Geschiedenis

A Global History of History

Daniel Woolf
Cambridge University Press, Cambridge, 2011

Door Herman Paul, Universitair docent Historiografie en Geschiedtheorie (UL)

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel
Waar liggen de wortels van de historische wetenschap? Vraag het een historicus en de kans is groot dat hij of zij een van de volgende drie antwoorden geeft: in negentiende-eeuws Duitsland, bij Leopold von Ranke; in zestiende-eeuws Italië, bij Francesco Guicciardini en Niccolò Machiavelli; of in het oude Griekenland, bij Herodotus en Thucydides. Gewend als historici zijn aan het vertellen van verhalen, is het zelfs niet uitgesloten dat een consciëntieuze respondent alle drie de antwoorden geeft, geïntegreerd in een kleine geschiedenis van de historische wetenschap die in de vijfde eeuw voor Christus begint. Zo hebben immers hele generaties historici geleerd hun vak te zien: als een wetenschap die bij de Grieken begon, door de Romeinen werd overgenomen, in de middeleeuwen een moeizaam bestaan leidde en onder invloed van de Renaissance tot bloei kwam, waarna ze in de achttiende eeuw nog kortstondig werd bedreigd, maar in de negentiende eeuw een solide positie verwierf – vooral dankzij haar ‘kritische historische methoden’, die sindsdien het keurmerk van de historische wetenschap zijn.

Dit oorsprongsverhaal deelt, uiteraard, in de voor- en nadelen van iedere canon. Het verhaal presenteert een overzichtelijke selectie van voorgangers, ‘vaders van de geschiedwetenschap’, zoals Herodotus en Ranke worden genoemd – die zich goed lenen voor professionele identificatie. De canon heeft per slot van rekening een didactisch doel: ze onderscheidt tussen good en bad guys en tussen good en bad practices, in de hoop dat historici zich zullen spiegelen aan, bijvoorbeeld, de kritische zin van Guicciardini en het genre van de hagiografie zullen vermijden. Dit impliceert evenwel dat zo’n oorsprongsverhaal ook uitgesproken normatief is. Het selecteert zijn voorgangers in het licht van wat op dit moment als goede historische wetenschap geldt. Daarmee is het verhaal sterk teleologisch en loopt het een risico zich aan anachronismen te bezondigen. Ook laat het veel buiten beschouwing. Het bagatelliseert niet alleen de middeleeuwse geschiedschrijving, maar zwijgt ook over historiografische tradities buiten de westerse wereld.

Moeten we daarom blij zijn met de tegenbeweging die een jaar of twintig geleden is ingezet? Moeten we ons verheugen over deconstructies van het zojuist beschreven oorsprongsverhaal – hoewel dit in allerlei collegezalen nog altijd wordt opgedist – en instemmen met historici die van de weeromstuit aandacht vragen voor Bengaalse historiografie, voor Ethiopische kronieken of voor Perzische geschiedschrijving ten tijde van de Safawiden? Het kost weinig moeite sympathie op te brengen voor deze revisionisten. Het geeft immers geen pas westerse wetenschap te verabsoluteren. Hoe modieus de tegenbeweging in haar neiging tot politieke correctheid ook kan zijn, het is goed onder ogen te zien en aan studenten door te geven dat er andere historiografische tradities hebben bestaan dan die van Thucydides, Guicciardini en Ranke.

Bij een al te grote dosis revisionisme zijn deze studenten echter niet gebaat. Zij ervaren de geschiedenis van de geschiedschrijving al zo vaak als een opsomming van namen en boektitels. Werkt het inruilen van een westerse genealogie voor een globale canon geen verdubbeling van dit probleem in de hand? En wat betreft de didactische functie van de historiografiegeschiedenis: een uitstalling van uiteenlopende historiografische tradities kan wel bijdragen aan een heilzaam besef van pluriformiteit, maar doet geen poging studenten in een traditie in te wijden. Ziehier dus het dubbele dilemma van iedereen die in West-Europa de geschiedenis van de geschiedschrijving doceert: hoe kunnen we studenten helpen zich de traditie waarbinnen wijzelf het vak geleerd hebben, toe te eigenen, zonder historici uit andere tijden anachronistisch de maat te nemen en zonder te vergeten dat onze traditie, hoewel inmiddels bijna wereldwijd tot standaard verheven, er historisch gesproken slechts een onder vele is?

Nog niet eerder kwam ik een boek tegen dat aan dit lastige complex van wensen zo voorbeeldig tegemoetkomt als A Global History of History van Daniel Woolf. De titel geeft al aan dat de Canadese historiograaf behoort tot het revisionistische kamp. Liever dan, zoals gebruikelijk, over de geschiedenis van de historiografie te spreken ‘over schriftelijke representaties van het verleden’ opteert Woolf voor een ‘history of history’, waarin ook orale tradities uit Afrika en de quipu van de Andes (een mnemotechnisch hulpmiddel, bestaande uit touwtjes met knopen) ter sprake komen. Ook kiest hij uitdrukkelijk voor een ‘global history’, die de lezer uitvoerig en met verbluffende kennis van zaken informeert over Javaanse babads (historische poëzie), Thaise phongs?wad?n (dynastieke kronieken) en Turkse vak-anüvis (analisten in dienst van het hof), om slechts drie willekeurige voorbeelden te noemen. Deze thematische breedte is een van de sterke kanten van Woolfs boek.

