Literatuur

Sergeant in de sneeuw

Mario Rigoni Stern
Arbeiderspers, Utrecht, 2013

Door Jessy Carton, promovenda in de Italiaanse letterkunde aan de Universiteit Gent

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel
‘Ik was alleen, had niemand nodig en wilde niets’, zo herinnert Rigoni Stern zich de terugtocht van het Italiaanse leger uit Rusland in januari 1943. Zonder enige literaire pretentie beschrijft de sergeant-majoor van de Alpenjagers hoe hij de zware tocht over de Russische steppe overleefde. Sergeant in de sneeuw (Il sergente nella neve) is een hard maar genuanceerd boek en biedt om die reden zoveel meer dan de neorealistische getuigenissen van Rigoni’s tijdsgenoten. De auteur stelt vragen over de waanzin van oorlog, over universeel menselijk gedrag, ja zelfs over wat ons van dieren onderscheidt. Zijn autobiografische roman verscheen in 1953 onder het goedkeurend oog van Italo Calvino en werd al snel een Italiaanse klassieker. Zestig jaar later is het boek voor het eerst vertaald naar het Nederlands. En dat is niets te vroeg.

Het literaire parcours van Mario Rigoni Stern (1921-2008) kan zonder enige twijfel als bijzonder worden bestempeld. In 1938 geeft de amper zeventienjarige Rigoni, afkomstig uit het Alpendorp Asiago, zich op als vrijwilliger bij de bergtroepen van het fascistische leger. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vecht de jonge snaak achtereenvolgens in Val d’Isère, Albanië en Rusland, om kort na de val van het fascisme in juli 1943 overgebracht te worden naar werkkampen in Oost-Pruisen en Oostenrijk. Hier pent de sergeant-majoor zijn gevierde herinneringen aan de aftocht in Rusland grotendeels neer. De Italiaan is dus zeker geen geboren schrijver. ‘Pas door zijn ervaring aan het front vond Rigoni zijn literaire roeping’, zo schrijft vertaler Asker Pelgrom in het nawoord. Sergeant in de sneeuw is de eerste van een lange reeks romans waarin Rigoni Stern over zijn leven aan het front vertelt. Aan het einde van het boek wijst de verteller hier ook impliciet op: ‘Er zou nog veel over te zeggen zijn, maar dat is een ander verhaal.’

In zijn debuutroman vertelt Rigoni hoe hij de strijd tegen het Rode Leger in de schaduw van de slag om Stalingrad beleefd heeft. In het eerste deel, ‘Het steunpunt’, beschrijft hij de dagelijkse routine en de gemoedelijke sfeer in het Italiaanse kamp aan de oevers van de Don. Deze gunstige situatie verandert echter snel: ‘De eerste paar dagen na onze aankomst hadden we het goed op onze post. Totdat de Russen aanvielen.’ Dit brengt ons naar het tweede deel, ‘In de tang’, een intrieste schets van de terugtocht van het Italiaanse leger naar Oekraïne en vervolgens Wit-Rusland. De auteur verwoordt zijn ervaringen in een sobere stijl, met veel gebruik van spreektaal en respect voor de dialecten van zijn kameraden uit Turijn, Como, Brescia en Verona. De beschrijvingen gaan steeds in op de individuele zintuiglijke beleving: ‘Nog altijd heb ik in mijn neus de geur van smeerolie op een gloeiend hete mitrailleur.’ Vanaf de eerste zin neemt Rigoni Stern ons mee in een tocht vol geuren, geluiden en beelden, waarin het lichamelijke lijden centraal staat: de vermoeidheid, de honger, de kou.

