Het nationaalsocialisme als rancuneleer

rancune, populisme en democratie

Bestel deze boeken via ons partnerprogramma met Athenaeum Boekhandel:

Het nationaalsocialisme als rancuneleer – Menno ter Braak
met voorwoord van Bas Heijne
Van Oorschot, 2019

De populistische verleiding – Sybe Schaap
Damon, 2018

De Januskop van de democratie – Sjaak Koenis
Van Gennep, 2016

 

Door Karsten Meijer, staatsrechtsgeleerde

Hoeveel woede kan een democratie verdragen? De vele recente boeken die het einde van de democratie aankondigen suggereren in elk geval dat een kritisch punt is bereikt. De monsterzege van Forum voor Democratie bij de Provinciale Statenverkiezingen dwingt tot beantwoording van deze vraag. Het populisme is in opmars en bedreigt wereldwijd de democratie, haar instituties, en uiteindelijk het leven zelf. Klopt dit beeld? En zo ja, wat te doen?

Onlangs verschenen twee Nederlandse antwoorden, beide nietzscheaans geïnspireerd. Het eerste is het boek De populistische verleiding van Sybe Schaap. Het tweede is een heruitgave van Het nationaalsocialisme als rancuneleer, het pamflet van Menno ter Braak uit 1937, met een voorwoord van Bas Heijne. Hoewel Ter Braak en Schaap beide ressentiment zien als de oorsprong van respectievelijk nationaalsocialisme en populisme, beschrijven zij dat ressentiment net iets anders. Dat heeft gevolgen voor hoe de huidige situatie gezien moet worden.

Ongetwijfeld met zijn eigen ervaringen in het achterhoofd schetst Heijne het leven van Ter Braak als publiek intellectueel in Nederland aan het begin van de twintigste eeuw. Ter Braak was cultuurcriticus, publicist en, uiteindelijk gedwongen door omstandigheden, politiek denker: ‘de politicus zonder partij’. Hij was bovendien de oprichter van het literaire blad Forum en van het Comité van Waakzaamheid. In zijn latere essays voorzag Ter Braak al snel hoe het fascisme de cultuurhistorische omstandigheden van de moderne tijd kon exploiteren. Heijne beschrijft hoe Ter Braaks genadeloze helderheid leidde tot opmerkingen als ‘de nazi’s acht ik tot alles in staat, ook tot uitroking van Europa’ (in 1936!) maar ook tot (intellectuele) eenzaamheid. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog maakte hij een einde aan zijn leven. ‘A speaker of truth has no friends.

 Wie Ter Braak zegt, zegt Nietzsche. De Duitse filosoof geldt als zijn grote inspiratiebron en ook dit antifascistische pamflet is beslist nietzscheaans. Dat is een opvallend gegeven, omdat Nietzsche toch eerder gezien wordt als wegbereider van het nationaalsocialisme dan als beschermer van de democratische waarden. Ter Braak was echter ernstig verontrust door de opkomst van het nationaalsocialisme. In navolging van Nietzsche koos hij niet voor een morele maar voor een psychologische benadering van dit fenomeen. Hij voelde aan dat het volstrekt zinloos zou zijn om te beschrijven welke elementen van deze politiek al dan niet goed of kwaad zouden zijn, of zekere verdiensten zouden hebben. Daarover valt namelijk geen debat of gesprek te voeren met een nationaalsocialist, omdat deze zijn ressentiment tot de maat der dingen heeft bevorderd.

Waar kwam dit om zich heen grijpende ressentiment vandaan? Het ongemakkelijke antwoord van Ter Braak: uit de democratie zelf. De liberale democratie produceert namelijk beloften van gelijkheid (en vrijheid) die niet te realiseren zijn, gegeven de biologische en hardnekkige sociologische verschillen in een samenleving.

Dat ‘streven naar gelijkheid wordt theoretisch rechtvaardig geacht, ook door degenen die er geen ogenblik aan zullen denken praktisch voor de verwezenlijking van een gelijkheid, die in hun nadeel zou zijn, iets te doen!’ De noodzakelijke, bittere teleurstelling die hierop volgt is het ressentiment; de motor waar het nationaalsocialisme op draait. Het stelt daar ‘hogere gelijkheid’ tegenover, ‘waarvan het zich geen andere dan belachelijke voorstellingen kan maken.’

