Biografie

Max Frisch

Biographie eines Aufstiegs

Julian Schütt
Suhrkamp, Berlijn, 2011

Door Yvonne Delhey, Universitair docent Duitse Taal en Cultuur (RU)

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel
Jubilea zijn dankbare gelegenheden ons aan het werk van een schrijver te herinneren. De persoon staat dan wel meer in de schijnwerpers dan het werk, maar dat hoort er blijkbaar bij. Zo verschijnen er tal van persoonlijke portretten, biografieën, interviews en films waarin bepaalde eigenaardigheden van de persoon in kwestie weer eens, liefst met frisse blik, worden bekeken. In 2011 was de aandacht van het literair geïnteresseerd publiek in de Duitstalige landen vooral gericht op Heinrich von Kleist (1777-1811), de jong en tragisch overleden dichter uit Pruisen in wie een tijdgenoot als Christoph Martin Wieland – een verlichte verschijning aan het hof van Weimar – een talent zag dat zonder meer met Goethe en Schiller kon concurreren. Ter gelegenheid van zijn tweehonderdste sterfjaar verscheen er een stroom boeken, heruitgaven en nieuwe, kloeke beschouwingen, en werden toneelvoorstellingen opgevoerd en films vertoond. Er werden zelfs – een tamelijk riskante onderneming in deze tijden van culturele besnoeiing – exposities georganiseerd, waaronder een dubbele tentoonstelling onder de titel Krise und Experiment van het Kleist-Museum in zijn geboorteplaats Frankfurt en in Berlijn.

Kleist staat bekend om zijn sceptische kijk op de zeggingskracht van taal en zijn twijfel aan zijn persoonlijke lot en dat van de moderne mens in het algemeen. Hij had zijn tijd niet mee, maar hij kon ook maar moeilijk zijn plaats in de samenleving vinden. Daarin heeft hij veel gemeen met een andere schrijver die in 2011 uitgebreid aandacht krijgt: de honderd jaar na Kleists sterfjaar geboren Max Frisch (1911-1991), een van de bekendste Zwitserse schrijvers van de twintigste eeuw. Samen met zijn vriend en collega Friedrich Dürrenmatt bepaalde Frisch gedurende veertig jaar het beeld van de Duitstalige Zwitserse literatuur in het naoorlogs Europa.

Des te opmerkelijker is de recent verschenen biografie over het vroege werk van Max Frisch uit de jaren van het interbellum en de eerste naoorlogse jaren, van de hand van de Zwitserse cultuurjournalist Julian Schütt. Schütt richt zich voornamelijk op de jaren tussen 1932 en 1954 – een opmerkelijke keuze, omdat de meeste lezers hooguit een vaag beeld hebben van het leven en werk van de auteur in deze periode. Zelfs mensen die beroepshalve beter zouden moeten weten, zoals Volker Weidermann, de feuilletonchef van de Frankfurter Sonntagszeitung (FAS), bekennen desgevraagd dat de Max Frisch uit de dertiger jaren hun ‘kolossaal vreemd’ is. Frisch wordt eerder met de geëngageerde literatuur en de nieuwe subjectiviteit vanaf de jaren zestig in verband gebracht.

In Zwitserland zorgde het boek voor het opleven van een controverse tussen de dagbladen Neue Zürcher Zeitung en Tagesanzeiger. In de kern gaat het debat om de vraag hoe Frisch tegen de achtergrond van het nationaalsocialisme gezien moet worden: hoe vallen de extreemrechtse standpunten waarop Frisch in deze tijd te betrappen is, te rijmen met de linkse overtuiging van de sterauteur, die in de zestiger jaren ‘im Minutentakt Reden gegen die Schweiz’ hield – om de minuut tegen Zwitserland tekeer ging (aldus Volker Hage in Der Spiegel)? Schütt weet daar een zeer genuanceerd antwoord op te geven, wat niet verbazend is, aangezien hij eerder op precies deze periode en de Zwitserse Duitstalige letterkunde promoveerde. Frisch was geen antisemiet en hij was al helemaal niet politiek geëngageerd; zijn wortels lagen in het conservatieve Zwitserse Kulturbürgertum. Cultuur versus beschaving: Thomas Mann worstelde ermee, Oswald Spengler probeerde het in een theoretisch model te vatten waar voor politiek weinig ruimte overbleef – het verschil tussen Frisch en de toenmalige Duitse burgerlijke elite lijkt nihil.

