Literatuur

Het nut van het nutteloze

Nuccio Ordine
Bijleveld, Utrecht, 2017
Vertaling Els Naaijkens
Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

 

Door Thomas Heij, filosoof en Nexus-redacteur

In het Maagdenhuis en op het Malieveld ging het enkele jaren terug geregeld over rendementsdenken. Het maatschappelijk debat werd, zowel in Nederland als daarbuiten, gekleurd door kritiek op de academie. Onderwijs en onderzoek stonden te zeer in het teken van nut, geld, output, valorisatie, enzovoorts. Maar denken in termen van geld en nut bestaat, evenals de kritiek daarop, al eeuwen: in het Athene van Plato en Aristoteles, het Engeland van More en Shakespeare, en het Frankrijk van Hugo en Baudelaire. Dat toont het rijke pamflet Het nut van het nutteloze van Nuccio Ordine.

Die mooie titel is een contradictio in terminis, behalve wanneer we, zoals Ordine doet, een onderscheid maken tussen twee vormen van nut. ‘Nut’ kan betekenen dat iets direct bruikbaar is, een bepaald, duidelijk en snel rendement oplevert, of een economische waarde of belang kent – neem bijvoorbeeld een hamer of een computer.

Maar als we nut zo opvatten, welk nut heeft dan een symfonie, schilderij of dichtregel? Welk nut hebben kennis, cultuur en liefde? Die belangeloze zaken, vrij van verbanden met praktische of commerciële toepassingen, zijn juist essentieel en fundamenteel menselijk. ‘Alles wat ons helpt een beter mens te worden’ is volgens Ordine nuttig in de tweede zin van het woord. Op die manier kunnen ook nutteloze dingen ‘nuttig’ zijn.

Toch zijn we die tweede invulling van nut aan het vergeten en wordt het denken en handelen in onze tijd gedomineerd door een blind geloof in marktwerking en een zucht naar geld en rendement. Wat daardoor verloren gaat is respect voor het individu, voor wat niet zomaar te koop is, en voor belangeloze kennis, bibliotheken, monumenten, nog onbekende meesterwerken – kortom, alles wat nutteloos wordt geacht.

Om die tendens te keren voert Ordine een keur aan citaten, fragmenten en spreuken op van schrijvers en denkers uit de westerse literatuur die zich expliciet verzetten tegen goudzucht en nutsdenken: van Plato en Aristoteles, via Dante en Shakespeare tot Italo Calvino en Emil Cioran. Alle grote geesten uit de geschiedenis die passeren bevinden zich ergens tussen de posities van de Verlichtingsfilosoof John Locke enerzijds en de Romantische schrijver en dichter Théophile Gautier anderzijds.

In Some Thoughts Concerning Education uit 1693 ontraadt Locke iedere ouder zijn zoon toe te staan zijn talenten en tijd te verspillen aan poëzie. Ordine citeert:

‘Het is zelden gebeurd dat iemand op de Parnassus een zilvermijn of een goudader ontdekte! De lucht is dan wel aangenaam op die berg, maar de grond is er onvruchtbaar. De dichtkunst en het spel gaan gewoonlijk samen en lijken op elkaar ook in dit opzicht dat ze zelden enig voordeel aanbrengen, behalve voor hen die niets anders hebben om van te leven.’

Deze kritiek moeten we, zo nuanceert Ordine terecht, in de juiste context plaatsen: Locke reageerde ermee op het onderwijs in zijn tijd. Toch zullen de meeste ouders, en waarschijnlijk zelfs de meeste leraren, het ook tegenwoordig roerend eens zijn met deze boude uitspraken van Locke. Poëzie is nutteloos, dus waarom zou je er aandacht aan besteden?

Halverwege de 19e eeuw ging de ‘Parnassebeweging’, zoals de naam al doet vermoeden, daar lijnrecht tegenin. Gautier werd de voorman van de beweging; het voorwoord bij zijn roman Mademoiselle de Maupin haar manifest. Poëzie en kunst in het algemeen moest volgens hen juist nutteloos zijn, en geen doel of plicht buiten zichzelf hebben. Die gedachte vingen ze in de beroemde frase ‘l’art pour l’art’: kunst omwille van de kunst.

De fragmenten van Gautier die Ordine kiest zijn de meest opmerkelijke van de hele bloemlezing. Tegen de zogenaamde economische hervormers uit zijn tijd fulmineerde Gautier:

‘Nee, imbecielen, nee! Jullie zijn niets anders dan idioten en kropgezwellen, een boek maakt geen soep met gelatine; een roman is geen stel laarzen zonder stiksel; een sonnet is geen waterstraal die voortdurend spuit; een toneelstuk is geen spoorweg. Dat zijn allemaal zaken die enorm bijdragen aan de beschaving en de mensheid de weg van de vooruitgang laten bewandelen.’

Maar Gautier kwam verder dan welbespraakt afgeven op zijn tegenstanders. Neem deze passage uit zijn voorwoord:

‘Niets van wat mooi is, is onmisbaar voor het leven. Als men de bloemen zou weghalen, zou de wereld daar in materieel opzicht niet onder lijden; maar wie zou willen dat er geen bloemen meer zijn? Ik zou liever afzien van aardappelen dan van rozen en ik geloof dat alleen een utilitarist in staat zou zijn een perk met tulpen te verwijderen om er kool te planten.’

