Cultuur

How to Run the World?

Charting a Course to the Next Renaissance

Parag Khanna
Random House, New York, 2011

Door Hester Jonkman, Nederlandse diplomaat (recensie op persoonlijke titel)

Lees meer over Parag Khanna

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

‘There is one way to run the world: with diplomacy.’ Een boek met deze openingszin is verplicht leesvoer voor de diplomaat, die tegenwoordig soms het gevoel heeft zich te moeten verdedigen tegen een veelheid aan vooroordelen en het idee dat ‘het op één na oudste beroep van de wereld’ overbodig is geworden in het e-tijdperk.

 

Het staat vast, volgens de auteur Parag Khanna, dat de eenentwintigste eeuw een multipolaire is. De vraag of China machtiger wordt dan de Verenigde Staten doet niet ter zake in een wereld die gekenmerkt wordt door complexiteit en chaos. Opkomende staten, steden met meer inwoners dan landen, multinationale ondernemingen, NGO’s, machtige families, rijke filantropen, religieuze radicalen, olierijke sjeikdommen, invloedrijke media en huurlingenbedrijven: als we een historische vergelijking zouden moeten maken, heeft onze tijd nog het meest weg van de middeleeuwen. Dit hoeft volgens Khanna geen doemscenario te zijn: ook deze middeleeuwen kunnen leiden tot de geboorte van een nieuwe Renaissance en wel door middel van ‘megadiplomatie’. Mega, want volgens Khanna hebben wij, vertegenwoordigers van ons land in het buitenland, niet meer het alleenrecht op diplomatie. Naast soevereiniteit zijn geld en technologie immers doorslaggevende factoren. Van de honderd grootste economische entiteiten in de wereld zijn er vijftig een bedrijf. Hulporganisaties runnen complete vluchtelingenkampen en de nationale gezondheidszorg van veel landen. NGO’s hebben meer autoriteit en moreel gezag dan sommige overheden en religieuze leiders en filmsterren zijn succesvoller in het creëren van draagvlak dan veel regeringsleiders. Staten zijn daardoor niet meer de enige verantwoordelijken voor het draaiend houden van de wereld. Succes zal in deze nieuwe wereld vooral voortkomen uit het vormen van een diplomatiek-industrieel complex: het samenbrengen van sleutelspelers uit overheden, bedrijfsleven en organisaties.

 

Onze wereld kent vele complexe problemen: een chaotische, volatiele wereldeconomie, een voedsel- en klimaatcrisis, terrorisme, migratiestromen, piraterij en transnationale criminaliteit. Omdat deze systemisch van aard zijn – alles hangt met alles samen en heeft wereldwijde oorzaken en impact – zoeken we naar grootse oplossingen. Wie hoopt op een alomvattende blauwdruk voor de oplossing, zal echter teleurgesteld zijn in dit boek. ‘Just because […] solutions are needed globally doesn’t mean there is one global solution.’

Wat dan wel? ‘Think global, act local.’ Veel experimenteren, veel fouten maken en als iets werkt, vaker toepassen. Denk aan hoe microfinanciering groot is geworden en je begrijpt wat Khanna bedoelt. Pragmatisme is leidend; daden zijn belangrijker dan woorden. De wereld heeft ook dringend behoefte aan minder perfectie. Vermijd organisatieschema’s voor wereldoverheden en andere papieren werkelijkheden die intellectuele zekerheid geven maar die zelden werkelijkheid worden.

 

Wat megadiplomatie concreet kan inhouden, wordt uitgewerkt aan de hand van een groot aantal soms verfrissend politiek incorrecte voorbeelden – het ene overigens overtuigender dan het andere. Het meest provocerende voorbeeld is dat van China, dat met zijn in staatsbedrijven geïnstitutionaliseerde publiek-private samenwerking eigenlijk het best in staat is verregaande milieumaatregelen te nemen. Het Chinese stimuleringspakket voor groene energie van 2009 was het grootste ter wereld.

 

In hoofdstuk vijf vraagt de auteur zich af waarom wij in gefaalde staten hardnekkig blijven streven naar het creëren van een staat naar westers voorbeeld. Waarom zien wij nationale centraliteit als de maatstaf van effectieve overheid? Als zelfbeschikking en natiestaten de oplossingen zouden zijn voor imperialisme en kolonialisme, wat is dan de oplossing voor het afbrokkelen van natiestaten? Uiteindelijk komt het volgens Khanna neer op de vraag wat we meer respecteren: mensen of staten. Het antwoord van de auteur: ‘delivering human security cannot wait for capacity building of the central state.’ Khanna raadt aan uit te gaan van de realiteit (veel van deze staten worden onder een vernislaagje van onafhankelijkheid gerund door andere staten, agentschappen en bedrijven) en je er zo bewust van te worden dat er geen keuze is tussen het wel of niet praktiseren van nieuw kolonialisme. De keuze is hoe het goed te doen. Ook noemt hij een groot aantal interessante voorbeelden waarbij het creëren van win-winsituaties tussen overheden, bedrijven en NGO’s goede resultaten heeft opgeleverd. Afwegingen met betrekking tot bijvoorbeeld de bijdrage van internet- en telecommunicatiebedrijven aan de vrijheid en mensenrechtensituatie in vergelijking met de bijdrage van westerse politieke druk bieden stof tot nadenken, evenals de passages over succesvolle bijdragen van organisaties als de Grameen Bank, het Clinton Global Initiative en Transparancy International.

 

Minder overtuigend is het hoofdstuk ‘Peace without War’. Oorlog en conflict verdwijnen niet wanneer (postkoloniale) grensproblematiek irrelevant wordt – mocht dat al gebeuren door de voorgestelde oplossing grensdemarcatie te versnellen en grensoverschrijdende infrastructuur te verbeteren. En regionale in plaats van VN-vredesmachten lijken ook niet de panacee voor alle conflicten in de wereld.

 

Khanna houdt de wereld een spiegel voor. De grote problemen gaan we niet oplossen met ‘utopian schemes for new international bureaucracies that are as boring in theory as unworkable in practice’. Khanna ziet een hybride, publiek-privaat model voor zich, waarin allerlei groepen: bedrijven, NGO’s, academici, volkeren een verantwoordelijkheid nemen en middels diplomatie oplossingen zoeken voor gezamenlijke problemen. In plaats van overbodig, blijkt diplomatie een centraal aspect van de oplossing.