Geschiedenis

How to Change the World

Tales of Marx and Marxism

Eric Hobsbawm
Little Brown, Londen, 2011

Door Henri Krop, Universitair hoofddocent geschiedenis van de wijsbegeerte (EUR)

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel
Aan het slot van zijn autobiografie Interesting Times. A Twentieth-Century Life (2002) schrijft de Britse historicus Eric Hobsbawm (1917-2012) dat ‘onze wereld meer dan ooit sceptische historici nodig heeft’. Hij spreekt de hoop uit dat zijn levensgeschiedenis vol onverwachte wendingen de jonge garde historici de moed kan geven de sombere vooruitzichten in onze tijd ‘met het vereiste pessimisme en een heldere blik tegemoet te treden’. Historisch besef maakt hen immuun voor de waan van de dag, want de geschiedenis van de twintigste eeuw leert ons hoe veranderlijk politieke macht, staten en instituties zijn. ‘Oude mensen hebben veel modes zien komen en gaan.’ Leeftijd schept ‘afstand’, wanneer men niet aan ‘de geboortegrond en het eigen milieu’ gebonden is. Zij veronderstelt ‘het perspectief van de trekvogel, die overal een buitenstaander is’ (p. 412-415).

Ook de gewone burger heeft baat bij distantie van het heden, want als de geschiedenis ons iets leert, dan is het wel dat hoe meer de wereld verandert, hoe meer de mens zich vastklampt aan schijnbare zekerheden en invented traditions.

Het begrip ‘uitgevonden traditie’ is door Hobsbawm in 1983 bedacht voor symbolen en rituelen die worden voorgesteld als eeuwenoud, maar in werkelijkheid vaak van zeer recente datum zijn. Dit gaat ook op wat betreft de politiek. Voor 1914 konden de meeste mensen, net als wij nu, zich geen andere maatschappijvorm dan het kapitalisme voorstellen, maar tussen 1930 en 1960 leek de centrale planning van de Sovjet-Unie een goed alternatief voor het systeem van de ‘vrije markt’, dat de wereld aan de rand van de afgrond had gebracht. In het interbellum zou het kapitalisme even weinig stemmen hebben getrokken als het communisme na 1990. Zonder deze distantie en een perspectief reageert een maatschappij blind op ontwikkelingen. De geschiedenis is daarom te belangrijk om haar aan professionals over te laten, zo merkt Hobsbawm in zijn dankwoord bij de ontvangst van het ereburgerschap van Wenen op: een maatschappij heeft mensen nodig die ‘hun medeburgers in herinnering brengen wat zij graag willen vergeten’. (Zie ʻGeschichtswissenschaft: Impulse für Menschen nicht für Fußnoten’, in Geschichte: Möglichkeit für Erkenntnis und Gestaltung der Welt, Picus, Wenen, 2008, p. 70.)

Dit pleidooi voor distantie klinkt vreemd uit de mond van een historicus die bekend staat om zijn engagement. Hobsbawm werd in de jaren dertig zoals velen van zijn generatie lid van de communistische partij, maar in tegenstelling tot zijn leeftijdgenoten bleef hij de partij tot haar opheffing in 1991 trouw, ondanks de Goelag, Boedapest en Praag. Distantie en engagement hangen echter samen. Na de oorlog trad hij toe tot een groep marxistische historici. Hun motto was de uitspraak van Marx in De achttiende brumaire van Louis Bonaparte (1852): ‘De mensen maken hun eigen geschiedenis, maar zij maken die niet uit vrije wil, niet onder zelfgekozen, maar onder rechtstreeks aangetroffen, gegeven en overgeleverde omstandigheden.’ De groep wilde zich niet langer op de ‘grote mannen’ in het verleden richten, maar op de sociale, geografische en economische omstandigheden die voor het dagelijks leven bepalend zijn – een methodisch uitgangspunt dat ook door de Franse Annalen-school werd bepleit. Men had verder oog voor het veranderend potentieel van de marginale groepen wier stemmen in de traditionele geschiedschrijving niet gehoord werden, zoals vrouwen, gangsters, rebellen, amokmakers en sektariërs. Primitive Rebels. Studies in Archaic Forms of Social Movement in the 19th and 20th Centuries (1959) is het eerste boek dat deze history from below in de praktijk bracht.

