Kroniek van een leven dat voorbijgaat

Fernando Pessoa
samenstelling, vertaling en nawoord door Michaël Stoker
Van Oorschot, 2020

Bestel dit boek via ons partnerprogramma met Athenaeum Boekhandel

Door Derek van Zoonen, promovendus filosofie, Rijksuniversiteit Groningen

Toen hij in 1935 op 47-jarige leeftijd stierf in het ziekenhuis São Luís dos Franceses in Lissabon, liet de Portugese schrijver Fernando Pessoa een grote houten kist gevuld met maar liefst zo’n 25.000 manuscripten achter. Het laatste, Engelstalige fragment schreef hij op de dag voor zijn dood: ‘I know not what tomorrow will bring’. Hoewel Pessoa een bekend figuur was in de literaire scene van Lissabon en als een van de oprichters van het tijdschrift Orpheu het modernisme als literaire stroming in Portugal introduceerde, publiceerde hij tijdens zijn leven slechts één bundel patriottistische gedichten genaamd Mensagem (Bericht) en stierf hij min of meer als anonieme figuur. Net als Vincent van Gogh, zou hij postuum pas bekend en bemind worden – vooral als de auteur van het fenomenale Boek der Rusteloosheid. Zoals Pessoa tijdens zijn leven al opmerkt:

Ik behoor toe aan een mensheid van de toekomst. Vandaag de dag is er nog niemand
die het leven ervaart [zoals ik], maar er komt een dag waarop sommigen het zullen
begrijpen. Als ik mijn tijd zit te verdoen, dan verkwist ik eigenlijk het verheven
erfgoed van morgen.

Het is moeilijk grip te krijgen op Pessoa en diens oeuvre. Hij schreef als een maniak en op alles wat hij maar te pakken kon krijgen – losse vellen papier, notitieboeken, briefpapier van de bedrijven waar hij als vertaler van zakelijke correspondentie in dienst was, de achterkant van brieven, enveloppen, andere flarden papier – en schakelde moeiteloos tussen talloze genres, stijlen en onderwerpen. Zijn nalatenschap is niet alleen enorm, fragmentarisch en chaotisch, een groot deel van Pessoa’s schrijfsels is ook nog eens geschreven door wat hij ‘heteroniemen’ noemde. Waar pseudoniemen slechts schuilnamen zijn die een en dezelfde auteur gebruikt om zich achter te verstoppen, fungeren Pessoa’s heteroniemen als heuse alter ego’s die ieder een eigen biografie, persoonlijkheid, stijl en kijk op de wereld hebben.

Pessoa’s gebruik van de heteroniemen komt bovendien voort uit een innerlijke, psychologische noodzaak: als klein kind, zo ontdekken we in het eerste fragment van Kroniek van een leven dat voorbijgaat, had hij reeds de behoefte ‘[z]ijn wereld te verrijken met fictieve persoonlijkheden’. Dit proces ging verder dan ‘de verbeeldingskracht van een kind dat doet alsof zijn poppen leven’:

Ik kon me die figuren zo levendig voorstellen dat ik helemaal geen poppen nodig had.
Ze waren zo duidelijk zichtbaar in mijn onafgebroken droom, dat ze volstrekt echte
mensen voor me waren.

Pessoa – wiens naam opmerkelijk genoeg ‘persoon’ betekent in het Portugees – lijkt zichzelf uiteindelijk slechts nog als een leeg podium te beschouwen waarop zijn heteroniemen hun rol kunnen spelen en met elkaar kunnen interacteren:

[I]k heb geen persoonlijkheid meer: alles wat ik aan menselijkheid in me had, heb ik
verdeeld over de schrijvers voor wie ik slechts de executeur littéraire ben geweest. Ik
ben de verzamelplaats van een klein mensdom dat alleen voor mij bestaat.

Of zoals Ricardo Reis, een van Pessoa’s bekendste heteroniemen, deze psychologische fragmentering in een Zen-achtig gedicht vangt:

In ons leven tallozen
Ik weet niet, als ik denk
of voel, wie denkt of voelt.
Ik ben de plek slechts waar
gevoeld wordt of gedacht.

Gedichten, vertaling August Willemsen.

Kroniek van een leven dat voorbijgaat dankt zijn naam aan een reeks columns van de hand van Pessoa die in 1915 onder dezelfde naam verschenen in de krant O Jornal. Het boek is het resultaat van Michaël Stokers dissertatie Challenging Modernism: Fernando Pessoa and the Book of Disquiet en bevat zo’n vierhonderd teksten van Pessoa’s hand die volgens Stoker eigenlijk niet in de edities van het Boek der rusteloosheid thuishoren, hoewel ze daar vaak terecht komen, en tot op heden nog niet in het Nederlands verschenen zijn.

