Religie

Religie voor atheïsten

Een heidense gebruikersgids

Alain de Botton
Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2011

Door Paul van Tongeren, Hoogleraar Wijsgerige Ethiek (RU)

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

Eén enkel idee, uitgewerkt onder negen aspecten, gestoffeerd met behulp van een grote eruditie, gedrukt op pagina’s die door de grote letter en de vele illustraties snel omgeslagen kunnen worden – ziedaar het klaarblijkelijke recept voor een bestseller; want ook dit boek van succesauteur Alain de Botton zal wel weer, net als zijn tien vorige, in grote oplages gedrukt en verkocht zijn. Het feit dat de Nederlandse vertaling van zijn meest recente boek nog voor het Engelse origineel verscheen, doet vermoeden dat zijn werk in ons land een bijzondere belangstelling geniet, net als andere levenskunstliteratuur. Misschien heeft het succes van die literatuur te maken met de thematiek van dit boek van De Botton: na het verdwijnen van religie hebben we nog steeds behoefte aan zorg voor onze ziel. Bovendien – en dit optimisme behoort ongetwijfeld ook tot de succesreceptuur – kunnen we zelf voorzien in die behoefte. In dit boek pleit de auteur ervoor om van de religieuze tradities te leren hoe we dat moeten doen.

De centrale these (het ene idee) van het boek is dat we weliswaar terecht de religie met al haar dwaasheden achter ons gelaten hebben, maar dat we moeten voorkomen dat we met dat badwater ook het kind weggooien. Dat ‘kind’ bestaat uit allerlei waarden, praktijken, instituties en tradities die we nodig hebben om een goed, zinvol en gelukkig leven te leiden. De auteur – overtuigd atheïst en zoon van ongelovige joden – werkt negen min of meer van elkaar gescheiden aspecten uit van de manier waarop religies in staat waren de condities voor zo’n geslaagd leven vorm te geven. Ook doet hij suggesties voor de manieren waarop we daar seculiere versies van zouden kunnen maken. Religies wisten mensen tot een gemeenschap te vormen en hun asocialiteit te kanaliseren; ze zorgden voor de inprenting van morele regels, stonden aan de basis van echt onderwijs, zorgden voor zorg, gaven betekenis aan onze onvolmaaktheid, boden perspectief te midden van rampspoed en produceerden schoonheid in kunst en architectuur, en duurzaamheid door instituties. Volgens De Botton moeten en kunnen we ter vervanging van al die religieuze verdiensten, seculiere varianten ontwerpen: geritualiseerde maaltijden kunnen de plaats innemen van de eucharistie, seculiere rolmodellen moeten de heiligen vervangen, het onderwijs moet niet slechts academische doelen nastreven, maar primair gericht zijn op levenswijsheid, de musea moeten minder op kennis en meer op zingeving worden ingericht, in architectuur en ruimtelijke ordening moeten we aandacht geven aan onze spirituele behoeften. Zoals ook Comte al voorstelde, hebben we hiervoor quasireligieuze instituties nodig; we moeten die volgens De Botton alleen geen ‘religie’ noemen.

Er zijn minstens twee redenen waarom dit boek niet als filosofie kan worden aangemerkt. Ten eerste ontbreekt het de auteur aan elke zelfkritiek en doet hij niet aan kritische toetsing van de eigen (hypo)these. Hij merkt bijvoorbeeld wel op dat veel religieuze tradities zelf weer teruggaan op Griekse (heidense) praktijken en meent zelfs te weten dat religieuze normen ontstaan zijn uit gewone ‘vermaningen’ die alleen maar achteraf ‘op de hemel geprojecteerd’ zijn, maar vraagt zich niet af wat dat betekent voor zijn these dat we juist de ervaring van de religie nodig zouden hebben voor een adequate zorg voor de ziel. Wat wil de auteur eigenlijk beweren: dat de religie een zorg voor de ziel tot stand gebracht heeft, of dat ze een reeds bestaande zorg in bezit genomen heeft? Moeten we iets van de religie leren, of moeten we iets op haar terugveroveren? Maar, en dat is de tweede reden en vanuit filosofisch perspectief de meest kwalijke, de auteur stelt geen vragen. Hij zoekt niet; hij beweert. Nooit komt de vraag bij hem op of het wel mogelijk is alleen de religieuze vormen over te nemen, zonder de inhouden die daarin werden vormgegeven, of wat eigenlijk de relatie is tussen de praktijken en de religieuze zin waaruit ze voortkwamen. Hoe kunnen mensen leren knielen als er geen heiligheid is die zich opdringt? Hoe kunnen ze hun leven inrichten volgens het schema van de getijden en bijbehorende gebeden, als dat leven niet geleid wordt ad maiorem Dei gloriam?

Maar dat dit geen filosofisch boek is, neemt niet weg dat er veel behartigenswaardigs in staat. Het lijkt een voorbeeld van zijn eigen these: het is een seculiere preek voor atheïsten, even weinig filosofisch, maar even moralistisch als veel religieuze preken vroeger waren. Waar die preken effectief waren doordat ze deel uitmaakten van een institutie die heerste met kracht van vanzelfsprekendheid, zal deze preek succes hebben door de modieuze vanzelfsprekendheden van vandaag.