Samenleving

Laat je niet regeren door angst, maar door moed

Joachim Gauck
Cossee, Amsterdam, 2012

Door Ruard Ganzevoort, hoogleraar praktische theologie (VU) en lid Eerste Kamer (GroenLinks)

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

Een essay over vrijheid, verantwoordelijkheid en tolerantie loopt bijna per definitie het risico te verzanden in gezwollen ideologische taal, losgezongen van de werkelijkheid. Dominees en politici staan daar bij uitstek om bekend. Als de schrijver van het essay dominee was en nu politicus is, dan zijn we gewaarschuwd.

We hebben het over Joachim Gauck, sinds 2012 president van Duitsland. Zijn lange loopbaan begon hij als predikant in Oost-Duitsland, waar hij de onderdrukking aan den lijve ondervond. Als een van de grondleggers heeft hij een grote rol gespeeld in het kerkelijke en publieke verzet. Na de ineenstorting van het regime en de vereniging van Duitsland werd hij als politicus onder meer voorzitter van de parlementaire commissie die toezicht hield op de opheffing van het Ministerie voor Staatsveiligheid en beheerde hij tien jaar lang de archieven van de Staatssicherheitsdienst. Iemand met recht van spreken.

In de twee toespraken die in Laat je niet regeren door angst, maar door moed gebundeld zijn, verkent Gauck grote woorden en zoekt daarvan de relevantie voor het hedendaagse Duitsland en Europa. Hij zet in met het gesprek over vrijheid en beschrijft twee soorten vrijheid. De eerste is wat hij noemt ‘het anarchistisch gezicht van de vrijheid’, dat hoort bij de jeugd, zowel op individueel vlak als op het niveau van een natie. Anarchistische vrijheid draait om het afwerpen van het juk, de bevrijding van knellende banden waardoor mensen niet zelf de keuzes kunnen maken die ze willen maken. Het is deze vrijheid die in een dictatuur gemist wordt en waartegen mensen zich uiteindelijk gaan verzetten.

De andere soort vrijheid verbindt Gauck met de vragen die opkwamen na de omwenteling. Hij noemt dit volwassen vrijheid, die draait om de vraag wat we nu zullen doen, oftewel: om verantwoordelijkheid. Deze positieve vrijheid wordt bijvoorbeeld zichtbaar als mensen een relatie aangaan. Dat is weliswaar een beperking van de negatieve vrijheid – opeens zijn er allerlei belemmeringen in ons doen en laten – maar tegelijkertijd is het gericht zijn op die ander een positieve vrije keuze die ons leven verrijkt. Zonder het te benoemen, heeft Gauck het daarmee over negatieve en positieve vrijheid, de twee concepten waar Erich Fromm en Isaiah Berlin veel over geschreven hebben. Vrijheid als verantwoordelijkheid, ‘vrijheid tot’, roept individuen op om zich aan elkaar te verbinden en bij te dragen aan de opbouw van de samenleving. Daarom benadrukt Gauck ook de noodzaak van empowerment: mensen opnieuw in staat stellen om verantwoordelijkheid te nemen.

Als derde thema bespreekt Gauck tolerantie. Ook hier neemt hij geen genoegen met de minimale variant, die ten diepste op onverschilligheid neerkomt. Tolerantie betekent niet dat we ons niet aan elkaar storen en dus ook zelf zo kleurloos mogelijk worden om elk storen te voorkomen. Het gaat er juist om dat we de waarden van onze eigen tradities in het gesprek inbrengen om zo gezamenlijk bij te dragen aan de samenleving. Relativisme rondom bijvoorbeeld mensenrechten draagt niet bij aan tolerantie. Daarmee bepleit Gauck in de kern een vorm van actieve dialoog.

En passant komt hij uiteraard – gezien zijn geschiedenis – ook te spreken over de klassieke discussie tussen communisme en kapitalisme. Daarbij is hij kritisch op het individualistische kapitalistische marktsysteem, maar hij noteert ook dat het meer collectief gerichte marxistische model vaak tot minder vrijheid en minder levensvreugde heeft geleid en dat er dus weinig reden is dergelijke experimenten te herhalen.

Terwijl dit eerste deel teruggaat op een lezing voor theologen, is het tweede deel van het essay zijn rede bij zijn inauguratie als president. Hier grijpt hij terug op de woorden angst en moed en schetst hij de uitdagingen waar Duitsland en Europa voor staan. Het constructief opbouwen van een democratische rechtsstaat is de grootste verworvenheid van de afgelopen halve eeuw geweest. Precies op dat punt liepen West-Duitsland en Oost-Duitsland het verst uiteen en dat verschil is volgens Gauck belangrijker dan de economische verschillen. Juist daarom is het van groot belang dat mensen mondig gemaakt worden en dat de samenleving zich verzet tegen elke stroming die de vrijheid aantast, of die nu politiek of religieus gefundeerd is.

Het essay van Gauck is een hartstochtelijk pleidooi voor een vrije democratische en plurale samenleving. Zeker, de taal komt soms wat gezwollen over, maar dat ligt misschien vooral aan de vertaling, die te precies de structuur van de Duitse zinnen volgt. Inhoudelijk staat het pleidooi van Gauck – juist door zijn persoonlijke en concrete betrokkenheid – heel dicht bij de vragen waar het in de samenleving om gaat. En daarin is Nederland niet anders dan Duitsland. Ik denk dat wij op dit punt momenteel veel kunnen leren van Duitsland en van het morele kompas dat Gauck ons voorhoudt.

Persoonlijk ben ik ook geïnspireerd door de vrije manier waarop Gauck als theoloog en politicus die zo verschillende talen ineen weeft. Het verschil in taal tussen de twee delen van het essay past bij de twee publieken en rollen, maar ten diepste gaat het in beide om het verlangen naar een betere wereld.