Cultuur

Maurice Blanchot

De stem en het schrift

Arthur Cools (red.)
Klement/Pelckmans, Zoetermeer, 2012
Vertaald door Laurens ten Kate, Annelies Schulte Nordholt en Aukje van Rooden.

Door Jabik Veenbaas, dichter, vertaler, publicist

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

Het lijkt wel of het secularisatieprobleem nooit van de filosofische agenda verdwijnt. Nu eens stuiten we op een denker die nostalgisch terugblikt op de bindende zedelijke vermogens van de godsdienst, dan weer treffen we er een die onomwonden kiest voor de veilige haven van het geloof. Of we horen een andere denker op een net iets te schelle toon verkondigen dat het nu echt afgelopen moet zijn met die gillende waanzin van God en Kerk. Waarom komt die godsdienst toch altijd weer terug? Maurice Blanchot geeft in zijn essay ‘Atheïsme en schriftuur. Humanisme als schreeuw’ een interessante verklaring voor die hardnekkigheid. Je kunt nooit volmondig zeggen ‘ik ben atheïst’, volgens Blanchot, want alleen al in die woorden ‘ik ben’ verwijs je naar het ‘ik ben’ van de joods-christelijke God.

Blanchots essay is opgenomen in De stem en het schrift, een door Arthur Cools geredigeerde bundel die vertalingen bevat van drie kernopstellen uit Blanchots hoofdwerk L’Entretien infini, gepubliceerd in 1969, en dan nog eens een viertal verklarende studies van de vertalers en de redacteur. Het is een gedegen bundel geworden. De vertalingen maken een uitstekende indruk en de analyses zijn vaak zeer verhelderend.

Het essay ‘Atheïsme en schriftuur’ ventileert een krachtig wantrouwen jegens de traditionele manieren om naar de mens te kijken. We verwijzen naar die mens in onze menswetenschappen, in onze geschriften en in onze taal, stelt Blanchot. Maar daarbij draaien we rond in een cirkel. We verhullen het wezen van onze menselijkheid eerder dan dat we dat verklaren, doordat al die zaken functioneren in de context van een ideologie. In bepalende facetten van ons mensbeeld, onze ‘autonomie’, ons ‘humanisme’ en ons ‘atheïsme’, is het eeuwenoude godsdienstige project nog volop aanwezig. De hele manier waarop we de mens als betekenisvolle eenheid aanmerken en op de voorgrond plaatsen, stoelt volgens hem op de theologische voorgeschiedenis. Daarom zoekt hij naar een manier om door die ideologische voorprogrammering heen te breken. En hij vindt die ten slotte in ‘de schreeuw’; ‘de schreeuw zonder woorden, zonder stilte, weerzinwekkende schreeuw, of desnoods geschreven schreeuw – de graffiti op de muren…’

Laurens ten Kate, de vertaler van het stuk, verbindt Blanchots tekst terecht met de deconstructiefilosofie van Jacques Derrida. Blanchot deconstrueert. Hij houdt facetten van onze beschaving onder het vergrootglas om er de ideologische preoccupaties van te ontrafelen.

In ‘De afwezigheid van het boek’, een van de andere essays in de bundel, vertaald door Aukje van Rooden, richt Blanchots deconstruerende impuls zich nog eens specifiek tegen het boek, dus tegen het object dat meer dan wat dan ook onze cultuur draagt en vertegenwoordigt. Vertrekpunt is hier een uitdrukking van Mallarmé: ‘Dit onzinnige spel van het schrijven.’ Blanchot benut de door Mallarmé geschapen ruimte voor twijfel ten volle. Hij gaat naarstig op zoek naar wat aan die vanzelfsprekendheid ontsnapt en benoemt dat met de term ‘afwezigheid’. Het boek, die ordelijke schakel in de grote ketting van onze beschaving, zou heimelijk wel eens kunnen verwijzen naar onze verscheurdheid en sterfelijkheid.