Met de nodige distantie beschrijft Julian Schütt de naïviteit waarmee Frisch in 1935 als journalist in opdracht van de NZZ door Duitsland reisde. Frisch had toen al een relatie met Käte Rubensohn, een medestudente van Duits-joodse afkomst, die van Berlijn naar Zürich verhuisde omdat haar als jodin in Duitsland de toegang tot de universiteit was ontzegd. Samen bestudeerden ze de Duitse literatuur. Noch Käte, noch haar ouders vonden het vreemd dat ze daarvoor naar Zürich moest. De laatsten maakten zich meer zorgen over haar onwettige relatie met Frisch. Op het moment dat hij haar ten huwelijk vroeg, aarzelde ze, omdat ze niet om humanitaire reden in de echt verbonden wilde worden. ‘Du bist bereit mich zu heiraten, nur weil ich jüdin bin, nicht aus liebe’ (p. 217), sprak ze in 1939. Deze zin, door Frisch in hoofdletters opgeschreven, bleef tussen hen in staan. Het zijn dergelijke subtiele waarnemingen die de biografie lezenswaardig maken. Schütt gaat zeer minutieus te werk en slaat tal van zijsporen in, die ook het toeval een plek in het levensverhaal geven, zoals in de episode over het lidmaatschap van Frisch van het Freiwillige Militärische Vorunterricht (FMV). Eduard Einstein, de tweede zoon van Albert, deed daar ook aan mee. Meer is er niet over te zeggen, maar Schütt ziet het verband: ‘een vreemd paar binnen dit autoritaire militaire corps van vrijwilligers’ (p. 73).

Hoe komt de periodisering 1932-1954 tot stand? In 1932 overleed Frisch’ vader, architect Franz Bruno Frisch. Zijn dood lijkt de aanleiding te zijn geweest voor de geboorte van schrijver Max: binnen een week ontstaat een van de belangrijkste teksten van de jonge Max Frisch, ‘Was bin ich?’ Met die tekst introduceert hij meteen zijn hoofdthema: het ‘ik’. Maar schrijver is hij daarmee nog niet – hij moet de juiste vorm nog vinden.

Frisch studeert steeds minder en werkt vaker als journalist. Schütt ziet in de meer dan vierhonderd artikelen die Frisch in die tijd voor diverse Zwitserse kranten schreef, de basis voor zijn latere autobiografische werk: onafhankelijk van het onderwerp dat centraal staat, zou Frisch deze recensies en impressies over stad, land en volk gebruiken om op zijn eigen leven te reflecteren. Een van zijn beste vrienden uit deze tijd, Werner Coninx, had twijfels over Frisch als journalist; hij begreep eerder dan Frisch, stelt Schütt, dat karakter, verwachtingen en realiteit niet overeenkwamen. In een brief van 28 augustus 1935 schrijft hij: ‘Du bittest mich ja nicht um Rat, aber ich möchte Dir doch sagen, dass ich bei Dir das Gefühl habe, dass Du durch den gewaltsamen Einsatz von allem auf eine Karte die Grenze von Berufung u. Talent nicht sprengen noch weiten kannst, u. dass für Dich ein echtes Gleichgewicht mit einer andersartigen Tätigkeit als wesentlichere Verdienstquelle viel fruchtbarer sein könnte. […] Du hast ursprünglich z.B. einen nicht geringen Geltungstrieb, auch eine gewisse Lust am Regieren u. einen natürlichen Drang zu greifbarer Wirkung’ (p. 196). Een tweede impuls gaat uit van Käte Rubensohn: ook zij raadt hem een journalistieke carrière af.

In 1936 begint Max Frisch aan een studie architectuur aan de ETH Zürich. Financieel wordt hij gesteund door Coninx, die 16.000 frank voorschiet – een enorm kapitaal voor toenmalige begrippen. De oriëntatie op een burgerlijk beroep en de daaruit voortvloeiende persoonlijke conflicten verwerkt Frisch in zijn in 1937 verschenen roman Antwort aus der Stille: Eine Erzählung aus den Bergen. De protagonist, met de fantastische naam Balz Leuthold, staat op het punt zijn vriendin Barbara te trouwen en een burgerlijk bestaan op te bouwen, maar hij voelt zich niet geroepen tot de grijze middelmaat. Hij breekt uit en zoekt zijn toevlucht in de bergen, waar hij op zijn situatie reflecteert, tot inkeer komt en zich met iedereen verzoent. Frisch blijft publiceren: in 1940 Blätter aus dem Brotsack, over zijn ervaringen in het Zwitserse leger, in 1942 de roman J’adore ce qui me brûle oder die Schwierigen (1944), die inhoudelijk voortbouwt op zijn eerste roman, Jürg Reinhart (1934). Schütt nuanceert: hoewel Frisch besluit een burgerlijk beroep uit te oefenen, niet meer te schrijven en zelfs zijn manuscripten te verbranden, treedt hij wel toe tot de Zwitserse schrijversbond. De schrijver vindt langzaamaan zijn vorm en leert zich te bevrijden van de wereld waarin hij opgroeide – zo formuleert Julian Schütt dit proces.

