Filosofie

Intolerantie

Slavoj Žižek
Boom, Amsterdam, 2011
vert. Jan Willem Reitsma

Door Jelle van Baardewijk, Docent-onderzoeker Wijsbegeerte (VU)

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

De Sloveen Slavoj Žižek is waarschijnlijk de meest gelezen nog levende filosoof. Zijn filosofie staat in de traditie van Hegel, Marx en Lacan. Dat zijn moeilijk toegankelijke denkers, maar Žižek weet zijn lezers met een humoristische en anekdotische schrijfstijl voor hen te interesseren. Wellicht de grootste verdienste van Žižek is echter dat hij deze denkers verbindt met de huidige tijd en de problemen die daarin spelen. Zo ook in de recente heruitgave van Intolerantie, een essay dat is gebaseerd op een artikel uit 1997. (Het essay Intolerantie is een bewerking van het artikel ‘Multiculturalism, or, the Cultural Logic of Multinational Capitalism’, dat Žižek in 1997 publiceerde in de New Left Review. Overigens verscheen Intolerantie reeds in 1998 in vertaling, onder de titel Een pleidooi tegen tolerantie.) Dit essay kan uitstekend worden gelezen als een eerste kennismaking met de filosofie van Žižek – maar ook wie hiermee reeds vertrouwd is, kan aan Intolerantie intellectueel plezier beleven.

Als een echte Marxist interpreteert Žižek culturele idealen als een legitimatie van economische verhoudingen waarin bepaalde groepen bevoorrecht zijn, terwijl anderen worden uitgebuit. In Intolerantie richt Žižek zijn pijlen op het ideaal van de multiculturele samenleving. Dat is het ideaal waarin anderen vooral in hun anders-zijn moeten worden erkend, in de particulariteit van hun levensverhalen, terwijl zij ondertussen worden ingelijfd in de kapitalistische economie, waarin alles juist uniform wordt gemaakt. Zo worden bijvoorbeeld de Chinezen en Indiërs – en in Nederland de Turken en Marokkanen – in culturele zin wellicht erkend, maar tegelijkertijd ingezet als goedkope arbeidskrachten. In dienst van de moderne economie vervreemden zij volgens Žižek van zichzelf en van de eigen interesses en talenten, zonder dat zij zich dat realiseren.

Ook autochtonen zijn volgens Žižek van zichzelf vervreemd. Slechts weinigen beseffen dat echter, want men is vervreemd van de eigen vervreemding. Dat is een voor Žižek typische gedachte, die hij toelicht aan de hand van een voorbeeld uit de familiesfeer. De repressieve vaderfiguur zegt tegen zijn kind: ‘Je gaat mee naar oma’s verjaardag en je gedraagt je fatsoenlijk, ook als je je stierlijk verveelt. Het kan me niet schelen of je het leuk vindt of niet.’ De postmoderne vader zegt daarentegen tegen het kind: ‘Ook al weet je dat je oma je graag wil zien, je moet alleen meegaan als je zelf wilt. Anders blijf je maar thuis.’ De truc is volgens Žižek gelegen in de valse schijn van de vrije keus die, zoals ieder kind weet, eigenlijk een afgedwongen keus is. De schijnkeuze gaat met een nog strengere opdracht gepaard. Niet alleen: ‘Je gaat mee naar je oma, of je het leuk vindt of niet’, maar zelfs: ‘Je moet mee naar je oma en je moet het nog leuk vinden ook’. Tijdens het bezoek aan oma raakt het kind dus niet alleen vervreemd van zijn eigen wezen – hij moet stilzitten, meepraten, wachten, enzovoort – maar hij raakt ook vervreemd van die vervreemding. Het kind moet alles leuk vinden en mag ook niet over iets anders fantaseren. Dat is volgens Žižek een vorm van psychische terreur.

Deze gedachtegang is breed toepasbaar. Alles moet tegenwoordig immers leuk en uitdagend zijn: zelfs voor ons vaak simpele en routinematige werk moeten we passie hebben. Daarin gaat volgens Žižek een diepe onvrijheid schuil: ons onvermogen om eerlijk te zijn over de eigen bezigheden en de mate waarin we onszelf daarin herkennen. Twijfel en onzekerheid over werk, maar ook over liefde, ziekte en dood hebben geen plaats meer in onze samenleving. Zo bezien is het wellicht begrijpelijk dat Žižek zijn waardering uitspreekt voor totalitaire regimes, want daar heeft men volgens hem tenminste de geestelijke vrijheid de perversiteit van de eigen bezigheden in te zien – en vervolgens de schuld daarvan in het systeem te zoeken. In het zogenaamd vrije Westen geven we daarentegen vooral onszelf de schuld als we ons niet in de eigen en gedeelde activiteiten herkennen. Volgens Žižek zijn we te veel gericht op ons eigen handelen, dat zou worden gemotiveerd vanuit de eigen wil en verlangens. Daardoor hebben wij geen oog voor de bovenindividuele krachten die ons tot handelen bewegen. Žižek bedoelt daarmee vooral de ideologische krachten van het kapitalisme, die zowel achter het ideaal van multiculturalisme als de ‘leuk-cultuur’ schuilgaan.

Intolerantie biedt de lezer interessante filosofische inzichten, maar Žižek trekt daaruit al te grote praktische conclusies. Zo wijzen de recente financiële crises inderdaad op de noodzaak nieuwe politieke grenzen voor onze economie te trekken en stabiele en zorgzame groei te stimuleren. Maar Žižek gaat te ver wanneer hij het hele kapitalisme afwijst. Het ideaal van het multiculturalisme begrijpt hij bovendien wat al te gemakkelijk als een legitimatie van het ongebreidelde kapitalisme. Het is dan vooral de scherpe kritiek op de ‘leuk-cultuur’ die Intolerantie de moeite van het lezen waard maakt. Daarbij zal de lezer trouwens nog tal van andere inspirerende gedachten opdoen.