Filosofie

In stilte

Een filosofie van de afzondering

Jan-Hendrik Bakker
Atlas Contact, Amsterdam, 2015

Door Esther Wils, oud-redacteur Nexus

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel
Als er iemand voorbeeldig vormgeeft aan de maatschappelijke plicht van de intellectueel dan is het Jan-Hendrik Bakker. Engagement is voor hem een natuurlijke zaak. Het prettige verschil tussen zijn werkwijze en die van veel roependen is het diepgravende onderzoek in de breedte dat hij verricht. Bakker is geschoold als filosoof, psycholoog en literatuurwetenschapper en gebruikt behalve al die disciplines ook zijn eigen heldere verstand en levenservaring om de wereld te begrijpen. Zonder in filosofenjargon te vervallen en gevoelig voor de minder letterlijke formuleringen van de kunst – van letteren en beeldende kunst tot muziek – onderzoekt hij de thema’s die hij van levensbelang acht; na studies over leescultuur (Toewijding. Over literatuur, mens en media, 2003), het stadsleven (Welkom in Megapolis. Denken over wonen, stad en toekomst, 2008) en de grond van het bestaan (Grond. Pleidooi voor aards denken en een groene stad, 2011) komt hij nu met een rondgang langs hoogst interessante eenlingen wier teruggetrokken levens tot inzichten leiden die ook ons niet-kluizenaars van nut kunnen zijn.

In stilte beschrijft en analyseert de levens en beweegredenen van uiteenlopende figuren als Thoreau, Baudelaire, Kierkegaard, Nietzsche en Chris McCandless, de aandoenlijke jongeman die door het boek (van Jon Krakauer) en de film (van Sean Penn) Into the Wild een belangrijke cultfiguur werd. Het is Bakkers verdienste dat hij door zijn vraagstelling de bekende denkers in een fris daglicht weet te stellen, de minder bekende direct relevant weet te maken.

Hij begint met een cultuurhistorische inleiding op zijn thema: waar is de zegening van het individualisme uit de bocht gevlogen, hoe krijgen we het weer op de rails en welke inspiratie hebben de gepresenteerde heremieten daarbij te bieden? Het humanisme heeft gefaald, stelt Bakker met zoveel woorden, en maakt dat op simpele wijze hard: als het individu op alle fronten – gezondheidszorg, onderwijs, politiek, kunst, economie, recht – als ‘kleinste rekeneenheid’ wordt genomen dan verdwijnt de broodnodige gemeenschapszin. ‘Individuele zelfzucht is de motor geworden, niet alleen van de economie maar van de hele cultuur’, en ‘misschien zit de ideologie die de mens graag ziet als een soeverein wezen er gewoon naast’. Zeker nu door de technologische ontwikkelingen betaalde banen voor veel mensen staan te verdwijnen, is de vraag hoe men zijn leven zin geeft steeds acuter: de cirkel van arbeid en consumptie is dan zelfs als surrogaat niet meer werkzaam. De mens heeft iets nodig dat hemzelf overstijgt.

Om een lang verhaal kort te maken: Bakker wijst de natuur en de ander aan als de verlossers uit het in zichzelf opgesloten zijn. Tot de eigen geest veroordeeld komen ook de kluizenaars – al dan niet expliciet – tot die conclusie: de grootsheid van de natuur, de ervaring van het sublieme, geeft vitaliteit. Het raadsel en wonder van de ander, een mens tegenover je die jou verstaat, en in ruimere zin: de samenleving die je gevormd heeft en context geeft, maken je pas tot individu. Een los mens, zonder taal, opvoeding of banden, kan niet nadenken, laat staan scheppen en is tot een passief bestaan veroordeeld. Klaar als een rekensom, en toch is een wakkere blik als die van Bakker onontbeerlijk voor gevolgtrekkingen als deze.

