau zit ‘ter bevordering van de culturele belangen’. Een gotspe heet dat ook wel. Lugt zoekt samen met een Nederlandse rechercheur zijn secretaris Lomis op, die als politiek delinquent in een interneringskamp in Wezep zit. Deze ontkent alles, maar Lugt gaat gedecideerd naar diens huis. ‘Het neuzen in ‘t huis had al direct succes: Tussen de oude boeken vond ik ettelijke perkamentjes van mij en in een tasch ons kostbaarste oude boek: de emblemata van Georgette de Montenay, met de prachtig gecalligrafeerde vertalingen van Anna Roemer Visser (ca 1620)’. Verder vindt hij er nog enkele van zijn stoelen, veel kostbare oude lijsten – eentje hing boven de pomp in de bijkeuken – en andere kunstvoorwerpen. Onverdroten gaat Lugt verder op jacht, bijgestaan door de trouwe marechaussee, die nooit had gedacht dat oude boeken en kunst zó veel waard konden zijn. Komisch is het om te lezen hoe zijn oude ‘vrienden’ zich in alle bochten wringen (‘Wij moesten toch ook eten?’) en ontkennen dat ze maar iets van Lugt in huis hebben. Maar Lugt loopt gewoon rond, trekt laden open en wijst aan dat dit of dat toch echt van hem is. Hij merkt erover op: ‘Alles nam ik direct onder mijn arm mee naar huis – wat nog nooit in Holland is vertoond.’ Op tentoonstellingen ziet hij gestolen werk van hem hangen en veel treft hij op veilingen aan. Hij koopt veel van zijn voormalig bezit terug, mits er redelijke prijzen voor werden gevraagd, want handelaar blijft hij. Toch blijven veel meubels, zo’n 120 Vlaamse en Nederlandse tekeningen en tal van kostbare familiestukken onvindbaar.

Deze ervaringen hebben het echtpaar Lugt wel aan het denken gezet. Allereerst verruilen ze Den Haag definitief voor Parijs, maar ook zinnen ze op een list om hun kostbare collectie zorgvuldig ergens onder te brengen. Daar bedenken ze twee dingen voor. Ten eerste richten ze in 1947 in Bazel de Fondation Custodia op, die tot doel heeft ‘het in stand houden van de kunstverzameling voor het nageslacht’. En ten tweede gaan de echtelieden in Parijs op zoek naar een gebouw ‘met karakter en een zekere allure’, waar zij hun collectie kunnen onderbrengen en dat geschikt is een Nederlands cultureel centrum te herbergen, als equivalent van het door hen zo bewonderde Institut Français d’Amsterdam op het Museumplein. Ook nu weer is het ongelooflijk hoeveel energie Lugt in beide zaken steekt. Over zijn voornemen een stichting op te richten, schrijft hij zijn kinderen: ‘Wij hebben om ons heen zoo dikwijls waargenomen, welke gevolgen en twisten een belangrijke erfenis in een familie teweeg kan brengen, dat wij het in verband met jullie uiteenlopende woonplaatsen en opvattingen beter vonden jullie een successieverdeling te besparen en jullie een goede belegging te garanderen.’ Dat laatste houdt in dat elk van de kinderen jaarlijks f 5.000 (‘of overeenkomstig meer als de geldwaarde daalt’) uitgekeerd krijgt, terwijl ze om meer geld kunnen vragen ‘wegens tegenslag, invaliditeit of ongeluk’. Dat de kinderen er niet bijzonder gelukkig mee zijn, laat zich raden.

Maar ook het vinden van een karaktervol gebouw loopt niet van een leien dakje. Uiteindelijk koopt Lugt na veel zoeken in 1953 het gebouwencomplex aan de Rue de Lille 121, nog steeds de behuizing van de Fondation Custodia en het Institut Néerlandais. Talloze verbouwingen zijn noodzakelijk en daar is Custodia nooit krenterig in: in 1954 had zij al f 1.200.000 uitgegeven aan een eerste verbouwing. Op 11 januari 1957 wordt het Institut Néerlandais officieel geopend door Frits Lugt, in aanwezigheid van de Franse president René Coty, zkh prins Bernhard en de eerste directeur van het Institut: de flamboyante dichter Sadi de Gorter – tevens cultureel attaché aan de Nederlandse ambassade in Parijs. Deze dubbelfunctie geldt nog steeds voor directeuren van het Institut Néerlandais. Maar Lugt kon het in zijn toespraak niet nalaten de aan de exploitatie van het Institut meebetalende ministeries een hak te zetten: ‘Enthousiasme is een grote kracht, maar zodra ons enthousiasme de stoep van een ministerie overschrijdt, wordt het in een dossier opgesloten. Daar bevriest het, sterft het.’ Zo is het maar net.

De jaren rijgen zich aaneen, met nu veel tentoonstellingen in Hôtel Turgot. Frits en To Lugt krijgen de hoogste Franse en Nederlandse onderscheidingen, maar de fut is er een beetje uit. Hun levenswerk – het opzetten en behouden van een unieke collectie – is voltooid. Bovendien heeft Lugt, naast het ziekbed van zijn vrouw gezeten, die door een hartinfarct werd getroffen op 21 februari 1969, het laatste deel van zijn Inventaire voltooid, dus ook dat reuzenwerk is af. Op 17 juli 1969 overlijdt To. Ze wordt gecremeerd in Westerveld. Bijna exact een jaar later, op 15 juli 1970, sterft ook Frits Lugt, in het harnas, op weg naar een kunsthandelaar. Biograaf Heijbroek schrijft in het laatste hoofdstuk enigszins plechtig waarom het echtpaar Lugt van onnoemelijke betekenis voor Nederland en Frankrijk is geweest: ‘Na zijn overlijden bleek dat hij iets had opgebouwd van bijna bovenmenselijke proporties en dat levenswerk hield niet op te bestaan. Bij zijn dood liet hij een veelzijdige verzameling na van enkele tienduizenden stukken die haar gelijke in de wereld niet kent, én een sfeervol onderkomen waarin die tot zijn recht kwam en bestudeerd kon worden.’ De verzameling in Hôtel Turgot kan nog steeds maandelijks door zo’n twaalf mensen worden bezocht tijdens een visite guidée. Na deze biografie zal het wel storm lopen, want wie wil nou niet zo’n ‘collectie van bijna bovenmenselijke proporties’ zien? Lugt verdient het, zo toont deze biografie overduidelijk aan.