Wetenschap

Lof van de geesteswetenschappen

De noodzaak van helder denken

Fareed Zakaria
Atlas Contact, Amsterdam, 2016

Door Simone Vermeeren, historica en Nexus-redacteur

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

Bombay, begin jaren tachtig. De adolescente Fareed Zakaria zit op zijn bed, de dikke studiegids van ‘Eel’ ligt voor hem. Hij staat op het punt om in de voetsporen van zijn oudere broer te treden door een toelatingsexamen af te leggen voor een studie in de Verenigde Staten. In zijn naaste omgeving is er weinig begrip voor zijn wens de Stille Oceaan over te steken. Niet alleen is de naam Yale een struikelblok voor zijn vrienden, zij hebben vooral weinig begrip voor zijn keuze voor een studie die hem leuk lijkt. Zijn generatie van jonge Indiërs is over het algemeen gefixeerd op een baan in de technologie of ict in eigen land. Het curriculum van een liberal education, een brede interdisciplinaire vorming verankerd in de geesteswetenschappen, is voor hen een pretpakket; interessant misschien, maar geen waardevolle investering in de toekomst.

Dertig jaar later zouden zijn vrienden Zakaria met recht een succesvol man kunnen noemen: hij was docent aan Harvard en Columbia, heeft meerdere boeken op zijn naam staan, maakt documentaires, schrijft voor The Washington Post en is presentator van een actualiteitenprogramma op cnn. Zijn afstudeerrichting na een brede bachelor in de humaniora? Een alfavak bij uitstek: geschiedenis.

Ondanks zijn eigen succes maakt Zakaria zich zorgen over de status van de geesteswetenschappen. Die ongerustheid staat centraal in zijn nieuwe boek Lof van de geesteswetenschappen, een op de actualiteit inspelend pleidooi voor de onmisbaarheid van de geesteswetenschappen in de westerse samenleving. Het boek is nadrukkelijk geschreven voor een breed publiek, met een toon die past bij een publieksgerichte columnist en actualiteitenman als Zakaria.

De mentaliteit waarmee hij in zijn jeugd werd geconfronteerd, laat zich immers niet ondermijnen door een individueel succesverhaal. Wat heet: het moderne onderwijsstelsel, dat zich gedwongen ziet tot aanpassingen aan moderne technologieën en de geglobaliseerde wereld, is in toenemende mate gericht op het aanleren van vaardigheden ten koste van een brede ontwikkeling en de kunst van het kritisch denken. Steeds vaker worden door politici publiekelijk vraagtekens gesteld bij het nut van een liberal education, en kiezen studenten, gestimuleerd door hun omgeving, voor een studie met baangarantie. Een ontwikkeling die volgens Zakaria tot op het allerhoogste niveau wordt geaccepteerd, en zelfs onderschreven: ‘Het idee dat een liberal education van nul en generlei waarde is, heeft geleid tot een zeldzaam fenomeen in Washington: consensus tussen de twee rivaliserende politieke partijen.’ Door die stelling laat Lof van de geesteswetenschappen zich vooral lezen als een politiek-kritisch betoog, gericht op de beleidsmakers die de subsidiekranen voor de geesteswetenschappen steeds verder dichtdraaien.

Hoewel Zakaria zich in eerste instantie zorgen maakt om de situatie in zijn nieuwe vaderland, de VS, maakt de uitgever van de Nederlandse vertaling duidelijk dat dit soort rendementsdenken ook een trend is in het Europese onderwijs, en een vertaling niet alleen relevant maar ook broodnodig is. Ook hier moeten de geesteswetenschappen steeds meer geld en plaats inleveren ten gunste van de bètawetenschappen. In Nederland zijn bovendien steeds meer studies ingericht volgens het interdisciplinaire principe, en ook zij zijn slachtoffer van bezuinigingen.