Gelukkig is dit nog niet alles. Terwijl sommige revisionisten het hierbij laten – hun lezers in arren moede achterlatend met een hoeveelheid informatie waarin geen patroon of betekenis valt te ontwaren – relateert Woolf het verhaal dat hij vertelt voortdurend aan het oude master narrative, met Herodotus, Guicciardini en Ranke in de rol van founding fathers. Op drie manieren is dit eurocentrische (of beter: eurosolipsistische) verhaal in Woolfs boek aanwezig. Allereerst gaat de auteur er, niet ten onrechte, van uit dat vele lezers deze kijk op het vak van huis uit vertrouwd is. Tegen deze achtergrond legt hij daarom geregeld uit waarin en om welke redenen zijn selecties anders uitvallen. Vooral The Idea of History van R.G. Collingwood – een invloedrijk historiografisch boek uit het midden van de twintigste eeuw – fungeert zodoende als achtergrond waartoe Woolf zich voortdurend verhoudt.

In de tweede plaats doet hij niet mee met de revisionistische mode Ranke cum suis te bagatelliseren. Integendeel, zijn bespreking van deze Duitse historicus in hoofdstuk 7 is uitvoerig en ter zake kundig. Ook docenten die gewend zijn langdurig stil te staan bij de infrastructuur van de negentiende-eeuwse historische wetenschap, bij de verschillende soorten sociale en economische geschiedenis die de twintigste eeuw heeft voortgebracht of bij de debatten over verklaringen en narrativiteit die door Carl Hempel en Hayden White zijn aangezwengeld, staan niet met lege handen als zij dit handboek aan hun studenten voorschrijven. Vrijwel alle highlights uit het oude verhaal hebben ook in het nieuwe een plekje gekregen.

Dit is mogelijk doordat Woolf, in de derde plaats, zijn ‘global history’ niet adresseert aan de Mexicaanse Nahua, maar aan geschiedenisstudenten die het vak op een westerse manier in de vingers moeten krijgen. Die bevinden zich tegenwoordig niet uitsluitend in Europa en Noord-Amerika – hoewel Woolf, blijkens zijn bibliografie, vooral op lezers mikt die geen andere talen dan het Engels beheersen, maar vrijwel overal ter wereld. Uitvoerig legt de auteur namelijk uit hoe westerse geschiedschrijving, vooral in haar Duitse, rankeaanse variant, in een tijdperk van kolonianisme en imperialisme wereldwijd geëxporteerd werd. Daarbij beklemtoont hij, in tegenstelling tot menig postkolonialist, dat deze export een kwestie van aanbod én vraag was: ‘As formidable as the collective Western imperial apparatus was, it could not have converted long-standing East Asian historiographies to ‘modern’ methods had there not been both an inclination on the part of reformers within those countries to adopt European practices, and a flexibility in, and variety among, those practices which made them adaptable to very different soil.’ (p. 399-400)

Zodoende is het dominante thema in Woolfs verhaal niet de triomfantelijke zegetocht van westerse historiografische praktijken, maar een ietwat droevige ‘reduction over the course of many centuries in possible pathways to the past’ (p. 14-15). Natuurlijk is Woolf niet blind voor de alternatieven die, vooral in Azië, voor geschiedschrijving op westerse leest worden ontwikkeld. Ook beklemtoont hij, net als Peter Novick in That Noble Dream, hoezeer de westerse traditie momenteel tot op het bot verdeeld is over de methodologische en kentheoretische principes van het vak. Maar deze fragmentatie doet niets af aan het feit dat vele eerbiedwaardige ‘pathways to the past’ buiten de mainstream westerse traditie onder invloed van die laatste zijn verdwenen of, als bijna dode talen, op het punt staan te vergaan.

Of dat erg is? Hoewel Woolf gehecht is aan de westerse traditie – zijn hele boek is in die geest geschreven – is hij ook humanist genoeg om deze verschraling te betreuren. Het is toch louter verlies als andere vragen, andere genres, andere verhoudingswijzen tot het verleden verdwijnen? Deze delicate zoektocht naar een evenwicht tussen verbondenheid met de eigen traditie en belangstelling voor alternatieve tradities is de voornaamste reden dat Woolfs boek veel overtuigender uitvalt dan menig andere revisionistische studie.

Natuurlijk valt op A Global History of History ook wel wat aan te merken. Ik noteerde enkele kleine fouten: the Spanish Netherlands – hielden lang vóór 1830 op te bestaan (p. 350);  en raakte niet in alle gevallen overtuigd door Woolfs selectiecriteria. Zo krijgen historiografische mediators – mensen als Yao Congwu, die in de jaren twintig in Berlijn studeerden en in China pleitbezorgers werden van rankeaanse bronnenkritiek – wel erg veel aandacht. Ook frappeert het dat de Hebreeuwse geschiedschrijving, die in Europa en ook in de Nieuwe Wereld uitermate invloedrijk geweest is, slechts twee pagina’s krijgt toebedeeld (ter vergelijking: het Britse drietal David Hume, Edward Gibbon en William Robertson krijgt er zes). Bovendien blijft het, didactisch gesproken, bezwaarlijk dat er zoveel namen en boektitels over de lezer worden uitgestort. Ik kan mij de wanhopige gezichten van mijn studenten al voorstellen.

Misschien leent het boek zich daarom het best voor een werkcollege, waarin elke week een van de tekstfragmenten die Woolf in grijze kaders presenteert, centraal staat. Zo’n werkcollege is ook de aangewezen plek om van gedachten te wisselen over de vraag die A Global History of History opwerpt: hoe willen we ons verhouden tot al die tradities die wij westerlingen bedoeld of onbedoeld hebben buitengesloten? Zo zou Woolfs boek het besef kunnen voeden dat verbondenheid met de eigen traditie respect voor haar alternatieven niet hoeft uit te sluiten.