Ter Braak roept op tot verzet. Omdat er voor hem uiteindelijk – in moreel opzicht – slechts een gradueel verschil bestaat tussen de bad guys van het fascisme en de good guys van het socialisme en liberalisme, is zijn appel gebaseerd op een ‘opportunistische trouw’ aan de democratie. Dat graduele onderscheid weerhield hem overigens niet om het nationaalsocialisme eerder, feller en scherper te bekritiseren dan menig tijdgenoot. Toch blijft een bepaald ongemak knagen, want het fundament van deze trouw aan de democratie blijft onbekend.

Iemand die zich eveneens eerder, feller en scherper heeft uitgelaten over het populisme dan menig tijd- en partijgenoot is Sybe Schaap. Tot aan de verkiezingen van 20 maart was Schaap lid van de Eerste Kamer, als een uitzonderlijke VVD-senator. Hij is politiek filosoof, hoogleraar en was daarnaast haast een leven lang waterschapsbestuurder. Als filosoof houdt Schaap zich al sinds de jaren tachtig bezig met het populisme. In die jaren was hij, tegen de stroom in, relatief mild over de Centrumpartij van Hans Janmaat. Op de PVV en later Forum voor Democratie uitte hij, wederom tegen de stroom in, juist eerder kritiek dan zijn tijd- en partijgenoten.

Zijn eerdere boek Het rancuneuze gif  (2012), gepubliceerd toen PVV Rutte I gedoogde, kwam de VVD nogal ongelukkig uit. Vijf jaar later is Schaaps opvatting ook onder partijgenoten gangbaarder. Bij de formatie van zijn derde kabinet liet VVD-leider Rutte per brief weten niet met de PVV te willen regeren, omdat Wilders liberale kernwaarden met voeten treedt (door minderheden te beledigen) en stelselmatig de instituties van de democratische rechtsstaat ondermijnt. Voor Schaap is alleen het uitsluiten van samenwerking met populistische partijen, zoals veel partijen intussen hebben gedaan, onvoldoende om de daarachter sluimerende lokroep te weerstaan. Voor het bieden van weerstand is meer nodig dan afwijzen van samenwerking, namelijk ook de afwijzing van de eigen populistische neigingen. Dat vraagt om kennis van populisme en zelfreflectie van politici.

Schaaps boek geeft een aanzet. Kunnen we eigenlijk wel over ‘het’ populisme spreken? Schaap onderscheidt ideologisch populisme van het hedendaags populisme. Tot de eerste categorie rekent hij het marxisme en nationaalsocialisme. Kortweg, populisme gebaseerd op een inhoudelijk en min of meer coherent gedachtegoed. Bij de hedendaagse variant is dat afwezig. Het hedendaagse populisme baseert zich op allerlei ideeën, maar is gekenmerkt door een sterke afkeer van de pluriforme samenleving. In navolging van Jan-Werner Müller, de populismeprofessor uit Princeton, noemt hij hedendaags populisme ‘inherent antidemocratisch omdat het de pluriforme samenstelling van een bevolking opsplitst in een “eigen” homogeen volksdeel tegenover “wezensvreemde” delen.’ Het wij creëert een zij.

De vraag is of Schaap en Müller zelf genoeg erkenning geven aan diversiteit, maar dan onder de populisten. Zo wordt het populisme in Noordwest-Europa, Zuid-Europa en Oost-Europa dat gericht is tegen de islam en globalisering geregeld onderverdeeld in populisme tegen corruptie en populisme voor het behoud van katholieke waarden. Hieronder vallen zeker antipluralistische, antidemocratische groeperingen, maar die verschillen onderling weldegelijk.

Schaap keurt al deze bewegingen af omdat ze, ondanks hun verschillen, allemaal varen in hetzelfde woelige vaarwater van het ressentiment. Zij creëren een illusie van een identiteit die beschermd moet worden. Zij zullen zelf die heldhaftige taak op zich nemen, omdat zij ‘naar het front geroepen zijn!’ Ook voor Ter Braaks denken zijn deze verschillen tussen populisten niet wezenlijk. Toch keurt hij ressentiment niet categorisch af.

Schaap en Ter Braak delen hun psychologische benadering van politiek. Kern is daarbij dat een falend (democratisch) streven naar gelijkheid leidt tot ressentiment. Voor Schaap is ressentiment een gevaarlijk gevolg van democratie dat vermeden moet worden. Tegelijkertijd lijkt dat onmogelijk. Ter Braak gaat dieper: hij keurt niet al het ressentiment af maar maakt een onderscheid tussen gestileerd ressentiment en zijn geperverteerde vorm, rancune.