Dankzij de rijkheid en breedte van de fragmenten die we hier en elders in Pessoa vinden, wordt zijn nalatenschap weleens geassocieerd met Borges’ oneindige bibliotheek van Babel. Pessoa lezen betekent je een weg banen door een caleidoscopisch mozaïek dat bestaat uit flarden van dromen; pogingen zichzelf en het ontstaan van zijn heteroniemen op fijnzinnige wijze te doorgronden; ongeëvenaarde beschrijvingen van zijn bewustzijnsstroom; scherpe kritiek van literatuur, cultuur, maatschappij, politiek en de tijdsgeest; aanzetten tot verhalen; pogingen de fundamentele structuur van onze werkelijkheid in kaart te brengen; rake inzichten in de condition humaine en het menselijke gedrag; allerhande aforismen, levensregels en wijsheden; en existentialistische mijmeringen over de dood, liefde en eenzaamheid die samen zoiets als een bitterzoete visie op het goede leven vormen – dat alles in een virtuoze stijl en doorspekt met prachtig poëtisch taalgebruik.

Net als Rilke en Hölderlin, die Heidegger ‘denkende dichters’ noemde, is Pessoa ‘een door de filosofie begeesterde dichter’, zoals hij het zelf zegt. Alleen zo’n denkende dichter is in staat gedachten als handelingen te definiëren en handelingen als ‘gevoelen die je weggooit’, mensen ‘als relatief trage gebeurtenissen,’ emoties en verlangens als ‘de vlekken die de ziel maakt op de mens, wanneer hij oefent om mentaal zindelijk te worden,’ het universum als ‘een boek waarin elk van ons een zin is’ of ‘een hek dat half openstaat voor een gesloten deur’ waarvan wij (‘denkbeeldige sleutelmakers’) ‘de sleutels niet hebben,’ voelen als ‘denken zonder ideeën’, geluk als ‘het ervaren van de harmonie tussen de innerlijke en de uiterlijke omstandigheden van ons leven’ en metafysica als ‘de doos waarin we het Oneindige bewaren’.

Wie op zoek gaat naar de kern van Pessoa’s werk, zo concludeert Stoker tot slot in zijn uitstekende nawoord bij de Kroniek, komt bedrogen uit en kan maar één conclusie trekken: ‘De enige constantie in zijn werk is de grilligheid.’ Of zoals Pessoa het zelf zegt: ‘Mocht ik ooit coherent overkomen dan is het alleen als een incoherentie op mijn incoherentie.’ Anders gezegd, alles kan in twijfel getrokken worden en als je jezelf niet tegenspreekt is je denken niet complex genoeg. Immers:

Waarom zou de waarheid niet totaal iets anders zijn dan wat we ons ervan voorstellen? Waarom zou het niet iets zijn waarvan we niet eens kunnen begrijpen dat we het niet begrijpen, een mysterie van een totaal andere wereld?

Behalve die grilligheid – alsof Pessoa een postmodernist is wiens enige norm is dat er geen normen bestaan – valt er een andere, veel interessantere rode draad in Pessoa’s werk te ontwarren: wat George Steiner zijn ‘unsparing introspection’ genoemd heeft.

Die ‘unsparing introspection’ is onder meer verantwoordelijk voor een van de interessantste aspecten van Pessoa’s denken. Een van de grondgedachten van Pessoa’s filosofie, als zoiets bestaat, is de gedachte dat mensen vreemden voor zichzelf zijn – zoals Nietzsche dat noemde in de Genealogie van de moraal. Onze binnenwereld en ons begrip van onszelf is gefragmenteerd, obscuur, rommelig, verward, glibberig, en veranderlijk – vaak juist doordat we iets per ongeluk transformeren in onze verwoede poging het in een introspectieve handeling te vangen. En waar dat gebrek aan grond onder de voeten velen van ons zou beangstigen, laat Pessoa zien dat het mogelijk is om deze vervreemding te omarmen. Anders gezegd, we moeten leren ‘onze ziel in stukjes te breken, … meerdere gewaarwordingen tegelijk te hebben en de geest zichzelf te laten opdelen tot een diffuus en versplinterd geheel.’

Daar komt nog bij dat Pessoa, in tegenstelling tot Freud en Nietzsche, geen beroep doet op een onderbewuste laag in  onze geest om die feilbaarheid van onze zelfkennis en die fragmentatie van ons zelf te beargumenteren en dat maakt zijn pleidooi voor introspectieve bescheidenheid of pessimisme niet alleen boeiender maar ook radicaler. In Pessoa’s handen is zelfs Descartes’ beroemde cogito – de suggestie dat wij nooit kunnen betwijfelen dát wij bestaan – niet veilig meer:

Mijn gewaarwordingen zijn voor mij de enige werkelijkheid. Ik ben een gewaarwording van mijzelf. Daarom ben ik zelfs van mijn eigen bestaan niet zeker. Ik ben alleen zeker van de gewaarwordingen die ik mijn gewaarwordingen noem.

Dit buitengewone talent zijn binnenwereld haarscherp te observeren en vervolgens in beeldschone woorden en rake filosofische analyses te vangen levert Pessoa niet alleen inzicht in zijn eigen karakter en daarmee de menselijke psychologie op, het maakt hem dus ook iemand die een plek in de filosofische canon verdient – juist omdat hij zulke tegendraadse en frisse ideeën heeft die je vrijwel nergens anders in de westerse filosofie vindt. Brutaal gezegd: als Nietzsche telt als filosoof, dan Pessoa al helemaal.


Lees ook: