Cultuur

God is een Braziliaan

Harrie Lemmens
Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2014

Door Dorien Kouijzer, literair criticus, redacteur Septentrion (Ons Erfdeel), adviseur Centre National du Livre, voormalig staflid Institut Néerlandais te Parijs

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

‘De literatuur van een land wordt gemaakt door schrijvers, de wereldliteratuur door vertalers.’ Deze uitspraak van José Saramago, balsem voor de zo vaak veronachtzaamde vertalersziel, is te vinden op de website van Harrie Lemmens. Als vertaler van een zeventigtal belangrijke, in het Portugees geschreven romans – waaronder die van genoemde Saramago, maar ook die van Fernando Pessoa, António Lobo Antunes en João Ubaldo Ribeiro – heeft Lemmens sinds de jaren tachtig zijn steentje bijgedragen aan de ontsluiting van het Portugeestalig aandeel in de wereldliteratuur voor het Nederlands taalgebied. In talrijke inleidingen, nawoorden en artikelen geeft hij geïnteresseerden de sleutels mee die het mogelijk maken om deze literaire uitingen in hun culturele en historische, veelal postkoloniale, context te waarderen. Dankzij zijn grote belezenheid en enthousiasme slaagt hij er daarbij in de nieuwsgierigheid van de reiziger die hij in hart en nieren is gebleven over te brengen op de lezer. Boeken zijn de mijlpalen op zijn tochten, zoals overduidelijk blijkt uit God is een Braziliaan, een in 2014 verschenen boek van zijn hand over acht Braziliaanse steden die hij met zijn vrouw, fotografe Ana Carvalho, aandeed.

Lemmens kan smakelijk vertellen. Hij strooit gul met anekdotes, indrukken, lokale kleuren, historische feiten en kritische beschouwingen. Het plezier dat hij in Brazilië heeft, blijkt wel uit de titel God is een Braziliaan, een verwijzing naar de overtuiging van veel zestiende-eeuwse Europese geleerden dat God in Brazilië, en niet tussen de Tigris en de Eufraat, het aards paradijs had geschapen. De minder paradijselijke kant van Brazilië – favela’s, geweld, corruptie – komt uiteraard ook ter sprake, maar het boek is nadrukkelijk geen sociaal-politieke verhandeling. Musea, literatuur, architectuur en straattaferelen, in hun respectievelijke historische context, spelen een hoofdrol in de bundel, waarbij Lemmens de gesprekken met schrijvers en de inhoud van hun boeken behendig in de achtergrondinformatie weet te integreren. De vele citaten, korte biografieën en samenvattingen van romans functioneren als een staalkaart van de Braziliaanse literatuur, zoals de beschrijvingen van gebouwen, musea en artiesten een indruk geven van het cultureel leven, de moderne kunst en de architectuur.

De aandacht voor kunst met een grote K neemt niet weg dat dit boek zeer toegankelijk is en ook simpelweg in het kader van de voorbereiding op een reis naar Salvador, Ilhéus, São Paolo, Curitiba, Porto Alegre, Rio de Janeiro, Belo Horizonte of Recife kan worden gelezen. Het vrolijk ogend omslag in de nationale voetbalkleuren, op basis van één van die bijzondere, grafisch aandoende foto’s waar Ana Carvalho patent op heeft, roept in elk geval een vakantiesfeer op. Het jarenlang vertalen van hoogstaande, vaak in barokke stijl geschreven, literaire werken heeft de vele facetten van het schrijftalent van Lemmens geslepen. Moeiteloos switcht hij van een beknopte uitleg van een ingewikkelde historische situatie naar een flitsende beschrijving van het straatleven of een nostalgische terugblik op zijn Berlijnse tijd, hierbij steeds wisselend van taalgebruik en ritme. Oprispingen van diepe verontwaardiging over sociale misstanden worden daarbij niet onderdrukt. Een op literaire leest geschoeid reisverslag dus, dan weer essayistisch, dan weer emotioneel, dat er door de strikt persoonlijke benadering in slaagt een universele snaar te raken.

Het ideaal van Lemmens lijkt in de buurt te liggen van dat van Jorge Amado: via literatuur het functioneren van de maatschappij inzichtelijk te maken. Al gebruikt Lemmens zoals het een vertaler betaamt in tegenstelling tot de populaire Braziliaanse schrijver voor dat doel vaak teksten van anderen, hij blijkt zelf ook een creatieve pen te hebben. Zo weet hij in nog geen halve bladzijde de spanning op te bouwen in een beschrijving van de metamorfose van een man met wie ze in Ilhéus in het restaurant zitten. Van een gezellig zuipende kinderrechter verandert deze in een ‘machtsmachine die alles en iedereen platwalst als dat nodig is’. Dit omdat iemand aan tafel indirect naar pedofilie verwijst, een misdaad waar de rechter van wordt verdacht. ‘Dat is genoeg. Zijn gezicht verstrakt, zijn lijf verkrampt en hij groeit. Zijn ogen verharden, zijn mond wordt van leer, zijn tong een vlijmscherpe dolk.’ We hebben hier, zegt Lemmens, te maken met een oertype uit de Braziliaanse samenleving. Met een type dat alles met macht en grootgrondbezit te maken heeft, en dat we ook vaak tegenkomen in de Braziliaanse literatuur. De manier waarop de macht in dit land wordt uitgeoefend, heeft volgens hem alles te maken met het werkwoord arrumar: ‘Als een mens een obstakel wordt, werk je hem weg.’

De vele, zelden letterlijk vertaalde, Portugese woorden missen hun effect niet; ze maken nieuwsgierig en doordringen je van de onvertaalbaarheid van specifieke termen. Een goed voorbeeld is candomblé, de naam van die typisch Braziliaanse godsdienst waarin Afrikaanse geesten en goden zich vermengd hebben met katholieke engelen en heiligen. En dan is er natuurlijk de literatura de cordel, dichtkunst, aan touwtjes opgehangen, gewoon in marktkraampjes.

De geschiedenis van het land komt soms naar aanleiding van een gebouw ter sprake, zoals in het geval van de kathedraal van Salvador da Bahia die doet denken aan een, mislukte, Nederlandse aanval vanaf zee in de zeventiende eeuw. (Recife, dat in dezelfde streek ligt, kregen de Hollanders wél in handen; ze heersten er van 1630 tot 1654.) Op het grote plein van Salvador werden slaven verhandeld. Dat spoor loopt zichtbaar door naar de Braziliaanse samenleving van nu. Het echtpaar constateert dat overal in het land personeel overwegend gekleurd is, terwijl publiek en klanten blank zijn. Het is aanleiding voor één van die Lemmens typerende ferme uitspraken: ‘Wit zit en zwart werkt.’ Met betrekking tot Salvador noteert hij ook het schrijnend gebrek aan infrastructuur en riolering, veiligheid, gezondheidszorg en onderwijs. Dit zal hij niet expliciet voor elke stad herhalen; wel zal hij systematisch het aantal favela’s noemen. Een geoefende blik heeft Lemmens, toch verliest hij de werkelijkheid wel eens uit het oog. Zo vraagt hij in Recife aan een jongen die toezicht houdt in een kerk: ‘Is Padre Antonio Vieira hier ook geweest?’ ‘Ik heb hem vandaag nog niet gezien’ is het volgens onze geleerde verslaggever ‘verbluffende antwoord’. Vieira werd in 1627(!) naar Olinda (bij Recife) gestuurd, alwaar hij donderpreken inzette als wapen tegen de Hollanders.

Ook het landschap kan historische uitleg oproepen. Zo waren de prachtige baaien rond Ilhéus in 1560 het decor van een slachtpartij waarbij vele indianen omkwamen. ‘Op het strand van Cururupe lag een vijf kilometer lang lint van lijken.’ In verband met het toenemend aantal herdenkingen van dit soort gruweldaden maakt Lemmens korte metten met de hedendaagse hunkering naar het leven van de indiaanse voorouders: ‘Nee, de geschiedenis is niet fraai. Nooit. Nergens.’ Maar nu, vindt hij, zijn de nazaten van de indiaanse voorouders en koloniale meesters versmolten tot Brazilianen; een weg terug is er niet. Als hij vervolgens de gelegenheid te baat neemt de geschiedenis van de ‘heren van de cacao’ uit de mond van een toevallige voorbijganger op te tekenen, begint er een behoorlijk beeld van de deelstaat Bahia te ontstaan.

Deze caleidoscopische aanpak zal voor elk hoofdstuk, en dus elke stad, gebruikt worden. Keer op keer zullen gesprekken met passanten, schrijvers, citaten uit romans en dichtbundels en beschrijvingen van museumbezoeken, straatrumoer en sociale problematiek elkaar afwisselen. Tijdens een ontmoeting met schrijver en journalist Marçal Aquino komt zo het geweld ter sprake dat de Braziliaanse samenleving in zijn greep houdt. De status die geweld heeft, is voor Aquino het meest beangstigend. Hij schrijft een politieserie voor de televisie, onder andere over de akkoordendie de politie met bandieten sluit. Er gaat, stelt hij, een reële dreiging uit van de favela’s, alleen al door het wapenbezit.Toch laten de rijken lijf en goed beschermen door mensen uit deze wijken. Het is een kluwen, de belangen zijn verstrengeld. Het zijn auteurs zoals Aquino, met hun persoonlijke kijk op de samenleving, die aan God is een Braziliaan een bijzonder reliëf geven, zeker wat de huidige politieke en sociale situatie betreft. Fraai gekozen fragmenten uit het werk van de opgevoerde schrijvers geven diepte aan wat ze vertellen.