Of deze geestige woordspeling:

‘Echt mooi is alleen dat wat nergens toe dient; alles wat nut heeft, is lelijk, want het is de uitdrukking van een bepaalde behoefte, en de behoeften van de mensen zijn onwaardig en walgelijk, evenals zijn armzalige en zwakke natuur. De meest nuttige plek in huis is nog altijd de latrine.’

Gautier betoogt niet dat kunst toch een bepaald rendement oplevert of toch een economische waarde heeft, maar beroept zich met kracht op iets dat veel onmisbaarder is in het leven: schoonheid – nutteloze schoonheid. Zo ziet Gautier de kunst als verzet tegen de banaliteit van het rendementsdenken, aldus Ordine.

Dat verzet trekt Ordine in deel twee van zijn pamflet door naar de hedendaagse universiteiten. Zijn kritiek ligt voor de hand: ook de academische wereld is doortrokken van valorisatie en ‘rendementsfinanciering’, waardoor exameneisen worden versoepeld en het opleidingsniveau daalt.

Ook hier beroept Ordine zich op citaten van grote denkers uit het verleden, bijvoorbeeld Tocqueville, Herzen, Bataille en Victor Hugo (‘het is niet genoeg om alleen te voorzien in stadsverlichting, omdat het duister ook in de morele wereld kan neerdalen’). En wederom tonen deze dat de aangekaarte problemen een lange geschiedenis kennen, maar dat daar weinig van geleerd wordt.

Door de eenzijdige en toenemende nadruk op praktische en economische toepasbaarheid van kennis, staan vooral de humaniora onder druk. Zelfstandige faculteiten worden inderdaad steeds vaker samengevoegd tot een studie ‘liberal arts’, waarbij wordt bezuinigd en personeel wordt ontslagen.

Ordine, zelf hoogleraar Italiaanse Literatuur aan de universiteit van Calabrië, vergaloppeert zich echter wanneer hij stelt dat primaire teksten vervangen zijn door uittreksels, bloemlezingen en ‘computerbestanden’. Misschien is de situatie in Italië nijpender, maar in Nederland is aan iedere filosofiefaculteit het lezen van Plato nog steeds een vereiste. Niet in het Oudgrieks, toegegeven, maar ook niet alleen in versimpelde samenvattingen.

Frappant is ook deze opmerking van Ordine: ‘Het proeven van geselecteerde fragmenten op een beeldscherm of in een reader is niet voldoende. Een bloemlezing zal ook nooit in staat zijn reacties los te maken waartoe alleen de integrale lezing van een werk, de onderdompeling in een tekst, in staat is.’ Heel terecht, al gaat dat ook op voor Ordines boek zelf, dat immers grotendeels bestaat uit een bloemlezing.

Dat onderkent Ordine impliciet, waardoor hij ook in het derde deel – dat gaat over de waarde van klassieke teksten – kan leunen op citaten van anderen: hij probeert zo ‘de vonk te laten overspringen’. Ordine toont in deel drie steeds heel kort hoe de meesterwerken van bijvoorbeeld Cervantes en Lessing duidelijk maken dat bezit het einde betekent van waarheid of van liefde. Zo helpen die klassieke teksten ons een beter mens te worden en dus hebben ze nut in de tweede zin van het woord.

Een sterke kant aan zijn betoog is dat Ordine de eenheid van de wetenschappen benadrukt en verder durft te kijken dan de grenzen van zijn eigen vakgebied. Het minachten van belangeloze, nutteloze kennis heeft namelijk ook gevolgen voor de natuurwetenschappen.

Hoewel de humaniora financieel veel meer onder druk staan dan de natuurwetenschappen, heerst ook in de natuurwetenschappen het rendementsdenken. Dat illustreert het essay Het nut van nutteloze kennis uit 1937 van Abraham Flexner, de grondlegger van het beroemde Institute for Advanced Study in Princeton. De strekking van zijn betoog: zonder ruimte voor het nutteloze en het onverwachte waren ook natuurwetenschappers als Pasteur en Einstein niet tot hun grote ontdekkingen gekomen.

Het werkelijke gevaar is dus dat academische vrijheid door onnadenkende mensen wordt ingeperkt ten gunste van vooraf bedachte nuttige doelstellingen. In de woorden van Flexner: ‘De echte vijand van de mensheid is degene die de menselijke geest probeert te knechten zodat hij zijn vleugels niet durft uit te slaan’.

Het nut van het nutteloze is geen doorwrochte kritiek op de huidige maatschappij of het onderwijs, maar desalniettemin als pamflet heel geslaagd: het is helder en inspirerend. Ordine toont zijn eruditie en weet een verzameling nutteloze fragmenten verrassend nuttig in te zetten. Hij moedigt ons aan om de hele teksten te lezen en laat zien hoe ze hedendaagse debatten kunnen verdiepen.