Aangezien democratie mede om representatie draait, zijn emoties onontbeerlijk. Maar wat bepaalt het verschil tussen gerechtvaardigde woede en zijn pervertering, tussen gestileerd ressentiment en giftige rancune? Politiek filosoof Sjaak Koenis geeft hierop een antwoord in De Januskop van de democratie (2016). Geïnspireerd door Camus’ rebel, laat Koenis zien dat het antwoord niet in de rede kan liggen. De rebel zegt nee, komt in opstand, komt op voor zijn recht, maar hij begrijpt ook dat hij daarbij niet zomaar een beroep kan doen op de universele geldigheid van zijn (gelijkheids)idealen. Hij accepteert dat zijn blik en positie mede bepaald zijn door zijn belangen. Vanuit die aanvaarding probeert hij een bijdrage te leveren om de reden voor zijn boosheid weg te nemen. Hij probeert een oplossing voor zijn probleem te vinden. De ressentimentspoliticus daarentegen blijft bewegingsloos steken in zijn woede. Hij wil de oorzaak daarvan niet eens meer wegnemen, want dat zou ook zijn bestaansrecht wegnemen; hij leeft voor de rancune om de rancune. Rancune als verslaving.

Ressentiment lijkt onontkoombaar in een democratie, maar hoe te voorkomen dat het omslaat in rancune?  Het uit elkaar houden van ressentiment en rancune is al een uiterst ingewikkelde, want subjectieve, zaak. Het gaat immers vooral om emoties. Dat maakt het lastig om iemand aan te spreken op zijn rancune. Iedere democratie zou dus ook vooral aan zelfreflectie moeten doen. De kracht van Ter Braaks Nationaalsocialisme als rancuneleer is dat het daartoe inspireert. Waarom? Vanwege Ter Braaks stijl, zijn psychologisch inzicht, zijn helderheid gestaafd door een inktzwart verleden.

Een andere vraag is of onze instituties zijn opgewassen tegen het rijzende ressentiment. Valt er iets te verwachten van institutionele hervormingen? De afgelopen verkiezingen hebben in ieder geval weer de waarde van evenredige representatie aangetoond. In vergelijking met bijvoorbeeld Frankrijk of de Verenigde Staten blijkt het moeilijk om vanuit het niets de macht te veroveren. Institutionele aanpassingen zouden vanuit dat uitgangspunt moeten plaatsvinden, en rekenschap geven aan de analyses van Ter Braak en Schaap.

Volgens de laatste is de kern van het antidemocratische populisme de gerichtheid op homogeniteit: antipluralistisch is antidemocratisch. Een institutioneel stelsel zou in elk geval een stevige minderhedenbescherming moeten bieden en tegelijkertijd ruimte aan gestileerd  ressentiment. Concreet kan dat betekenen: het invoeren van constitutionele toetsing en het bindend correctief referendum, zoals de staatscommissie Parlementair Stelsel in december 2018 adviseerde.

Schaap en Ter Braak laten ook de beperkingen zien van welvaartverdelende maatregelen in dit verband. Het ressentiment vindt immers zijn oorsprong in niet-realiseerbare beloftes van gelijkheid. De vele auteurs die een relatie leggen tussen de economische crisis van 2007, en de economische ongelijkheid die daardoor is versterkt, worden uitgedaagd dieper na te denken, want de wortels van het hedendaagse populisme zijn ouder. In Nederland kwam Fortuyn bijvoorbeeld op onder goede economische omstandigheden, waarin Nederland al jaren sociaaleconomisch sterk presteerde. Ook Haider, Chavez en Berlusconi hadden voor hun electorale succes geen economische malaise nodig. De huidige herverdelingsplannen van de klassiek linkse partijen leveren bovendien niet veel zetels op, in welke moderne democratie dan ook.

Fundamenteler is het besef dat de angst voor onzekerheid en teleurstellingen horend bij de moderne tijd, altijd gepaard gaat met charlatans die deze voor hun eigen belang zullen blijven aanjagen. We moeten daar mee leren omgaan. Dat betekent in ieder geval ten eerste erkennen dat de charlatan ook in onszelf huist en ten tweede dat wij als samenleving in relatietherapie moeten.

De therapie heet democratie.