Politiek

Politica

Aristoteles
Historische Uitgeverij, Groningen, 2012

Door Maarten van Houte, Departement Wijsbegeerte (UU)

Meer over politiek bij Nexus

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

Dit fraaie boek biedt de eerste integrale Nederlandse vertaling van de Politica, Aristoteles’ filosofische beschouwingen over staatkunde, staatsinrichting en de mens als sociaal wezen. Het is het vijfde deel in de serie Aristoteles in Nederlandse vertaling, die sinds 1999 bij de Historische Uitgeverij verschijnt, en voldoet alleszins aan de hoge standaarden die men van deze serie is gaan verwachten.[1]

In zijn Ethica Nicomachea (EN) stelt Aristoteles dat het goede, geslaagde en daarom gelukkige leven voor de mens ligt in het in de praktijk brengen van de menselijke voortreffelijkheden of deugden. Concreet betekent dit dat een gelukkig mens zich enerzijds zal wijden aan intellectuele activiteiten (filosofie en wetenschap) en anderzijds traditionele deugden als moed, vrijgevigheid, rechtvaardigheid en oprechtheid in het handelen tentoon zal spreiden. Het goede leven voor de mens kan dan ook alleen in een sociaal-politieke context gerealiseerd worden, waaronder Aristoteles de stadstaat (polis) verstaat – het is om die reden dat Aristoteles de mens een ‘sociaal dier’ (zôon politikon) noemt. Het hoofddoel van de Politica (reeds aangekondigd in het laatste hoofdstuk van de EN) is dan ook te bepalen welke staatsvorm en staatsinrichting de mens het best in staat stelt dit goede leven te leiden.

Aristoteles komt hieraan toe in de laatste twee boeken (VII en VIII) van de Politica, maar de weg erheen is niet altijd gemakkelijk te volgen. Zoals alle ons overgeleverde werken van Aristoteles is ook de Politica een werk dat in zijn huidige vorm niet voor publicatie bestemd was, maar waarschijnlijk diende als les- en studiemateriaal binnen de school van Aristoteles; de Politica moet dan ook gelezen worden als een bundeling van verschillende onderzoeken op sociaal-politiek en staatkundig gebied, waarbij bijvoorbeeld niet eens duidelijk is of de volgorde van boeken zoals overgeleverd de juiste is. Het is dan ook zeer te prijzen dat er in deze vertaling veel vooruit- en teruggewezen wordt om de onderlinge samenhang tussen en binnen de boeken, voor zover die er is, te verduidelijken.

Naast het feit dat de Politica dus geen eenvoudig werk is, zijn ook de opvattingen en argumenten die Aristoteles erin naar voren brengt lang niet altijd overtuigend – en voor moderne lezers soms zelfs onsympathiek. In het eerste boek van de Politica bijvoorbeeld, claimt hij dat alle niet-Grieken ‘natuurlijke slaven’ zijn, die baat hebben bij hun onderwerping aan Griekse meesters, omdat zij niet voor zichzelf kunnen zorgen en zonder de leiding van hun meesters slechter af zouden zijn of zelfs niet zouden kunnen overleven. Het is echter moeilijk voorstelbaar dat het Aristoteles ontgaan zou zijn dat de meeste niet-Grieken prima konden overleven en functioneren zonder slaaf te zijn van een Griek. Of het mogelijk is antieke normen en waarden vanuit ons moderne perspectief te bekritiseren zonder in anachronismen en cultuurabsolutisme te vervallen, is hier dus niet aan de orde: het punt is dat Aristoteles’ verdediging van slavernij een filosofisch slecht onderbouwde poging is om een heersende praktijk te rechtvaardigen. Ook de door hem in de boeken VII en VIII ontworpen ideale samenleving is niet onproblematisch: als criterium voor burgerschap van deze aristocratische samenleving noemt Aristoteles deugdzaamheid en hij beperkt dit burgerschap tot de happy few die geld en daardoor tijd beschikbaar heeft voor de volledige ontwikkeling van de deugden, een ontwikkeling die door de staat verzorgd wordt (en die met name in boek VIII wordt beschreven). Als het criterium voor burgerschap echter deugd is (en niet bijvoorbeeld bezit), lijkt het onredelijk, ook binnen Aristoteles’ eigen theorie, de mogelijkheid tot ontwikkeling van die deugd te ontzeggen aan de kinderen van hen die geen burgers zijn van zijn ideale staat; en toch doet Aristoteles precies dat.

