Geschiedenis

Hun beloofde land

Ian Buruma
Atlas Contact, Amsterdam, 2016

Door Christoph van den Belt, historicus en Connect-ambassadeur

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

‘In de schuur van mijn oom Johns huis stond een stapel metalen dozen vol muizenkeutels en honderden brieven, waarvan de eerste in 1915 geschreven was. […] De laatste brieven komen uit de jaren zeventig.’ Met deze woorden begint historicus en essayist Ian Buruma een promotiefilmpje voor zijn nieuwste boek, Hun beloofde land. Mijn grootouders in tijden van liefde en oorlog. Het is bijna te mooi om waar te zijn: nietsvermoedend een schuur binnenstappen en naar buiten komen met een flink pakket aan brieven die verhalen over een periode van ruim 60 jaar. Het overkwam Buruma en hij schreef, op basis van deze brieven en zijn eigen herinneringen, een boek dat oorspronkelijk in het Engels verscheen en nu is vertaald naar het Nederlands.

De schrijvers van de brieven die Buruma vond, zijn Bernard Schlesinger en Winifred Regensburg, zijn grootouders van moederskant. De geliefden schreven elkaar onder meer omdat Bernard tijdens de Eerste Wereldoorlog vocht in de loopgraven en tijdens de Tweede Wereldoorlog legerarts was in India, terwijl Winifred achterbleef in Engeland. Volgens Buruma schreven ze vrijwel iedere dag, zelfs al duurde het soms maanden voor de brieven hun bestemming bereikten. Zijn grootouders behoorden tot de gegoede Engelse burgerij, maar hun ouders waren, op de moeder van Bernard na, van oorsprong Duitse joden. Bernard en Winifred waren dus net zo Engels als hun grootouders Duits waren geweest.

Het besef van hun achtergrond is een rode draad in het boek. Zo nu en dan werden ze geconfronteerd met vooroordelen tegenover joden en ze deden daarom hun best om Engelser te zijn dan wie dan ook. Zo uitten ze zich geregeld overdreven patriottistisch, hadden ze geen goed woord over voor de Duitsers en was Churchill hun onaantastbare held. Kortom, ze deden hun uiterste best om geaccepteerd te worden door hun beloofde land.

De brieven verhalen over de loopgraven, over de jaren twintig in Oxford en Cambridge, over de jaren dertig in Duitsland en over India tijdens de Tweede Wereldoorlog. Door deze lange tijdsspanne is Buruma in staat om grote delen van hun leven te volgen en uitspraken te doen over de manier waarop hun ideeën over de wereld zich ontwikkelden. Daarnaast laat de kleinzoon zien hoe de protagonisten deze verschillende periodes beleefden en hoe zij reflecteerden op belangrijke gebeurtenissen.

Bij de brieven verstuurd uit de loopgraven valt op hoe hoeveel er niet wordt verteld. Buruma wijst er terecht op dat Bernard met handen en voeten gebonden was: wilde hij dat zijn brieven daadwerkelijk werden verzonden, dan moest hij rekening houden met de militaire censuur. Minstens zo opmerkelijk is dat Bernard in deze brieven telkens weer schrijft over kameraadschap, het weer en verveling. Ook staan er veel lichthartige passages in. ‘Het leven hier is nog altijd hetzelfde – jullie moeten dat leven ondertussen wel kennen’, schrijft hij in augustus 1916. Buruma wijst erop dat dit paste bij het ‘Britse ethos’ waartoe Bernard zich moest verhouden. Wellicht dat Bernard tevens probeerde om, ten overstaan van Winifred, betekenis te geven aan zijn troosteloze bestaan in de loopgraven.

Vanaf 1923 ging Bernard op zoek naar een baan in een ziekenhuis. Hoewel het erop lijkt dat hij nooit te maken kreeg met onverhuld antisemitisme, laat Buruma zien dat Bernard wel degelijk geconfronteerd werd met allerlei vooroordelen tegenover joden. Tenminste, dat is wat volgens Bernard zelf meespeelde bij de afwijzingen die hij gedurende vele jaren voor de kiezen kreeg. Na de zoveelste afwijzing schreef hij in april 1924 dat hij zich ‘kranig zal weren. […] Ze zeggen dat een jood door een sleutelgat kan kruipen & zo zal deze jood bij God op den duur een baan bij Gt. Ormond Street [Hospital] krijgen al blijft hij erin.’ Dit soort verzuchtingen toont volgens Buruma aan dat in het Engeland van de jaren twintig vooroordelen tegen joden de norm waren.

Wat bij dit soort beschrijven opvalt, is dat Buruma voortdurend probeert de brieven van zijn grootouders in hun context te plaatsen. Zo schrijft hij geregeld dat een brief luttele dagen voor of na een belangrijke historische gebeurtenis opgesteld is. Bij zulke opmerkingen kun je je afvragen in hoeverre men toen het belang van bepaalde gebeurtenissen al kon inzien, en toch is dat wat Buruma zich voortdurend afgevraagd lijkt te hebben bij het lezen van de brieven. Zo schrijft hij: ‘Uit de sporadische brieven uit de tweede helft van de jaren twintig valt niet veel af te leiden over de toestand in de wereld […] De beurskrach van Wall Street komt geen enkele keer ter sprake. Niets over de opkomst van Hitler.’

Ook reflecteert Buruma veelvuldig op de vraag in hoeverre de opvattingen van zijn grootouders pasten in de context van hun tijd. Natuurlijk is Buruma historicus, dus zo’n vraagstelling is voor hem een tweede natuur en de enige juiste manier om deze brieven te bespreken. Het werk van een historicus is immers meer dan het omgooien van een stapel metalen dozen vol muizenkeutels en honderden brieven: de historicus geeft betekenis aan de bronnen die hij aantreft.

Bij het beschrijven van het leven van Winifred en Bernard is Buruma echter niet alleen historicus, hij is ook kleinzoon, en dat is waar de schoen wringt. Daar waar ze blijk geven van opvattingen die de moderne lezer bevreemden, bijvoorbeeld bij (het afzien van) seksualiteit voor het huwelijk, zijn ze kinderen van hun tijd, maar veel vaker merkt Buruma op dat hun grootouders ruimdenkend waren en dat ze met veel van hun opvattingen, ten aanzien van religie en van de positie van vrouwen bijvoorbeeld, hun tijd ver vooruit waren.

Ongetwijfeld zit er een kern van waarheid in Buruma’s betoog en waren zijn grootouders in vele opzichten vooruitstrevend. Maar doordat de schrijver er dusdanig vaak de nadruk op legt, blijft de kritische lezer toch met een dubbel gevoel zitten. Overigens is Buruma de eerste om toe te geven dat zijn perspectief feilbaar is en dat hij naast de honderden brieven gebruik heeft gemaakt van zijn eigen herinneringen aan zijn grootouders om de brieven te kunnen plaatsen. Zo moet zijn boek dan ook gelezen worden: als een liefdevolle, prachtig geschreven ode van een kleinzoon aan zijn grootouders.