Filosofie

On Bullshit

Harry G. Frankfurt
Princeton University Press, Princeton, 2005

Door Katrien Schaubroeck, Postdoctoraal onderzoeker, Wijsbegeerte, Universiteit Utrecht

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

Op je oude dag nog een brede maatschappelijke bekendheid en erkenning verwerven; het is waar menig academicus op hoopt en wat de filosoof Harry Frankfurt overkwam. Al had niemand, behalve zijn uitgever misschien, dit kunnen vermoeden toen deze laatste besliste om Frankfurts artikel uit 1986 ‘On Bullshit’ negentien jaar later te publiceren in boekvorm. On Bullshit prijkte 27 weken in de bestsellerlijst van The New York Times, er gingen het eerste jaar meer dan 400.000 exemplaren van over de toonbank en het is ondertussen in meer dan 25 talen, waaronder het Nederlands, vertaald. In 2005 was de frustratie bij het Amerikaanse volk over de Irak-oorlog en de manier waarop die was verkocht, hoog. Het succes van On Bullshit bij het brede publiek hangt hier allicht mee samen. Academische filosofen reageerden zoals ze dat plegen te doen: met kritiek. En er valt ook wat aan te merken op On Bullshit, ook al is het prachtig geschreven en in zijn genre – het filosofische essay – ijzersterk.

Wie gebakken lucht verkoopt, wordt door Frankfurt vergeleken met een slordige vakman. Hij besteedt te weinig aandacht aan de kwaliteit van zijn product. De slordigheid waarvan gelul getuigt, laat zich echter niet beschrijven als een gebrek aan aandacht voor detail. In de twee voornaamste broeihaarden van bullshit die Frankfurt aanduidt – de reclamewereld en het politieke discours – ontbreekt het immers niet aan finesse: veel reclamemakers en spindoctors vertonen een onvermoeibare toewijding wat betreft het secuur controleren van elk miniem detail. Waarin zij en de andere verspreiders van lulkoek wel tekortschieten, is aandacht voor de waarheid. Het is volgens Frankfurt natuurlijk niet uitgesloten dat reclamespots of politieke toespraken ware beweringen bevatten. Wat telt, is dat de lullende reclamemaker of politieke redenaar niet in het minst bezorgd is om de waarheid. Hij doet alsof hij waarheid verkondigt, terwijl hij eigenlijk uit is op het ronselen van stemmen of het slijten van koopwaar. Wezenlijk voor de bepaling van een uitspraak als gelul is dus de intentie van de spreker. Wanneer die maar wat rondbazuint zonder zich in enige mate te bekommeren om het waarheidsgehalte van zijn uitspraken, en bovendien die onverschilligheid verbergt, verkoopt hij bullshit.

Frankfurts analyse situeert het wezenskenmerk van bullshit in de intentie van de spreker. Vergeet Frankfurt daarmee echter niet een aantal onvervalste voorbeelden van gelul, die de benaming verdienen onafhankelijk van de intentie van de spreker? Zo noemt de filosoof G.A. Cohen als voorbeeld van pure bullshit het obscurantisme van sommige continentale filosofen. Hij twijfelt echter niet aan de goede intenties van deze filosofen.[i] Een ander domein waar bullshit welig tiert, is dat van de pseudowetenschappen.[ii] Enkele charlatans buiten beschouwing gelaten, zijn de meeste astrologen, esoteristen en paranormaal begaafden oprecht. Ze hebben de intentie om waarheid te achterhalen, maar toch slaat wat ze zeggen nergens op. Deze voorbeelden vragen om een analyse van bullshit die, anders dan die van Frankfurt, de essentie zoekt in eigenschappen van de uitspraak, niet van de spreker.

Frankfurts studie van bullshit bevat naast een interessante, zij het beperkte analyse ook een opvallende evaluatie. Frankfurt verbaast zich over het feit dat we zo verdraagzaam zijn voor de bullshit die we in grote hoeveelheden dagelijks te horen krijgen. We winden ons erg op over leugens, maar bullshit wordt schouderophalend getolereerd. Nochtans, merkt Frankfurt scherp op, vormt bullshit een grotere bedreiging voor waarheidszin en voor de sociale structuren die daarop gebaseerd zijn dan de leugen. Leugenaars geven tenminste nog om de ware toedracht, al was het maar om die te kunnen verbergen. Te veel blootstelling aan lulkoek zou ertoe kunnen leiden dat we rampzalig vervreemd raken van de bekommernis om wat waar en onwaar is. Waarom ons zo veel gelegen is aan de waarheid, werkt Frankfurt niet uit in On Bullshit maar in het vervolgboekje On Truth, dat overigens minder sprankelend en oppervlakkiger is dan zijn voorganger.[iii]

Frankfurt denkt dat bullshit schadelijk is omdat mensen niet anders kunnen dan om waarheid geven en omdat dit een fundament van de samenleving is. Maar deze twee beweringen vergen argumentatie en nuancering, die Frankfurt niet biedt. Sociale cohesie lijkt immers soms ook gebaat bij een leugentje om bestwil of een praatje voor de vaak. Beleefdheidsformules (‘Hoe gaat het met u?’) en loos gebabbel bij de bakker (‘Mooi weertje vandaag, hè?’) impliceren een geveinsde interesse voor de ware stand van zaken. We tolereren dit niet alleen, we appreciëren het ook: als een sociaal geïntegreerde manier om contact te leggen met anderen, is gelul niet zelden bron van intimiteit en warmte tussen mensen. We geven met andere woorden ook nog om andere dingen dan waarheid, en streven daarom niet altijd nauwgezet waarheid na.

Zowel op Frankfurts analyse als op zijn evaluatie van bullshit valt iets af te dingen. Toch is On Bullshit een pareltje. In de traditie van de cartesiaanse meditatie schept Frankfurt bedachtzaam orde in zijn gedachten, vertrouwend op de kracht van zijn eigen denkvermogen. Dat Frankfurt een klassieke filosofische methode toepast op een niet klassiek-filosofisch onderwerp maakt de reflectie grappig en intrigerend, maar daarom niet minder belangrijk en indrukwekkend.

[i] Zie G. A. Cohen, ‘Deeper into Bullshit’ in S. Buss & L. Overton (eds.), Contours of Agency: Themes from the Philosophy of Harry Frankfurt, Cambridge MA, MIT Press, 2002.

[ii] Zie H. Maes & K. Schaubroeck, ‘Different Kinds of Bullshit’ in G. Hardcastle & G. Reich (eds.), Bullshit and Philosophy, Chicago, Open Court, 2006.

[iii] Volgens Jan Bransen negeert Frankfurt in On Truth (en in mindere mate in On Bullshit) de public relations van de filosofie: hij doet alsof het geen verschil maakt of hij voor academici of voor een breed publiek schrijft. Zie J. Bransen, ‘We zeggen maar wat! Frankfurt, filosofie en gelul’ in K. Schaubroeck & T. Nys (red.), Vrijheid, noodzaak en liefde. Een kritische inleiding tot de filosofie van Harry Frankfurt, Kapellen, Pelckmans-Klement, 2011.