Samenleving

Secularism and Freedom of Conscience

Jocelyn Maclure en Charles Taylor
Harvard University Press, Cambridge MA, 2011

Door Paul Cliteur, hoogleraar encyclopedie van de rechtswetenschap (UL)

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

De Canadese filosoof Charles Taylor geniet waarschijnlijk de meeste bekendheid als een van de founding fathers van het multiculturalisme. In 1994 publiceerde hij hierover een opstel onder de titel ‘The Politics of Recognition’. De stelling van Taylor, zoals uitgewerkt in dat opstel, is dat onze identiteit voor een deel wordt bepaald door de erkenning (recognition, Anerkennung) of niet-erkenning door anderen. Hier is de zin waar het om gaat:

 

The thesis is that our identity is partly shaped by the recognition or its absence, often by the misrecognition of others, and so a person or group of people can suffer real damage, real distortion, if the people or society around them mirror back to them a confining or demeaning or contemptible picture of themselves. Nonrecognition or misrecognition can inflict harm, can be a form of oppression, imprisoning someone in a false, distorted, and reduced mode of being. (p. 25)

 

Volgens Taylor brengt niet-erkenning niet alleen een gebrek aan respect met zich mee (‘lack of due respect’), maar kan het ook een verlammende zelfhaat veroorzaken (‘saddling its victims with a crippling self-hatred’, p. 26).

 

Het multiculturalisme zou een remedie moeten vormen. Hoewel Taylor zelf de term multiculturalisme niet bijzonder vaak gebruikt, werd het bovengenoemde opstel gepubliceerd in een boek met als titel Multiculturalism (1994) en wordt hij vaak opgevoerd als de belangrijkste theoreticus van dat perspectief. Nu is het niet gemakkelijk aan te geven wat multiculturalisme precies betekent, maar in ieder geval lijkt het te impliceren dat de cultuur van minderheidsgroepen moet worden ‘erkend’ in de zin dat daarvan geen stereotype of verkeerde voorstelling mag worden gegeven. Omdat de cultuur van minderheidsgroepen vaak moeilijk te onderscheiden valt van hun religie, impliceert multiculturalisme ook een welwillende houding ten aanzien van religie.

 

Hier ontstaat een spanning met perspectieven die in de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw in een deel van de westerse wereld (voornamelijk het continentale westen, niet in de Verenigde Staten van Amerika) gemeengoed zijn geworden: secularisme, atheïsme, agnosticisme en religiekritiek. Terwijl het secularisme beoogt staat en religie zo veel mogelijk te scheiden (dat wil zeggen: religieuze groeperingen elke vorm van staatssteun te ontzeggen), bepleit het multiculturalisme een faciliterende opstelling tegenover de religie (althans de religies van minderheidsgroeperingen).

 

In Secularism and Freedom of Conscience (2011), een vertaling van een boek dat een jaar eerder in het Frans verscheen onder de titel Laïcité et liberté de conscience, proberen Jocelyn Maclure en Charles Taylor hun positie te bepalen ten opzichte van dat secularisme. Is er inderdaad een spanning met de ‘identiteitspolitiek’ van het multiculturalisme? Of kunnen het perspectief dat Taylor in 1994 heeft ontwikkeld en het secularisme met elkaar worden verzoend?

Het antwoord van Taylor en Maclure op die vraag is dat secularisme met identiteitspolitiek kan worden verzoend, maar alleen door tot een vorm van multiculturalistisch secularisme te komen.

 

Maclure en Taylor onderschrijven verschillende elementen van wat ik maar even het klassieke secularisme zou willen noemen (en waartoe het secularisme volgens sommigen ook beperkt zou moeten blijven, ook naar mijn idee trouwens). Zo stellen zij dat de staat tegenwoordig neutraal moet staan ten aanzien van de verschillende religies en diepe overtuigingen die mensen erop nahouden. Het secularisme dat Taylor en Maclure afwijzen, is het secularisme dat in Frankrijk en ook Turkije tot ontwikkeling is gekomen. Daarin pleit men voor een van religie onafhankelijke moraal. Deze van religie onafhankelijke moraal zou ook door de staat moeten worden geadopteerd en morele suprematie genieten boven die religies.

