Biografie

Rosenfeld’s Lives

Fame, Oblivion, and the Furies of Writing

Steven J. Zipperstein
Yale University Press, New Haven & London, 2009
Door Arvi Sepp, Docent-onderzoeker Duitse literatuur, Universiteit Antwerpen/Erasmushogeschool Brussel

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

Na het winnen van de Nobelprijs voor de Literatuur in 1976 zou Saul Bellow tegen een vriend hebben gezegd: ‘It should have been Isaac’. (p. 2) Bellow bedoelde Isaac Rosenfeld (1918-1956), de beloftevolle schrijver die vroegtijdig aan een hartaanval stierf. Nu pas, meer dan vijftig jaar na zijn dood, verschijnt de eerste biografie over dit geniale enfant terrible van de joods-Amerikaanse literatuur en literatuurkritiek in de naoorlogse jaren. Alweer meer dan twintig jaar geleden, in 1988, verscheen de laatste noemenswaardige publicatie over Rosenfeld: Mark Schechners anthologie Preserving the Hunger. Steven J. Zipperstein brengt nu met Rosenfeld’s Lives. Fame, Oblivion, and the Furies of Writing een bijzonder informatief werk uit over leven en werk van deze veelzijdige en erudiete auteur, die ten onrechte in vergetelheid was geraakt.

Steven J. Zipperstein is hoogleraar Joodse Cultuur en Geschiedenis aan de Amerikaanse Stanford University. Als specialist in de geschiedenis van het Russische en Oost-Europese jodendom in de negentiende eeuw wijdt hij zich in zijn meeste recente boek voor de eerste keer aan naoorlogse joods-Amerikaanse literatuur en intellectuele geschiedenis. Dat doet hij met succes. De journalistieke stijl en de inzichtelijke, doelgerichte opbouw van Zippersteins boek zorgen voor een toegankelijke lectuur, die doet vergeten dat het boek eigenlijk een wetenschappelijke publicatie is.

Isaac Rosenfeld behoorde tot de groep van beloftevolle jonge joodse schrijvers waartoe in de jaren vijftig ook Saul Bellow, Irving Howe en Alfred Kazin behoorden. Hij werd in 1918 in Chicago geboren en toonde al vroeg veel interesse voor de literatuur: op veertienjarige leeftijd schreef hij zijn eerste korte verhaal in het Jiddisch, en hij was nog geen twintig toen hij met Saul Bellow de briljante Jiddische parodie op T.S. Eliots The Waste Land voltooide: Der shir hashirm fun Mendl Pumshtok (Het lied der liederen van Mendl Pumshtok). Rosenfeld genoot destijds een cultstatus onder de New Yorkse intellectuelen van Greenwich Village. In deze alternatieve kringen werden hij en Bellow de Chicago Dostoevskians genoemd.

De bohemien Rosenfeld stond bekend als prominent en spraakmakend literair criticus voor gezaghebbende tijdschriften als Partisan Review, Commentary, New Republic, Kenyon Review en Nation. In deze tijdschriften schreef hij een groot aantal essays in briljant proza over klassieke schrijvers als Faulkner, Kafka, Orwell, Hemingway, maar ook over vandaag de dag minder bekende auteurs, zoals Kenneth Patchen, Jerre Mangione, Nancy Hale en Jo Sinclair. Naast de literaire kritiek wijdde Rosenfeld zich ook aan het schrijven van literatuur. Zijn beroemdste roman Passage from Home (1946) is een semi-autobiografisch psychogram van de joodse intellectueel, dat op geniale wijze de generationele spanningen tussen vaders en zonen beschrijft. Van Rosenfeld zijn postuum alleen de essaybundel An Age of Enormity (1962) en de verzameling korte verhalen Alpha and Omega (1966) bewaard gebleven.

