Biografie

Hans Fallada

Portretteur van de kleine man

Anne Folkertsma
Cossee, Amsterdam, 2015

Door Arnout le Clercq , journalist en historicus

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

Als geen ander wist Hans Fallada in het hoofd van de kleine man te kruipen. Zijn romans werpen een unieke blik op Duitsland voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Na de oorlog raakte zijn omvangrijke oeuvre buiten Duitsland grotendeels in de vergetelheid, maar bleef in Duitsland door de jaren heen onverminderd populair.

Sinds de herziene vertaling uit 2010 van zijn monumentale roman Alleen in Berlijn worden Fallada’s klassiekers in Nederland herontdekt. Meerdere werken zijn opnieuw uitgebracht en lovend ontvangen, vorig jaar verscheen er zelfs een graphic novel van De Drinker en onlangs ging op de Berlinale de verfilming Alone in Berlin in première, met in de hoofdrollen Emma Thompson en Daniel Brühl. Na al deze hernieuwde aandacht voor Fallada en zijn werk is er nu ook een nieuwe biografie, Alles in mijn leven komt terecht in een boek, geschreven door Anne Folkertsma. Zij vertaalde eerder een aantal werken van Fallada naar het Nederlands en herzag bestaande vertalingen.

In drie autobiografische teksten, waarvan er een nog niet eerder in Nederlandse vertaling verscheen, introduceert Fallada zichzelf, zijn werkwijze en zijn literaire voorbeelden. Zo raakt de lezer bekend met zowel zijn achtergrond als zijn manische manier van schrijven. Het grootste deel van zijn manuscripten voltooide hij in verschillende periodes van enkele weken, een uitputtingsslag die geregeld een zware inzinking en opname in het sanatorium tot gevolg had. Let wel, hier is de schrijver Hans Fallada aan het woord. In de biografie van Folkerstma volgt een gedetailleerde weergave van de persoon die achter het pseudoniem schuilging, van Rudolf Ditzen. De begaafde, grillige schrijver Fallada en de burgerman Ditzen hadden vaak grote moeite met elkaar en dit conflict vormt het uitgangspunt voor de biografie.

Rudolf Ditzen werd in 1893 geboren in het Noord-Duitse Greifswald en schreef al tijdens zijn pubertijd expressionistische gedichten, zwaarmoedige poëzie met fantasieën over de dood. Na een zelfmoordpoging werd hij opgenomen in een psychiatrische kliniek te Jena, de eerste van vele opnames in zijn leven. Hierna ging hij aan het werk in de landbouw en begaf zich daarmee onder de gewone mensen, wat een levenslange literaire inspiratiebron werd. Zijn vermogen om hun taal en handelen te registreren en te verwerken maken zijn romans authentiek.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog woonde en werkte Ditzen in Berlijn. De verleidingen van de grote stad kon hij moeilijk weerstaan: hij genoot van het nachtleven, had verschillende affaires en raakte verslaafd aan morfine. Hij wilde romans schrijven, wat zijn vader toestond op de voorwaarden dat hij onder een pseudoniem zou schrijven en Berlijn zou verlaten. Rudolf Ditzen werd Hans Fallada, maar bleef in Berlijn. De jaren twintig bestonden voor Fallada uit expressionistische literatuur, een continue worsteling met zijn verslavingen en een gevangenisstraf. In 1928 werd hij verliefd op Anna Issel, met wie hij een jaar later trouwde. ‘Suse’, zoals hij haar liefkozend noemde, werd zowel zijn eerste lezer als steun en toeverlaat in moeilijke tijden. In dezelfde periode maakte de Duitse literatuur ingrijpende veranderingen door. Het expressionisme maakte plaats voor de nieuwe zakelijkheid, filmische literatuur met een maatschappelijke invalshoek. In die stroming bereikte Fallada uiteindelijk zijn eerste grote succes. De roman Wat nu, kleine man? (1932) dat over de alledaagse zorgen van kleine burger Pinneberg verhaalt, sloeg ook over de grens goed aan bij.

