Kunst

Kunst moet, ook in tijden van cholera

Thije Adams
Van Gennep, Amsterdam, 2012

Door Vincent Meelberg, universitair docent cultuurwetenschap (RUN)

Lees meer over het belang van kunst in Nexus 27, Het vaarwel van de muzen.

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

‘Wij zien de wereld door de voorstelling die wij van de wereld maken,’ stelt voormalig ambtenaar op het Ministerie van WVC en OCW Thije Adams in zijn boek Kunst moet, ook in tijden van cholera (p. 38). Kunst is volgens hem de manier voor de mens om tot uitdrukking te brengen hoe hij zichzelf en zijn wereld ziet en ervaart. Kunst wordt door Adams opgevat als de voortzetting van de religie met andere middelen, omdat kunst de weg kan wijzen naar een andere, en mogelijk betere, wereld.

 

Voor Adams is dit een van de redenen dat kunst zo belangrijk is voor de mens, in goede en in slechte tijden. Kunst kan fungeren als een verbeelding en een verrijking van de manier waarop de werkelijkheid kan worden waargenomen. Adams legt uit dat waarnemen niet iets is wat je ondergaat. Nee, waarneming is een activiteit, iets wat je bewust doet. Dit betekent dat waarneming, net als iedere activiteit, geoefend en verbeterd kan worden. Kunst is volgens Adams de manier bij uitstek om dit te bewerkstelligen. Kunst brengt ordening aan in de werkelijkheid en accentueert aspecten van deze werkelijkheid die anders voor ons verborgen zouden blijven. Sterker nog: kunst manipuleert de realiteit om deze herkenbaar te maken en creëert een werkelijkheid voor ons, door ons te leren de realiteit op een andere manier waar te nemen.

 

Om deze reden is kunst voor Adams net zo belangrijk als religie en wetenschap. Hij stelt dat deze drie gebieden alle brillen zijn waardoor de werkelijkheid wordt ontworpen en gevormd. Religie, zo stelt Adams, brengt onder woorden hoe het gesteld is met de mens en de wereld, en hoe wij ons in het licht daarvan dienen te gedragen. Wetenschap gaat op haar beurt over hoe de wereld feitelijk is en zoekt naar wetmatigheden waarmee de fenomenen in deze wereld verklaard en voorspeld kunnen worden. Kunst, tenslotte, gaat over hoe de wereld zich aan ons voordoet en hoe wij daar uitdrukking aan kunnen geven. Daarbij merkt Adams op dat waar wetenschap op zoek gaat naar een enkel antwoord, kunst juist uitwaaiert, en dat waar wetenschap pogingen doet bewijzen te formuleren, kunst op zoek is naar overtuigingskracht, overtuigingskracht om de mens te overreden op andere manieren naar de werkelijkheid te kijken en op deze manier de waarneming te scherpen.

 

Dit is niet het enige argument dat Adams in zijn boek geeft om te benadrukken dat kunst belangrijk is. Hij stelt ook dat kunst kan dienen als maatschappelijk bindmiddel, dat kunst een manier is om samenhang binnen een cultuur te creëren. Een cultuur bestaat volgens Adams uit drie zogenaamde cultuurlagen. Cultuurlaag 1 is de laag waarin dingen zich voordoen alsof ze altijd zo zijn geweest. Deze laag vormt de harde kern van onze culturele identiteit en kenmerkt zich door anonimiteit en collectiviteit. Cultuurlaag 2 is de laag waarin met dingen gespeeld mag worden en wordt door Adams omschreven als het domein van de cultuurindustrie. Cultuurlaag 3, ten slotte, is de laag waarin een cultuur tot zelfbewustzijn komt. Dit is de laag waar kunst zich bevindt. Deze laag kenmerkt zich juist door verzet tegen zekerheden en is, in tegenstelling tot laag 1, gesigneerd en individueel.