Zipperstein baseert zich voor zijn biografie op de romans, de essays en op tot nog toe ongepubliceerd materiaal van Rosenfeld, waaronder diens brieven, dagboeknotities en kladversies van romans. Ook voerde de biograaf uitvoerige gesprekken met mensen die Rosenfeld van dichtbij kenden en las hij grondig de memoires van bevriende New Yorkse intellectuelen van zijn tijd, zoals Alfred Kazin, Irving Howe, Norman Podhoretz en natuurlijk ook Saul Bellow. Kazin vereeuwigde Rosenfeld in New York Jew (1978), Howe in zijn autobiografie A Margin of Hope (1982) en Bellow in Seize the Day (1956) en zijn korte verhaal Zetland: By a Character Witness (1974).

De biograaf is bijzonder gevoelig voor de invloed van de joodse cultuur, geschiedenis en identiteit op Rosenfelds denken en schrijven. Het is de ervaring van Heimatlosigkeit, rusteloosheid en vervreemding, die het levensgevoel het historisch bewustzijn van de moderne mens kenmerkt en ook, a fortiori, dat van joodse schrijvers als Rosenfeld. Hij was zich er na de Holocaust als zoon van geïmmigreerde, traditioneel joodse ouders maar al te zeer van bewust dat een thuisgevoel zeer vergankelijk en breekbaar kan zijn. Precies dit bewustzijn maakt dat joodse schrijvers volgens hem meer dan andere de Zeitgeist van de moderniteit een bijzondere stem kunnen geven:

From his earliest days as a writer, Rosenfeld insisted that Jewish influences did not cut him off from a larger, more commodious world but rather linked him all the more to it. Growing up Jewish meant that one understood, earlier and more fully, what it meant to live in a permanent state of alienation which was, for Rosenfeld, the condition in which any thoughtful person now experienced contemporary life. (p. 156)

De zelfbewuste manier waarop de essayist zich tot de joodse cultuur verhoudt, betekent in geen geval dat hij onkritisch tegenover haar zou staan, integendeel. Rosenfeld, zelf opgegroeid in de Jiddische cultuur, schrijft immers over de joods-Amerikaanse samenleving met een ongezouten mening en een kritische eerlijkheid, die zijn radicale scepsis over religieuze tradities en vastgeroeste normen tot uiting brengen. In zijn provocatieve stuk Adam and Eve on Delaney Street (1949) brengt hij bijvoorbeeld op controversiële wijze de restrictieve joodse eetregels in verband met de neurotische onderdrukking van seksualiteit.

De jonge Rosenfeld was niet enkel onbuigzaam en tegendraads in zijn houding tegenover joodse gebruiken, maar ook tegenover de gevestigde macht in het algemeen en zelfs tegenover zijn eigen peergroup van jonge alternatieve kunstenaars en intellectuelen: ‘Rosenfeld found virtually every institution he encountered constricting, hypocritical, silly, or worse, and bohemia was not spared.’ De eigengereide visies van Rosenfeld maakten hem tot een figuur die men moeilijk kon plaatsen in het literaire milieu van New York. Zo maakte hij in zijn essay The Sensibility of Henry Green (1950) in The Kenyon Review brandhout van voornoemd toenmalig literair icoon. De rebelse en provocerende stijl van Rosenfeld verbergt echter ook een diepe onzekerheid over het eigen kunnen en angst voor mislukking en afkeuring.