Gelukkig biedt de Politica ook veel inzichten en ideeën die zeer de moeite waard zijn. Aristoteles is zich er bijvoorbeeld terdege van bewust dat zijn ideaal van een volledig op deugd gegrondveste en gerichte samenleving in de praktijk onhaalbaar is. In boek IV bespreekt hij de beste staatsvorm ‘niet te oordelen naar een voortreffelijkheid die voor gewone mensen onbereikbaar is, een opvoeding die bijzondere aanleg en een voorspoedige regie vereist, of een staatsinrichting die in alles is zoals men zich maar wensen zou – nee, een […] staatsinrichting waaraan de meeste samenlevingen deel kunnen hebben.’ Vermoedelijk op basis van zijn ruime kennis van de Griekse politieke geschiedenis (hij heeft met zijn medewerkers uitvoerig onderzoek gedaan naar de staatsinrichtingen van ruim 150 Griekse stadstaten, waarvan alleen De staatsinrichting van Athene nog over is), benadrukt Aristoteles herhaaldelijk het gevaar van destabilisatie en burgertwist (stasis) in een stadstaat door de onderlinge onverdraagzaamheid van oligarchisch gezinde rijken en democratisch gezinde armen. De meeste stadstaten zouden er dan ook goed aan doen te streven naar een grote middenklasse – een groep burgers die niet arm is, maar ook niet heel rijk – en bij die groep de politieke macht neer te leggen. Bij een dergelijke staatsvorm (de technische term is politeia, dat wil zeggen een gematigde vorm van democratie) is er de meeste kans op een stabiele samenleving die haar burgers in staat stelt, voor zover ze dat kunnen, het goede leven te leiden. In zulke beschouwingen, maar ook in vele andere, die hier onvermeld moeten blijven, vinden we nog altijd herkenbare, accurate observaties van menselijk gedrag en menselijke zwaktes. Treffend is Aristoteles’ opmerking (boek III, hoofdstuk 9) dat mensen wat politieke zaken betreft meestal de plank misslaan, omdat ‘ze over zichzelf oordelen, en zonder twijfel zijn de meeste mensen slecht in staat te beoordelen wat hun zelf aangaat’.

De vertalers en redacteuren hebben een zeer goed leesbare en (voor zover nagegaan) nauwkeurige vertaling afgeleverd. Dit maakt het boek niet alleen prettig om te lezen, maar ook bruikbaar voor studenten en academici die zich bezighouden met Aristoteles’ politieke ideeën. Deze bruikbaarheid wordt nog vergroot door een korte samenvatting voorafgaand aan ieder hoofdstuk, de vermelding van de Bekker-nummering (de standaard voor verwijzingen naar het corpus aristotelicum) in de marge en een uitgebreid notenapparaat met onder meer verwijzingen naar relevante passages elders in de Politica en in het oeuvre van Aristoteles; tevens wordt aangegeven welke passages Aristoteles (vermoedelijk) op het oog heeft bij de bespreking van andermans (meestal Plato’s) ideeën. Een klein punt van kritiek: niet iedere voetnoot staat op dezelfde pagina als het bijbehorende verwijzingsnummer (sommige staan zelfs 3 pagina’s verder), wat enig geblader onvermijdelijk maakt.

Het nawerk is erg nuttig: een glossarium van getranslitereerde Griekse termen (die ter verduidelijking ook regelmatig in de marge van de hoofdtekst worden afgedrukt), registers van begrippen en namen, een bibliografie met primaire en secundaire literatuur en een verantwoording van waar de vertalers afwijken van de door hen gebruikte editie van Dreizehnter. In de inleiding wordt kort en helder ingegaan op de plaats van de Politica in het denken van Aristoteles, eerdere staatkundige opvattingen (van zowel filosofen als niet-filosofen) en het Nachleben van Aristoteles’ politieke gedachtegoed in met name de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd. Tezamen met de samenvattingen van ieder hoofdstuk en de uitleg van lastige passages in de voetnoten wordt de lezer dus ruimschoots voorzien van hulpmiddelen voor een beter begrip van Aristoteles’ ideeën. Een punt dat niet als kritiek beschouwd moet worden, maar als verduidelijking: anders dan bij sommige andere moderne vertalingen van de Politica[2] wordt er geen inhoudelijk filosofisch commentaar gegeven op deze ideeën; zoals hierboven opgemerkt is, zijn veel van Aristoteles’ opvattingen lang niet altijd overtuigend of zelfs aannemelijk. Deze vertaling gaat dus zelf niet in op de houdbaarheid van Aristoteles’ positie en de kracht van zijn argumenten, maar biedt wel een uitstekende basis voor wie zich hierin verder wil verdiepen.

[1] De eerste vier delen bestaan uit Ethica, Over dieren, Retorica en Over voortplanting. Daarnaast zijn ook enkele vertalingen van kleinere werken van Aristoteles in de serie opgenomen.

[2] Zie bijvoorbeeld Aristotle: Politics, transl., with introd. and notes by C.D.C. Reeve, Indianapolis, Hackett, 1998 en Aristoteles: Politik, eingeleitet, übersetzt und kommentiert von Olof Gigon, Zürich/Stuttgart, Artemis Verlag, 1955/1971.