De vertaling van Asker Pelgrom is uitstekend en in zekere zin completer dan de recente heruitgave van de Italiaanse uitgeverij Einaudi. Zo voegt de vertaler verscheidene voetnoten toe om woorden in het Russisch of in nationale dialecten te vertalen, en licht hij ook enkele Italiaanse begrippen toe. In het nawoord besteedt Pelgrom bovendien de nodige aandacht aan de historische en geografische context van Sergeant in de sneeuw.Deze toevoegingen zijn zeer nuttig, aangezien er in de roman amper plaatsnamen en data vermeld worden en er verder ook niet verwezen wordt naar algemene oorlogsontwikkelingen. Rigoni’s vaagheid kan eenvoudig verklaard worden. Ondanks zijn militaire rang kende de auteur niet eens de naam van het dorp waar zijn steunpunt lag en van de terugtrekking herinnert hij zich enkel de datum van de slag bij Nikolajevka (het huidige Livenka): ‘Dat was de zesentwintigste januari 1943. Mijn meest dierbare vrienden hebben me die dag verlaten.’

Rigoni’s herinneringen zijn pijnlijk en hebben een kritische ondertoon. De terugkerende vraag van een van zijn streekgenoten ‘Sergeant, we komen toch weer thuis?’ (‘Sergentmagiù, ghe rivarem a baita?’) vat in enkele woorden de wanhoop, heimwee en verbondenheid van alle soldaten samen. Het leidmotief komt echter bruusk ten einde wanneer ook deze kompaan sneuvelt, een verlies dat de auteur bitter doet opmerken: ‘Kijk, Giuanin, je bent thuisgekomen.’ Toch zou het verkeerd zijn om de roman te lezen als een aanklacht tegen het fascistische imperialisme, of tegen de onmacht van het Italiaanse leger in de twintigste eeuw. De Eerste Wereldoorlog had geresulteerd in een ‘vittoria mutilata’ (verminkte overwinning) en de nieuwe oorlog was aan de zijde van het naziregime een regelrechte catastrofe gebleken, maar daar heeft Rigoni het op de keper beschouwd niet over. Het is opvallend dat de auteur, los van militaire frustraties of politieke overtuigingen, vooral begrip probeert te tonen voor zijn Russische tegenstanders.

En dat maakt het boek bijzonder actueel. In tegenstelling tot veel neorealistische literatuur waarin de heldendaden van de partigiani bezongen worden, spreekt Rigoni Stern nooit in termen van goed en kwaad. Sergeant in de sneeuw is in die zin geen zuivere ‘oorlogsroman’, maar veeleer een bespiegeling over de condition humaine. Dat is overduidelijk op het moment dat de verteller in een hut belandt waar een aantal Russische strijders zich schuilhouden, en gewoon met hen aan tafel schuift: ‘Dat is wat er toen gebeurd is. Nu ik eraan terugdenk, vind ik het helemaal niet vreemd meer, maar volkomen natuurlijk, van een natuurlijkheid die er ooit onder de mensen geweest moet zijn.’Deze menselijke, genuanceerde benadering vinden we eveneens terug in een aantal andere bekende Italiaanse romans die, niet toevallig, pas jaren na de oorlog verschenen zijn. Ik denk in het bijzonder aan Primo Levi’s Is dit een mens, dat pas populair werd na het verschijnen van de tweede editie in 1958, aan de postume werken van verzetsstrijder Beppe Fenoglio, van wie onlangs Een privékwestie is vertaald, en aan Elsa Morante’s meesterwerk De geschiedenis uit 1974.

Het is hoopgevend dat een boek als Sergeant in de sneeuw, samen met andere sleutelwerken uit de naoorlogse Italiaanse literatuur, vele decennia na verschijning toch nog onder de aandacht wordt gebracht in onze contreien. Sergeant-majoor Rigoni vertelt ons niet alleen over de ondergang van een Italiaans leger op een Russische steppe in een verre winter, maar vooral ook over de onderliggende absurditeit die eigen is aan elke oorlog. Een aantal dagen voor de Italianen definitief uit de omsingeling van de Sovjets breken, is Rigoni genoodzaakt alleen verder te trekken. Bij elke stap spreekt hij dan dezelfde gebedsregel uit: ‘Nu en in het uur van onze dood. Nu en in het uur van onze dood.’ Het vers roept vragen op over de zinloze dood van medestrijders én van ‘vijanden’, maar toont ondanks alles ook hoop op verbondenheid en verlossing. Op 31 januari 1943 bereikt Mario Rigoni Stern de Duitse linies. Hij kan naar huis. De oorlog zou nog meer dan twee jaar duren.