Een steeds terugkerend thema in Zippersteins werk is dan ook het falen als obsessie van Rosenfeld, dat in scherp contrast staat met het ethos van de Amerikaanse droom dat slechts winnaars honoreert. F. Scott Fitzgeralds The Great Gatsby (1925) en William Faulkners Absalom, Absalom! (1936) vertelden al eerder het verhaal van mislukkingen in de Amerikaanse maatschappij, die deze vaak als een teken van persoonlijke karakterzwakte ziet. Voor schrijvers is het bovendien extra moeilijk naam te maken in een beroep waarin zo veel concurrentie bestaat en in een wereld waarin kunst en cultuur nauwelijks financiële steun krijgen. Zipperstein is zich constant bewust van de moeilijkheden van schrijvers eenvoudigweg van hun literaire werk te leven en zelfs wanneer ze succesvol zijn zich staande te houden op de literaire markt: ‘Literary biography is replete with tales of bleak, relentless struggle, reputations made and unmade and, sometimes, remade.’ (p. 5) Deze literaire biografie schildert beeldend het tragisch parcours van een literair genie dat zijn grote talent nooit ten volle heeft kunnen benutten door een vroege dood, ontbrekende zelfdiscipline en zijn onorthodoxe levensstijl in New Yorkse bohèmekringen, met ontelbare seksuele escapades en hedonistische uitspattingen. De belofte bleef onvervuld.

Ernest Hemingway was ooit van mening dat er meer schrijvers zijn die mislukken door een gebrek aan karakter, dan door een gebrek aan talent. Dit geldt in bijzondere mate voor Isaac Rosenfeld. Hij werd vaak geplaagd door een writer’’s block en was door zijn onrustige natuur dikwijls niet in staat op regelmatige basis verder te werken aan zijn literair oeuvre. Hij was met een Jiddische uitdrukking een typisch Luftmensch, dat als hoogst emotionele, onpraktische en onpragmatische intellectueel met zijn hoofd in de wolken door het leven liep. De spanning tussen de intellectuele energie van een groot literair talent, dat grootse dingen voor de schrijver in petto leek te hebben, en de vitalistische energie van een ongeremde levenslust, die hem vroegtijdig deed opbranden, is de rode draad van Rosenfeld’s Lives loopt. Allerhande spanningen domineerden overigens Rosenfelds leven en zorgden voor een complexiteit die tegelijkertijd inspirerend en vernietigend kon werken.

De gapende afstand tussen lichaam en geest die Rosenfeld bijvoorbeeld ondervond, probeerde hij te overbruggen door zich over te geven aan de etherische psychoanalytische theorieën van Wilhelm Reich. Zipperstein doet in het deel over Rosenfelds obsessie met Reich en diens bizarre orgone box een soort kartonnen doos geïsoleerd met staalwol en stenen om zich, volgens de theorie, te revitaliseren en ongestoord te mediteren echter geen recht aan de oprechte, maar hobbelige zoektocht naar zingeving in een gebroken wereld vol vervreemding. Deze gebrokenheid en vervreemding in Rosenfelds leven blijken eveneens uit de continue spanning tussen politiek en esthetiek, seksualiteit en liefde, kunst en leven, religie en filosofie. Het verlangen deze dichotomieën op te heffen blijkt uit zijn enthousiaste inzet voor het trotskisme (p. 34-39) en zijn begeestering voor Gandhi (p. 147-152). Het is de eenzame kloof die gaapt tussen droom en daad die Zipperstein meestal op magistrale wijze weet weer te geven.

De continue worsteling met zijn onzekerheid en psychologische instabiliteit wierp, naarmate hij ouder werd, haar schaduw op Rosenfelds literair werk. Zipperstein wijdt veel aandacht aan deze onophoudelijke strijd van de schrijver tegen zijn innerlijke demonen, zoals hij al aan het begin van de biografie beklemtoont: ‘This struggle of his, at the core of his life as a writer, is at the center of this book.’ (p. 6) Rosenfeld voerde deze strijd op het scherp van de snede, omdat hij niet wilde onderdoen voor zijn succesvolle en wereldberoemde vriend, maar aartsrivaal, Saul Bellow. Rosenfeld kon slechts dromen van diens publiekserkenning en stond tot zijn grote frustratie zijn hele leven in Bellows schaduw. Zipperstein wil Rosenfeld en zijn waardevolle oeuvre terecht uit die schaduw halen en onderzoeken als zelfstandig oeuvre met een eigen waarde. Dit lukt echter maar in beperkte mate, want steeds weer duikt Bellow op als tertium comparationis. De biograaf slaagt er bijgevolg niet in het blijvende belang en de vaste waarde van Rosenfelds fictie te bepleiten.