 

Maclure en Taylor hebben duidelijk moeite met de eis van de religieus neutrale staat, die met zich meebrengt dat ambtenaren geen religieuze tekenen mogen dragen. Daartegenover bepleiten zij een vorm van pluralistisch secularisme dat probeert een balans te zoeken tussen de vrijheid van geweten van het individu en het gelijke respect dat de staat verschuldigd is ten opzichte van al haar burgers: ‘Although the appearance of neutrality is imporant, we do not believe it justifies a general rule prohibiting public officials from wearing conspicuous religious symbols’ (p. 44). Zij willen een ‘reasonable accomodation’ tussen het ideaal van de religieuze neutraliteit en het respect voor de religieuze keuzes van het individu. En als een bron van inspiratie daarvoor wijzen zij op de ‘politics of recognition’ (p. 67). Met andere woorden, Taylor komt toch weer terug op het perspectief zoals hij dat ontwikkelde in 1994. Nu probeert hij dat alleen te verzoenen met het secularisme door een vorm van secularisme voor te stellen die met multiculturalisme verenigbaar is.

 

Hoe vriendelijk en goedbedoeld ook, het multiculturalisme is naar mijn idee een doodlopende weg gebleken. We zouden het dan ook beter openlijk kunnen verwerpen en inwisselen voor secularisme tout court. De verschillende voorstellen die Taylor doet om het multiculturalisme te redden, zijn naar mijn opvatting niet overtuigend en betekenen een voortmodderen op een weg die zich de afgelopen decennia als verkeerd heeft bewezen. Een nieuw en volgens mij niet goed doordacht idee dat Maclure en Taylor in hun recente boek voorstellen, is dat niet alleen meer religieuze overtuigingen een speciale beschermde status zouden moeten krijgen, maar alle ‘core beliefs that allow individuals to structure their moral identity’ (p. 89). Wat Maclure en Taylor hier voorstellen, is het verlenen van een speciale bescherming aan opvattingen waarvan de mensen die deze opvattingen huldigen, verklaren dat deze belangrijk zijn voor hun identiteit. Dan zou in feite ook The God Delusion (2006) van Richard Dawkins een soort immuniteit moeten genieten, omdat het hier om een atheïstisch traktaat gaat dat voor de identiteit van atheïsten bijzonder belangrijk is. We komen met dit laatste boek van Maclure en Taylor dan ook niet van de regen in de drup, maar de drup in de regen. We moeten niet meer bescherming gaan geven aan opvattingen, maar minder. Alle opvattingen van mensen – of het nu gaat om religieuze opvattingen of niet-religieuze opvattingen – moeten vrij bediscussieerbaar worden. Het discours van identiteitspolitiek, respect en andere onderdelen van het multiculturalisme, blijkt bijzonder verleidelijk en gevaarlijk, omdat het onze liberale burgerlijke vrijheden langzaam ondermijnt.

 

Aan het eind van hun boek gaan Maclure en Taylor ook nog even in op de fameuze cartoonaffaire en op de fatwa over Rushdie. Zij beginnen dan met te stellen dat zij niet zouden willen leven in een wereld waarin Salman Rushdie en Richard Dawkins zouden worden gecensureerd. Dat klinkt goed, maar (er is altijd een maar) zij maken er ook geen geheim van dat zij het niet wijs en wenselijk achten wat deze schrijvers betogen en werpen de vraag op: ‘Is it not to be hoped that when publishing texts or artistic subject matter we will first seek to understand how our speech act will be perceived by others and to anticipate its impact on the social bond?’ Ze bepleiten een ‘ethics of concern for the other’ (p. 109).

 

Hieruit blijkt dat Taylor ook zijn begripvolle houding ten aanzien van het doodvonnis dat door een religieuze fanaticus over Rushdie werd uitgesproken in de twintig jaar die sindsdien verstreken zijn (zie Charles Taylor, ‘The Rushdie Controversy’, in Public Culture (2:1), 1989, p. 118-122), niet substantieel heeft gewijzigd. Dat is enigszins teleurstellend.