Ze zijn des te overtuigender door de fascinerende ervaringen van de besproken denkers, die aan het betoog ten grondslag liggen. Iedere lezer zal zijn voorkeuren hebben, mij ging de tragische Kierkegaard aan het hart, die zijn grote liefde opgaf in zijn zoektocht naar ‘authenticiteit’ en terug wilde naar de bron. Aan de hand van zijn geval legt Bakker uit waarom het begrip ‘bron’ een reëler basis vormt voor het individuele bestaan dan termen als ‘wezen’ of ‘zelf’. Een flink citaat:

‘Voor velen van ons is die uitdrukking verdacht geworden of op zijn minst problematisch, want wat is ‘de bron’? Voor Thoreau lag zijn bron in de natuur, de romantische dandy’s zochten haar in de schoonheid. Mensen met een religieuze, mystieke aanleg zullen de ontmoeting met God als bron noemen. In elk geval gaat het om een inspirerende ervaring. Kierkegaard ziet de bron in de subjectiviteit van het bestaan. Alleen in de eenzaamheid van de persoonlijke ervaring van de grote dilemma’s van ons leven, onze angsten en verlangens, realiseert de eenling zijn existentie. ‘Hij wordt wie hij is’ door niet langer op te gaan in de massa, de kudde – voor Kierkegaard vooral de brave christenen van de Deense staatskerk van die dagen – maar op het scherp van de snede te leven. Wie de pijn van dat leven uit de weg gaat, leeft niet echt maar wordt geleefd. Het is een nieuw en revolutionair inzicht van deze textielhandelaarszoon dat dwars ingaat tegen de grote filosofische en religieuze tradities. Om die reden heb ik zojuist het woord ‘bron’ gebruikt en niet ‘wezen’, ‘kern’ of ware zelf. Want daar lag nu juist al eeuwen het probleem. Door de mens een wezen toe te dichten, harde kern of waarlijk zelf, wordt ‘de’ mens teruggebracht tot een ding of een begrip. De mens is een kind van God, een denkend wezen, een product van genen en milieu, tot alle kwaad geneigd, et cetera. Dit essentialisme, dat de mens laat samenvallen met een eigenschap, gaat voorbij aan het feit dat de individuele mens een levend, existerend subject is. De mens ís in de eerste plaats, voordat hem algemene kenmerken kunnen worden toegeschreven. Zijn is geen eigenschap, maar een proces, een voortdurende beweging, zijn is handelen, twijfelen, angst ervaren, hoop voelen, voor keuzes staan.’

Zo passeert er veel in het boek dat op concrete en nuchtere wijze uitnodigt tot herijking. Ook de notie van Thoreau, dat niet geld maar tijd kostbaar is en dat financiële verplichtingen een groot deel van ons leven dreigen op te eten, is behartenswaardig in een tijd dat het aangaan van leningen en verzekeringen de natuurlijkste zaak van de wereld lijkt. En de stellingname dat de estheet, de dandy, de negatiefste van alle ‘afzonderlingen’ is, is uitdagend: schoonheid om de schoonheid miskent de werkelijke betekenis van kunst, die altijd een afgeleide is. ‘De vraag kan worden gesteld in hoeverre de fijnproever, behalve op het punt van zijn exquise voorkeur, zich eigenlijk onderscheidt van de gewone consument. Ook hij consumeert om het consumeren. In werkelijkheid is esthetische ontroering altijd sterk gemengd met sociale, religieuze en existentiële sentimenten.’ Kunst brengt ons juist terug bij de wereld, zegt Bakker, net als de eenzaamheid ons terugbrengt bij de ander.

Twee basale verhoudingen, die tot de natuur en die tot de ander, vragen om individuele toewijding en verantwoordelijkheid, zeker nu de mens met zijn technologische kunnen de gezamenlijke leefwereld in zijn voortbestaan bedreigt. Niet een abstract ideaal maar de persoonlijk gevoelde, ‘authentieke’ ervaring en het inzicht dat daaruit volgt, zouden de mens anno 2015 ertoe moeten bewegen zich in te spannen voor het behoud van de aarde. Bakker doceert zonder belerend te zijn – hopelijk bereikt zijn boodschap een groot publiek.