De persoonlijke informatie die de biograaf geeft over zijn gevoelens, gedachten en drijfveren bij het schrijven van het boek, maakt duidelijk dat een biografie toch vooral het hoogst subjectieve en deels ook fictieve navertellen van andermans leven is. De onvermijdelijke gaten in het relaas moeten opgevuld worden om een coherent en logisch verhaal te creëren. Dit terwijl het leven niet altijd en al helemaal niet bij Isaac Rosenfeld een coherent narratief en een logische ontwikkeling heeft. De zelfreflexiviteit van het boek heeft tot gevolg dat Zipperstein impliceert dat biografisch schrijven steeds een constructie is en dat objectiviteit hierbij een illusie is. Het genre wordt op die manier geproblematiseerd, waardoor de lezer zich bewust wordt van de contingentie van dit soort schrijven.

Zipperstein voelt zich persoonlijk verbonden met Isaac Rosenfeld en dat steekt hij niet onder stoelen of banken. Hij zegt zijn zoektocht naar levenszin en liefde in een complexe wereld te begrijpen: ‘I wrote and rewrote this book against the background of the end of my own marriage, as I remet and fell deeply in love with the woman who is now my wife.’ (p. 11) Hij voelt zich ook in familiaal opzicht met Rosenfeld verwant, want die was in zijn recente assimilatie opgegroeid in een traditioneel joods immigrantengezin ‘like my own West Side Chicago parents’. (p. 15) Hoe persoonlijk zulke autobiografische informatie ook mag klinken (en hoe storend en irrelevant ze op bepaalde ogenblikken ook wordt), het toont Zippersteins emotioneel en intellectueel engagement. Zijn boek is inderdaad een geëngageerd werk over liefde, vriendschap, carrière en culturele identiteit en vooral over de problemen die daarmee gepaard gaan. De zorgen en passies die de weerbarstige schrijver kende, zijn van algemeen-menselijke aard en daardoor overstijgt het boek in strikte zin de specifieke casus van Isaac Rosenfeld.

De grote verdienste van Zipperstein bestaat erin dat hij het netwerk van schrijvers en kunstenaars uit Rosenfelds entourage blootlegt en in kaart brengt. De biograaf beschrijft in detail de spanningen, maar ook de vriendschappen tussen hem en andere intellectuelen van zijn tijd. Op deze manier wordt een uiterst boeiende cultuurhistorische blik op de eerste naoorlogse generatie van joodse schrijvers in de Verenigde Staten mogelijk gemaakt. Grotendeels vergeten auteurs, zoals Delmore Schwartz of Wallace Markfield, en belangrijke opiniemakers, zoals hoofdredacteur van Partisan Review Philip Rahv, worden op die manier weer in herinnering gebracht. Door het grote aantal namen en titels van essays en boeken is het gedetailleerde personen- en zakenregister op de laatste pagina’s van het boek zeker geen overbodige luxe. Dertien foto’s uit de persoonlijke archieven van Rosenfelds familieleden en vrienden vullen bovendien de biografische informatie over zijn familiale en professionele leven aan. Ze geven de lezer bijvoorbeeld een intiem idee van zijn relatie met echtgenote Vasiliki, dochter Eleni en zoon George of met zijn jeugdvrienden Oscar Tarcov, Sam Freifeld en Abe Kaufman.