 

Het is deze laatste cultuurlaag die in de ogen van Adams bij uitstek in staat is een samenleving samen te binden. Dit vergt een gedeelde receptie van kunstwerken en cultureel erfgoed en de vorming van een canon, of beter: een verzameling van canons, die kan fungeren als wegwijzer binnen een cultuur. En dat is precies waar het volgens Adams aan ontbreekt in onze huidige samenleving.

 

Adams signaleert dat kunst deze functie van bindmiddel en wegwijzer in onze tijd verloren heeft. De laatste decennia worden volgens hem gekenmerkt door een teloorgang van autoriteit en elite, van de hoeders van waarden en normen. Dit komt mede doordat hedendaagse kunst meer en meer een zaak van experts is geworden. Omdat de kunstsector de afgelopen decennia zo autonoom kon opereren, wat het gevolg is van het standpunt dat de overheid geen beoordelaar van kunst mag zijn, is er een zogenaamde mission creep ingetreden: het kapen en omvormen van doelstellingen van publieke kunst- en cultuurinstanties door kunstexperts naar de interesses van deze kunstexperts zelf. Op deze manier heeft de kunstsector het algemene publiek van zich vervreemd.

 

Dit heeft cultuurlaag 2 de mogelijkheid gegeven uit te dijen en haar invloed enorm te vergroten. Cultuurdragers, zo stelt Adams, maken plaats voor cultuurconsumenten, die bediend worden door cultuurlaag 2, de laag van en voor goed verkoopbare artistieke en culturele producten, waarin in termen van consument en markt wordt gedacht. Kortom: in plaats van een verzameling van canons die bestaan uit het mooiste en waardevolste dat onze cultuur te bieden heeft, wordt de cohesie binnen de samenleving gerealiseerd door samen cultuuruitingen te consumeren die geproduceerd worden door de cultuurindustrie, en waar het streven naar de ‘grootste gemene deler’ belangrijker is geworden dan het creëren van objecten die het resultaat zijn van individuele, persoonlijke vormen van expressie.

 

Hoewel Adams dit punt zeer belangrijk schijnt te vinden – zo concludeert hij dat het zoeken naar mogelijkheden om kunst en cultuur te delen ‘een van de belangrijkste aanknopingspunten voor overheidsbeleid in deze tijd’ zou moeten zijn (p. 94) – geeft hij niet expliciet aan waarom deze functie niet door cultuurlaag 2 zou kunnen worden vervuld. Adams benadrukt dat een gedeelde cultuur een voorwaarde is om sociaal en maatschappelijk te overleven, maar hij geeft niet aan waarom dit per se door middel van een verzameling van canons met ‘grote werken’ uit de kunst- en cultuurgeschiedenis tot stand gebracht zou moeten worden. Je zou je zelfs kunnen afvragen of kunst wel in staat is deze samenbindende functie te vervullen, aangezien ‘hoge’ kunst juist een individuele expressie is en zaken dient te bevragen en te problematiseren in plaats van te bevestigen. Kunst scherpt de waarneming door de werkelijkheid op andere manieren weer te geven, anders dan wij gewend zijn, maar dit betekent niet dat wij die werkelijkheid vervolgens allemaal op dezelfde manier anders gaan beschouwen.

 

Adams doet in zijn boek veel interessante observaties over wat kunst kan bewerkstelligen, maar zijn conclusies zijn niet altijd even overtuigend. Zo heb ik mijn twijfels bij de samenbindende functie van kunst en denk ik niet dat daar primair de waarde van kunst ligt. Eerder zou ik de waarde van kunst willen uitleggen aan de hand van Adams’ opmerkingen over kunst als aanscherping van de waarneming. Kunst kan in die zin gezien worden als een aansporing om anders te denken. Kunst is geen bevestiging van een bepaalde stand van zaken, maar juist een problematisering ervan. Kunst leert ons zaken niet als vanzelfsprekend aan te nemen, maar alternatieven te overwegen. Op deze manier kan kunst ons trainen in het omgaan met verandering, met andersheid, met het onbekende, een training die we in deze tijd zeer hard nodig hebben.