Op hun beurt dragen de flitsende bewoordingen waarin Lemmens de straattaferelen weergeeft ook bij aan het literair gehalte van dit boek. De veelvuldige prikkeling van zijn zintuigen vindt haar beslag in een soort telegramstijl die het jachtige van een Braziliaanse metropool voelbaar maakt. Alliteraties en binnenrijm versterken de cadans. Over Sao Pãolo: ‘Een eindeloze stad. Beton schiet de hoogte in. Afvalwoningen waaieren woekerend uit over de grond. De kim is een kartelrand van wolkenkrabbers. En de asfaltlinten slingeren schijnbaar ordeloos tussen alles door.’ Vaak hebben de beschrijvende passages de intensiteit van een gedicht, een enkele maal lijkt het een maniertje te worden.

Uit God is een Braziliaan rijst het beeld op van de golvende lijnen van de door Oscar Niemeyer ontworpen gebouwen, ingesloten door ketens van sloppenwijken. Een beeld van pragmatisch genieten en jachtende massa’s. Van revolutionaire woorden en een nieuwe oligarchie. Van on-Europese dynamiek en fatalisme. Van nationale trots en regionalisme. Van Joodse, Italiaanse en Japanse gemeenschappen en de Portugese taal die hen bindt. Van drugsbaronnen en opbouwwerkers. Van een zwart(er) noorden en een blank(er) zuiden. Van de geslaagde versmelting van Afrikaanse geesten met katholieke heiligen en snel opkomende sektenkerken. Van een ideaal van rassenversmelting en toch zo blank mogelijk willen zijn. Geen enkele paradox wordt in het boek uit de weg gegaan. Een zeker fatalisme aangaande de uitzichtloze situatie van de vele havelozen is voelbaar. Maar evenzeer vormt enthousiasme over de levenslust van de Brazilianen een motief.

Elk hoofdstuk is informatief, afwisselend, vlot geschreven en kan als een op zichzelf staand verhaal gelezen worden. Het boek als geheel is overvol, zeer gelaagd en niet gemakkelijk te vatten. Hoe knap ook, het staccato van de snelle wisselingen, de telegramachtige stukken en de vele feiten maakten me tijdens het lezen onrustig. Het versnipperen van de informatie over geschiedenis, religie, economie en taal betekent verlies aan overzicht. Dat voor elk hoofdstuk en dus voor elke stad hetzelfde stramien is gekozen, is er waarschijnlijk debet aan dat ik – volkomen onbekend met Brazilië – aangekomen in de vijfde, zesde stad, niet meer precies wist waar ik was. Zonder de uitdaging die stijl en constructie van dit boek vormen te onderschatten deed deze ervaring me bijna verlangen naar een traditionelere, thematische, hoofdstukindeling. Ik besloot vaker op de rem te trappen en hooguit één hoofdstuk per dag te lezen. Dat hielp. De reis aan de hand van Lemmens bleek een opwindende en essentiële kennismaking met dit mij onbekende land. Om de lezer beter bij de les te houden, zouden een paar lapmiddelen ingezet kunnen worden: plattegronden van de betreffende steden met omgeving, een lijst met uitleg van onvertaalde, typisch Braziliaanse termen en een personenregister om optimaal gebruik te kunnen maken van het boek als een soort inleiding op de Braziliaanse literatuur. Ook was het handiger geweest als de foto’s van Ana Carvalho naast de betreffende teksten hadden gestaan. Beeld en tekst zijn vaak complementair.

Lemmens zit de duizelingwekkende werkelijkheid van Brazilië met zijn stijl op de huid. Uit de stadsverhalen, mits rustig gelezen, doemen geleidelijk de belangrijke vragen met betrekking tot de toekomst van dit land op. En dat is voor een gefragmenteerd boek dat elke expliciete synthese schuwt, een bijzondere prestatie. De brede en persoonlijke aanpak loont. Maar om verdwalen en afhaken tijdens de onderdompeling die deze leesreis biedt te voorkomen, moet de bewegwijzering wat beter. Luidt een van de citaten die als motto dienen voor God is een Braziliaan niet: ‘Brazilië is niet voor beginners’?