Wereldwijd gaat het grote geld naar de technische studies. We leven in een tijd waarin Silicon Valley een vierde macht in de trias politica zou kunnen zijn, naast de klassieke verdeling van de rechtsprekende, wetgevende en uitvoerende macht. Terwijl technologische bedrijven wereldwijd grootse verwachtingen uitdragen, is het interessant dat iemand als Zakaria, in de lijn van economen als Robert Gordon en Thomas Piketty, niet onvoorwaardelijk gelooft in een onbetwiste glorieuze toekomst voor deze bedrijven. De historicus onderschrijft het belang van economische groei, maar benadrukt daarbij dat een baanbrekende uitvinding als de smartphone niet alleen tot stand komt door op de bètawetenschappen gestoelde testresultaten.

Volgens deze redenering kan de ‘Tech Bubble’ niet zonder de creatieve afgestudeerden – of drop-outs – van de liberal education, omdat zij voor de daadwerkelijke innovatie zorgen. Zakaria noemt bijvoorbeeld de toegepaste psychologie en sociologie die ten grondslag ligt aan Facebook. Een ander argument van Zakaria voor de onmisbaarheid van de bestudering van de humaniora, is dat juist de creatieve sector, waarbij gedacht kan worden aan de muziekwereld en zelfs aan Hollywood, een van de pijlers is van de wereldeconomie.

Behalve een op moderne ontwikkelingen gestoelde wijze van het op waarde schatten van de liberal education heeft Zakaria ook een toekomstvisie op het onderwijssysteem. Zo kijkt hij naar de mogelijkheden van het digitale tijdperk. Toegang tot het internet en de inzet van big data kunnen volgens hem leiden tot betaalbaarder onderwijs, op maat gesneden curricula en dus een verdere democratisering van het onderwijs. Tot extra concurrentie op de arbeidsmarkt leidt dit volgens hem niet: Zakaria presenteert enkele onderzoeken waaruit blijkt dat nu al vele bètawetenschappers en professionals op latere leeftijd de humaniora bestuderen als verbreding op hun initiële vakopleiding. Dat doen ze vooral om hun persoonlijke leven verrijken. Uit deze behoefte blijkt eens te meer de belangrijkste verdienste van de geesteswetenschappen: verbreding van het eigen perspectief.

Naast zijn pleidooi voor digitalisering van het academisch onderwijs, is Zakaria niet bang voor verdere modernisering van het onderwijs. Zo stelt hij een verjonging van de lesstof voor, die zich aanpast aan de leefwereld van de hedendaagse studerende adolescent. Studenten mogen van hem gerust het oeuvre van Jane Austen overslaan en vervangen door dat van bijvoorbeeld Philip Roth. Zolang ze maar lezen, zolang ze maar toegeven aan hun nieuwsgierigheid, zolang ze zichzelf maar willen ontwikkelen – net zoals die jongen in Bombay, begin jaren tachtig.

Zakaria’s boek is een relaas met een kritische ondertoon, maar tegelijkertijd inderdaad de in de titel beloofde lofzang. Na een korte geschiedenis van de liberal education, waaruit een duidelijk beeld naar voren komt van de plek die dit onderwijssysteem inneemt in de Amerikaanse traditie, komt hij tot de kern van het boek: een schets van de kwaliteiten van allen die zo’n onderwijsvorming genoten hebben. Hoewel zijn invulling niet bijster origineel is – vrijwel iedere geesteswetenschapper beroept zich in de regel op zijn of haar algemene ontwikkeling, kritisch denkvermogen en schrijfvaardigheden – is zijn argumentatie goed gedocumenteerd, gedetailleerd en, niet in de laatste plaats, verfrissend.

Aan het einde van het tweede hoofdstuk vraagt Zakaria: ‘Wat is het aardse nut van een liberal education?’ Zijn onderhoudende en gedetailleerde argumentatie en lof op alle eigenschappen van een geesteswetenschapper ten spijt, blijft een antwoord op die vraag uit. De ruime blik die iedere student van een liberal education overhoudt is bejubeld, maar door Zakaria niet omgezet in een referentie die kan worden ingezet bij een sollicitatiegesprek. Daarmee trapt hij niet in de val die wordt uitgezet door meritocratische beleidsmakers, maar zijn eigen vraag beantwoordt hij ook niet. Zakaria doet daarmee met dit boek zijn naam eer aan: de heiland van de humaniora is hij misschien niet, een kleine profeet voor de geesteswetenschappen daarentegen wel.