Het politieke klimaat werd intussen steeds onaangenamer. Door de machtsgreep van de nazi’s belandde Fallada in een tweespalt. Enerzijds konden veel collega-schrijvers in ballingschap zijn werk niet meer waarderen, anderzijds vond het regime zijn werk niet nationalistisch genoeg. De verstikkende greep van het nazisme wordt door Folkertsma op beklemmende wijze getoond. Machtsspellen van ‘hogerop’ en wrede willekeur zaaiden angst en zorgden voor zelfcensuur. Fallada scheef ontkrachtende voorwoorden voor zijn eerdere romans, ‘kleine ideologische knievallen’. De druk werd hem dikwijls teveel. Het was een bijzonder ongelukkige periode waarin hij weinig schreef waarover hij tevreden was.

Fallada had plannen om naar het buitenland te vertrekken, maar durfde en wilde ze niet door te zetten. ‘Want ik ben een Duitser; ik zeg dat zelfs vandaag nog met trieste trots, ik houd van Duitsland, ik wil nergens anders ter wereld leven en werken dan in Duitsland (…) Want ik houd van dit volk (…) Dit volk is zo trouw, zo geduldig, zo standvastig – en zo gemakkelijk te verleiden! Omdat het zo gelovig is – het gelooft elke charlatan.’

In 1944 liep zijn huwelijk op de klippen, nadat Suse achter zijn zoveelste affaire kwam. De situatie escaleerde en hij vuurde uiteindelijk zelfs een wapen op haar af, wat hem op een gevangenisstraf kwam te staan. In de gevangenis schreef hij De Drinker en zijn memoires van de periode 1933 tot 1944 (verschenen als In mijn vreemde land ). Hij hertrouwde hierna met Ursula Boltzenthal. ‘Ulla’ was jong, sensueel en trok Fallada mee in haar morfineverslaving. Ondanks zijn labiele staat voltooide Fallada twee indrukwekkende romans in deze periode: Een waanzinnig begin en Alleen in Berlijn, over de naoorlogse periode.

Alleen in Berlijn is gebaseerd op een waargebeurd verhaal: een arbeidersechtpaar verspreidt postkaarten met verzetsleuzen en wordt vervolgens opgepakt en geëxecuteerd door de Gestapo. De wereld onder het regime die Fallada in de roman schetst is niet moreel zwart-wit, maar grijs; een onderscheid waarmee hij zijn tijd vooruit was. De ontvangst van zijn romans maakte hij echter niet meer mee. In december 1946 werd hij wederom opgenomen en onderging een ontwenningskuur, deels samen met Ulla. Zij kon om onduidelijke redenen aan slaapmiddelen te komen en gaf er te veel aan hem, waardoor hij op 5 februari 1947 stierf.

De biografie van Folkertsma is een aanrader, zowel voor ingewijden in het werk van Fallada als voor lezers die net zijn romans hebben leren kennen. Alles in mijn leven komt terecht in een boek is een intrigerend portret van Fallada. Het is een helder, gestructureerd verhaal, dat door de sterke compositie een overzichtelijk beeld geeft van een chaotisch leven. Folkertsma blijft bij de feiten; de beschrijvingen van het literaire werk van Fallada zijn bondig maar compleet, evenals de historische context. Naast Fallada en zijn naasten voert Folkertsma personen op als uitgevers Ernst Rowohlt en Peter Suhrkamp, en schrijvers Kurt Tucholsky, Hermann Hesse, Franz Hessel en Thomas Mann. Dit levert een levendige schets op van de literaire scene in Berlijn tijdens de Weimarrepubliek.

Over zijn schrijverschap onder het juk van het Derde Rijk schreef Fallada: ‘Ik heb een leven geleefd als ieder ander, het leven van de kleine man, van de massa.’ De biografie van Folkertsma schetst een compromisloos beeld van deze schrijver die het verging zoals veel van zijn protagonisten. Hoewel zwak, en gebukt onder vele tegenslagen, vinden ze een klein geluk in hun roeping, net zoals Fallada dat vond in zijn schrijverschap.