Het caleidoscopisch overzicht bereikt Zipperstein in de eerste plaats door Rosenfelds teksten als uitgangspunt te nemen en deze te analyseren en te becommentariëren. Deze intellectuele biografie verloopt daarom niet chronologisch, maar eerder thematisch en is in drie grote delen onderverdeeld: Home, over zijn relaties, zijn milieu, intellectuele en politieke invloeden; Terrors, over zijn angsten, neuroses en innerlijke onrust; en Paradise, over de joodse conditie in zijn leven en over zijn latere werk. Positief is dat op deze manier tekst en leven wederzijds op elkaar betrokken worden. Rosenfeld’s Lives is dus niet alleen het verhaal van Rosenfelds woelige leven en de verschillende fases en evoluties hierin, maar het werk contextualiseert en interpreteert ook het literair en essayistisch oeuvre van de auteur. Negatief is evenwel dat belangrijke biografische informatie zoals de relatie met de ouders of markante gebeurtenissen in kindertijd en jeugd verloren gaat, die met een meer traditionele aanpak waarschijnlijk een belangrijke plaats ingenomen zou hebben. Zo vindt de lezer nauwelijks informatie over Rosenfelds familieachtergrond, die ook niet in zijn eigen literaire teksten te vinden is. Ook gaat Zipperstein er ten onrechte vanuit dat de lezer volledig op de hoogte zou zijn van de intellectuele scene in Chicago en New York ten tijde van Rosenfelds leven.

Ondanks deze zwakkere punten is Zippersteins werk baanbrekend, met name omdat Rosenfelds literaire en essayistische werken nauwelijks geanalyseerd werden in het verleden. Sleutelpassages uit Rosenfelds werk worden opgenomen en meestal op overtuigende manier geïnterpreteerd door ze in relatie te brengen met biografische informatie uit de brieven en dagboeken van Rosenfeld en uit interviews met mensen die hem persoonlijk kenden. Daarom is dit werk een belangrijke hermeneutische bron voor literatuurwetenschappers, voor literatuurcritici met een bijzondere interesse in Isaac Rosenfeld en voor alle geïnteresseerden in de naoorlogse joods-Amerikaanse cultuur en literatuur van de jaren veertig en vijftig.

In de slotbladzijden speculeert Zipperstein over alternatieve uitwegen en levensprojecten die hadden kunnen plaatsvinden als Rosenfeld niet zo vroeg gestorven was. De speculatieve waarde van deze bedenkingen wordt hierbij onderstreept: ‘Where Rosenfeld was headed was impossible to say. It remains unclear whether he was in the midst of a comeback at the time of his death or sinking deeper and deeper into a morass.’ (p. 236) Uit bijna elke passage van de biografie spreekt de sympathie van Zipperstein voor Rosenfeld. Deze subjectieve aanpak doet geenszins afbreuk aan de wetenschappelijkheid van dit diepgaande en uitstekend onderbouwde werk. De persoonlijke, bijna liefdevolle vertelstijl van de biograaf maakt de lezer juist op een ontroerende manier bewust van de ambivalente kracht die uitgaat van Rosenfelds levensverhaal, dat in de roemloze anticlimax van een vroege dood eindigde:

If only Rosenfeld had been grabbed […] before he fell into the abyss, somehow been given the assurance to reclaim those early, stunning powers, this book wouldn’t move, as it must, toward his death. I linger here wishing for the story to be different, especially because it is clear […] how desperately Rosenfeld himself sought […] to alter his downward trajectory. (p. 205-206)

Zipperstein maakt op een vergelijkbare manier ook in zijn Postscript duidelijk hoe vergankelijk literaire roem en hoe breekbaar de reputatie van schrijvers is: ‘Time and again while writing this book, I was reminded how fragile, and ephemeral, literary fame can be.’ (p. 218)

De lezer van dit boek kan net zoals de auteur zelf aan het einde niet anders dan diepe spijt voelen dat deze briljante jonge schrijver, die zo worstelde met de angst voor mislukking, uiteindelijk toch zonder erkenning ten onder ging en bijna volledig in vergetelheid raakte. Het is de verdienste van Steven J. Zipperstein dat hij de aandacht van een nieuwe generatie op het tegendraadse genie van Isaac Rosenfeld vestigt en overtuigend pleit voor een vaste plaats van de auteur in de literaire canon van grote joods-Amerikaanse schrijvers.