Volgens Hobsbawm hanteert elke historicus bewust of onbewust een perspectief, want hoe anders valt in de eindeloze chaos van feiten en gebeurtenissen een samenhang te ontdekken. Hij schept een synthese, die ons een voorstelling geeft van wat het verleden was, het heden is en de toekomst zal zijn. Hobsbawms geschiedtheorie heeft een weberiaanse kern: onze blik op de werkelijkheid wordt gestuurd door waarden. De kern van het marxisme is in zijn ogen een geheel van waarden dat het, zoals hij in The Age of Revolution (1962) schrijft, tot een kind van de Verlichting maakt. De belangrijkste waarde van het marxisme, die het overigens deelt met het liberalisme, is het geloof in de rede. Door haar te gebruiken zouden de maatschappij en het lot van het individu kunnen worden verbeterd. Kortom: sinds de Franse Revolutie scheiden de geesten zich over de vraag of vooruitgang en evolutie mogelijk zijn. Hobsbawm heeft heel zijn leven ondubbelzinnig voor het kamp van het radicale humanisme gekozen.

Het engagement is de keerzijde van de distantie. Marxisten spraken vanouds van de noodzaak tot ‘ideologiekritiek’. Zonder haar wordt de geëngageerde wetenschapper een partijideoloog. Hiervan kent de twintigste eeuw maar al te veel voorbeelden. De ware marxistische historicus heeft een illusieloos respect voor de feiten. Hij moet niet prijzen of laken, maar analyseren en begrijpen, zo schreef Hobsbawm eens.

How to change the world is een geschiedenis van het marxisme. Het bevat grotendeels al eerder geschreven artikelen en valt in twee delen uiteen. Het eerste deel gaat over Marx en de ‘onafscheidelijke’ Engels, terwijl het tweede deel de receptie van Marx in politiek en cultuur behandelt. Alleen aan de Italiaan Antonio Gramsci (1891-1937) zijn twee aparte artikelen gewijd, omdat hij zijn voorbeeld is. Volgens Hobsbawm is Gramsci een denker die met een franc-tireur te vergelijken is: hij ziet het marxisme niet als een afgeronde theorie, maar als een methode om ad hoc problemen op te lossen. Voorbeelden van de vragen die Gramsci zich stelde, waren: waarom is in Italië de socialistische revolutie na de Eerste Wereldoorlog uitgebleven, waarom ontstond in de Sovjet-Unie een almachtige bureaucratie? Deze artikelen zijn een uitstapje in het boek, want het gaat Hobsbawm niet om individuele marxistische denkers zoals Kolakowski in zijn Main Currents of Marxism (1976-1978) (afwezig in de index!), maar om het marxisme als maatschappelijke actor, of in zijn eigen woorden ‘a study of its development and posthumous impact’. Deze is sinds Marx’ dood in 1883 lang groot geweest. In landen met democratische verkiezingen stemde rond 1910 bijvoorbeeld 15 tot 47 procent van de kiezers op een partij die zich op Marx’ erfgoed beriep, terwijl in 1950 een derde van de wereldbevolking in landen met communistische regimes leefde. Na 1983 is het marxisme op zijn retour. De verklaring die daarvoor het meest voor de hand ligt, is natuurlijk de instorting van de communistische regimes in Oost-Europa en in het land van de Oktoberrevolutie. Echter, ook elders verloor het marxisme zijn grip op de geesten van de mensen. Buiten Europa is een oorzaak de opkomst van nieuwe vormen van traditionele religies die als inspiratiebron voor sociaal handelen dienen, zoals in 1979 in het Iran van Khomeini en recentelijk tijdens de Arabische Lente. Intrigerend is de suggestie dat in het Westen het paradigma dat na de oorlog het denken over de maatschappij beheerste en verbonden was aan de snelle welvaartstijging in de jaren vijftig en zestig, verdween en bij Thatcher en Reagan is vervangen door een ‘pathologisch verlangen naar een vrije markt’, die zelfs in de negentiende eeuw nooit bestaan heeft. Deze breuk is zo groot dat in de recente crisis alleen een buitenstaander als paus Johannes Paulus II onomwonden het kapitalisme heeft durven veroordelen.

Toch was Marx nog kort geleden volgens een enquête onder BBC-kijkers een van de grootste denkers uit de geschiedenis: na Darwin en Einstein, maar voor Adam Smith en Freud. Wat is de reden dat de naam Marx nog zo’n magische klank heeft en dat de recente Nederlandse vertaling van Het Kapitaal (2010) in de media grote aandacht kreeg? Volgens Hobsbawm is dat zijn realisme. Karl Marx ontdekte de meedogenloze kracht van het kapitalisme die geen individu en geen maatschappij onberoerd laat. In het proces van globalisering dat hij voorspelde, wordt iedereen op aarde meegezogen. Deze veranderingen leiden tot verbetering van het levenslot van mensen, maar niet zonder hoge kosten: de crisis die wij nu meemaken is geen uitzondering, maar moet gezien worden in het perspectief van de lange reeks van schokken die de wereld sinds de negentiende eeuw meegemaakt heeft. Niemand mag zich daarom overgeven aan de illusie dat het allemaal vanzelf goed komt. Wij zelf moeten de geschiedenis maken en de wereld veranderen, want er is geen invisible hand die over ons waakt.