Het voorlopige eindpunt bereikte Frisch in 1954 met de publicatie van de roman Stiller. De eerste zin van het boek verwijst naar de titel van zijn eerste essay uit 1932, ‘Was bin ich?’ en geeft als antwoord: ‘Ich bin nicht Stiller!’ Wat gebeurt er als je ophoudt over je eigen identiteit na te denken, als je niet meer probeert aan het beeld te beantwoorden dat anderen van je hebben? ‘Stiller ist der Roman eines Un-Ichs, eines unbeschriebenen Blattes namens Mister Whiteʼ (p. 490), aldus Schütt. Frisch’ hoofdpersoon doet enigszins denken aan Daniel Quinn uit het eerste deel van de New York Trilogy van Paul Auster, maar terwijl de lezer daar in een postmodern spel van voorgestelde en fictieve realiteit wordt meegenomen waarbij ook de auteur verstrikt raakt, viert de auteur Max Frisch een kleine dertig jaar eerder zijn bevrijding van de protagonist. Stiller is voor de auteur een zelfoverwinning, want voortaan gaat het niet meer over de vraag ‘Wie ben ik?’, maar over de vraag ‘Wie zou ik kunnen zijn?’

Dit was een mooie slotzin geweest voor deze omvangrijke levensbeschrijving. Maar Schütt laat uiteindelijk zien dat hij eerder een zorgvuldig lezer is dan een professioneel biograaf: ‘Der moderne Mensch muss ohne eigene Identität oder gar Originalität auskommen, sein Ich besteht aus Reproduziertem. Das wirkliche Leben ist unaussprechlich. So wird am Ende jeder Biographie (natürlich auch dieser) der Boden entzogenʼ (p. 495). De biograaf mag dan aan het einde ontnuchtering wachten, maar de lezer mag zich, zo stelt literatuurcritica Beatrice von Matt van de nzz, in Mein Name ist Frisch: Begegnungen mit dem Autor und seinem Werk (2010), overgeven aan de fascinatie voor het werk van Frisch. Pas daar, in de tekst en de volmaakte zin, vindt de wereld haar betekenis. Met deze gedachte verwijst zij direct terug naar Kleist.

De biografie van Julian Schütt is uitgegeven door Suhrkamp, Hausverlag van Frisch. Om zijn erfenis levend te houden, eert de uitgeverij haar auteur met diverse nieuwe publicaties, waarvan ik er nog twee wil vermelden. De eerste is Max Frisch: Sein Leben in Bildern und Texten van Volker Hage. Frisch had een ambivalente houding ten opzichte van foto’s en afbeeldingen in het algemeen. Het gebod ‘Du sollst Dir kein Bildnis machen’ is een leidmotief in het werk van Frisch, ook al wortelt zijn religiositeit eerder in de overtuiging van humaan universalisme. Volker Hage, literatuurcriticus van het weekblad Der Spiegel, heeft er een anti-thema van gemaakt en een beeldbiografie samengesteld, die veel ongepubliceerd beeldmateriaal bevat en gesprekken die Hage met de oude, wat eenzame Frisch voerde, die dankbaar van dit luisterend oor gebruikmaakte. Wie aan de biografie van Julian Schütt niet genoeg heeft en meer beelden wil zien, kan dit boek, dat Andreas Isenschmidt bij de presentatie op de boekenbeurs in Leipzig ‘a real coffee table book’ in de allerbeste betekenis van het woord noemde, ernaast kunnen leggen. Frisch was een visueel mens en zijn relatie met het medium beeld krijgt in dit boek meer aandacht dan bij Schütt.

Uitgeverij Suhrkamp heeft bovendien – de nieuwe trends in het boekenvak volgend – ingezet op luister- en filmmateriaal en een doos met vijf dvd’s uitgebracht. Daarin zit onder andere de prachtige documentaire Max Frisch: Citoyen (2008) van Matthias von Gunten en de Gespräche im Alter (Gesprekken op leeftijd), twee films van Richard Dindo en Philippe Pilliod. Het fascinerende aan al dit materiaal is dat je als lezer en kijker nauwelijks historische distantie voelt – Frisch weet een betrokkenheid te scheppen die onze aandacht steeds weer terugleidt naar de actuele situatie, naar het ik in het hier en nu. Schütt vatte dit in een interview als volgt samen: ‘Politieke onderwerpen komen samen met zeer persoonlijke zorgen – net zoals je nu ziet in Japan of Noord-Afrika. Frisch onderzocht in hoeverre taal bij dergelijke gebeurtenissen faalt, hoe zoiets onder woorden gebracht kan worden.’ Dat is dan de andere, de geëngageerde Frisch, zoals iedereen hem kent. De daarnaartoe afgelegde weg beschrijft Julian Schütt in zijn biografie.

Wie meer over actuele publicaties over de auteur en van zijn werk wil weten, kan terecht op de website van het Max Frisch Archiv aan de eth Zürich: http://www.mfa.ethz.ch