Blanchot experimenteerde in L’Entretien infini met de vorm van het essay, iets wat hij in zijn latere boeken in toenemende mate zou doen. Het essay ‘De afwezigheid van het boek’ is geen essay in de gebruikelijke zin van het woord, geen doorlopend verhaal dat langzaam toewerkt naar een climax en een concluderend slotbetoog. Het is eerder een verzameling opmerkingen, een serie verwante benaderingen van een thema vanuit steeds net weer andere posities. Blanchot heeft uiteraard welbewust voor die fragmentarische werkwijze gekozen. De vorm van de tekst spiegelt hier de inhoud. Hij breekt die vorm open om de lezer de afwezigheid, de verscheurde waanzin ervan als het ware onmiddellijk te laten ervaren in de steeds terugkerende witregels.

Blanchot was niet de eerste die zo’n fragmentarische vorm gebruikte; al in 1947 hadden Horkheimer en Adorno dat gedaan, in het slotdeel van hun werk Dialectiek van de Verlichting. En hij zou ook niet de laatste zijn. Zo koos bijvoorbeeld een denker als Lyotard voor een opbouw in fragmenten in zijn hoofdwerk Le Différend (1983). Vrijwel altijd was zo’n manier van werken te verbinden met het verzet tegen het totalitaire en ontstond het in reactie op de Tweede Wereldoorlog. Ook bij Blanchot is dat het geval. De meest ingrijpende gebeurtenis in zijn leven vond vermoedelijk plaats in juni 1944, toen hij op het nippertje ontsnapte aan executie door de Duitsers in Quain. Het fascisme had hem bijna het leven gekost.

Ik denk dan ook niet dat de teksten uit L’Entretien infini ‘volstrekt oneigentijds’ waren, zoals Ten Kate suggereert in zijn commentaar op ‘Atheïsme en schriftuur’. Dat essay sluit overigens met zoveel woorden aan bij een andere publicatie: Foucaults Les mots et les choses, in 1966 uitgekomen, een boek waarin brutaalweg werd geopperd dat de mens een recente uitvinding was die wellicht op korte termijn al weer zou verdwijnen. Ik geloof eerder dat Aukje van Rooden het bij het rechte eind heeft wanneer ze Blanchots werk afficheert als door de tijdgeest gekleurd. Het openbreken van dwingende structuren was een hoofdthema in de jaren zestig en daarna, en Blanchots werk paste voortreffelijk in die tendens. Ook Derrida, de grote man van de deconstructie, publiceerde eind jaren zestig al zijn eerste spraakmakende stukken.

En wat lopen deze essays ook prettig in de pas met het werk van een modernist als Beckett, die zijn literaire fragmentatiebommen al vanaf het begin van de jaren zestig de wereld in stuurde. In ‘De narratieve stem’, het eerste essay uit de bundel, komt Blanchots affiniteit met het literaire modernisme trouwens nog eens duidelijk voor het voetlicht; Blanchot stelt daarin vast dat de geschiedenis van de narratieve stem in onze cultuur culmineert in het werk van Kafka, die zijn lezers met hun verscheurdheid confronteerde door bewust gebruik te maken van een onpersoonlijke vertelstem.

Betekent dit dat Blanchots teksten gedateerd zijn? Het is goed dat Van Rooden die vraag in haar studie durft te stellen. Ze wijst onder meer op de kritiek die conservatieve denkers als Dalrymple tegenwoordig uiten op de obsessieve ontregelzucht van denkers als Blanchot en Derrida. Heeft onze cultuur juist in deze verwarrende tijd geen bindende elementen nodig om te kunnen voortbestaan?

Maar er is nog een andere kritiek mogelijk, die het probleem uittilt boven de pragmatische urgentie van het tijdsgewricht. Wordt de mens, zoals Blanchot suggereert, in de eerste plaats gedefinieerd door fragmentatie en ruptuur? Of is hij juist ook een zoeker naar ordening en continuïteit, dus een wezen dat niet bij die gebrokenheid stil wil blijven staan? Misschien vinden we onszelf wel net zozeer terug in de ordenende cultuuruiting als in ‘de schreeuw zonder woorden’. De visie op mens en cultuur die aan Blanchots werk ten grondslag ligt, lijkt eenzijdige trekken te vertonen.