Literatuur

Serotonine

Michel Houellebecq
Arbeiderspers, 2019
Vertaald door Martin de Haan

Bestel dit boek via ons partnerprogramma met Athenaeum Boekhandel
 

De technologie van het geluk

Door Arnout le Clercq, historicus, redacteur en vertaler

Florent-Claude Labrouste, de hoofdpersoon van Serotonine, ontpopt zich op de eerste pagina’s al tot een typisch houellebecqiaanse protagonist: een fulminerende Fransman van middelbare leeftijd die min of meer klaar is met het leven. Serotonine is dan ook een roman die naadloos aansluit op het oeuvre van Houellebecq, waarin de schrijver een aantal van zijn inmiddels klassieke thema’s opnieuw wil belichten.

Florent-Claude is ontevreden over zijn leven, heeft genoeg van zijn eigen apathie en besluit het heft in eigen handen te nemen door stilletjes te verdwijnen. Hij neemt ontslag en verruilt zijn appartement voor een hotelkamer elders in Parijs. Zijn aanvechting om controle over zijn leven te krijgen is echter van korte duur. Even later zit hij in zijn hotelkamer met ‘even weinig redenen om te leven als om te sterven’.

Deze stille wanhoop wordt langzaamaan luider. ‘Was ik in staat eenzaam gelukkig te zijn? Ik dacht van niet. Was ik in het algemeen in staat gelukkig te zijn? Dat soort vragen kun je jezelf volgens mij beter niet stellen.’ Na een bezoek aan een psychiater krijgt hij een recept voor Captorix, een antidepressivum om zijn serotoninewaarden op te krikken. Bijwerkingen: een laag libido en impotentie. Maar de Captorix lijkt te werken. Hij vervolgt zijn hotelleven en mijmert ondertussen over zijn verloren geliefdes, waaronder Kate, een jeugdliefde uit zijn studietijd, Claire, een actrice met een gefnuikte carrière en Camille, zijn grote liefde die als een madonna boven de anderen uittorent.

Met de depressie van de hoofdpersoon kom je als lezer snel bij de kern van de roman. Verdriet en machteloosheid staan centraal. Bij machteloze mannen wordt al gauw gedacht aan een crisis van viriliteit of een stuiptrekkend patriarchaat, maar dat is in Serotonine eerder bijzaak (en onderwerp van ironische spot). Het gaat hier om een vorm van wanhoop die universeler en actueler is: de wereld waarin we leven is steeds moeilijker te doorgronden. Waar we maar al te vaak het antwoord op de vraag ‘hoe?’ weten, ontbreekt het antwoord op ‘waarom?’ Door de wereld technisch en theoretisch te lijf te gaan, verliezen we oog voor de meer ongrijpbare kanten van het bestaan.

Met Captorix als remedie voor de malheur van zijn personage toont Houellebecq dit overtuigend aan. Door zijn problemen te medicaliseren – de opvatting dat depressie vooral een zaak is van een onbalans tussen de stofjes in je hersenen – wordt er een technische oplossing aangedragen: de serotonineafgifte aanzwengelen met een wit pilletje. De antidepressiva helpen, maar de impotentie is een hoge prijs. Zonder verlangens (en seks is nu eenmaal een fundamenteel verlangen) blijft er weinig over. Het bestaan is leefbaar maar klinisch geworden: ‘Verstoken van verlangens en redenen om te leven (waren die twee termen trouwens niet synoniem? dat was een lastige vraag, waar ik geen duidelijke mening over had) hield ik de wanhoop nu op een acceptabel niveau (…)’.

Houellebecq tilt dit idee kunstig naar een maatschappelijk niveau door een oud-studiegenoot van Florent-Claude te introduceren: Aymeric d’Harcourt-Olonde, een telg uit een oud adellijk geslacht die heeft besloten om boer te worden. Rond de kerstdagen zoekt Florent-Claude zijn oude vriend op in diens kasteel op het Normandische platteland. Hij heeft hem één keer eerder bezocht, toen het landbouwbedrijf zich al in een enigszins penibele toestand bevond. Maar inmiddels zit Aymeric werkelijk in zak en as. Sinds het vorige bezoek heeft zijn vrouw hem verlaten voor een Britse pianist en ziet hij zijn twee dochters vrijwel nooit, moet hij het verlies van zijn bedrijf compenseren door land te verkopen, runt hij een bungalowpark waar niemand ooit komt en drinkt hij sloten Poolse wodka.

Florent-Claude neemt gaandeweg kennis van de onhoudbare positie van de Franse boeren en wordt dankzij Aymeric getuige van een wanhoopsdaad: de gewelddadige rebellie van Franse plattelandsboeren. Met name door deze passage werd Houellebecq wederom als profeet geroemd: toen Serotonine verscheen, stond men op de Champs-Elysées de restjes van kapotgeslagen etalageruiten op te vegen na het zoveelste vernielzuchtige weekend van de protestbeweging gilets jaunes.

Veel interessanter dan de vraag in hoeverre Houellebecq de gele hesjes heeft voorspeld, is de overeenkomst tussen Florent-Claude enerzijds en Aymeric en zijn medeboeren anderzijds. Het precaire bestaan en de problemen van de Fransen boeren, laten zich rationeel verklaren: marktwerking, competitie tussen lidstaten, externe markt etcetera, kortom, meer termen uit het jargon dat door economen en technocraten wordt gebezigd. Maar dat helpt Aymeric niet te doorgronden waarom hij iedere ochtend om vijf uur opstaat om zijn koeien te melken en aan het eind van de maand alsnog een perceel moet verkopen om de broek omhoog te houden. Zijn vrouw begrijpt dat ook niet, en neemt de benen. Hij kan geen kant op.

En zo adresseert Houellebecq gaandeweg een aantal ongerijmdheden van het leven in de 21e eeuw. Werken voor je geld is passé, dat is duidelijk. Dit blijkt ook wanneer de gedachtestroom van de verteller blijft hangen bij zijn ex-vriendin Claire, die haar Parijse woning in een gewilde buurt verkoopt voor een bedrag waarbij de erfenis van zijn eigen ouders volledig verbleekt: ‘(…) geld trok geld aan en vergezelde de macht, en dat was het laatste woord van het sociale stelsel.’ Houellebecq stipt hier een belangrijke economische realiteit van onze tijd aan (dat wil zeggen, als we de vastgoedspeculanten van deze wereld verder hun gang laten gaan).

Deze kille en tegelijkertijd fatalistische analyse van het geweld van de vrije markt komt vaker terug in Houellebecqs werk. Serotonine doet bijvoorbeeld denken aan sommige van zijn vroege romans, zoals De wereld als markt en strijd en Platform. Ook daarin wordt marktwerking, kapitalisme en globalisering uitvergroot, op die manier bekritiseerd en eveneens als onontkoombaar beschouwd. Maar in Serotonine is het meer dan ooit onmogelijk om met die conclusies te leven.

Het pad dat Aymeric vervolgens kiest, dat van geweld, is niet alleen een climax in het boek maar ook in Houellebecqs oeuvre, dat veelal bevolkt wordt door toeschouwers, wijfelaars en indolente cynici (die dat overigens niet altijd blijven). Florent-Claude, die tot de laatste groep behoort, zoekt de oplossing elders: in de liefde, hoewel dit voor hem een gepasseerd station lijkt.

De reddende kracht van de liefde manifesteert zich in Serotonine hevig en ondubbelzinnig. Terugdenkend aan zijn gelukkige dagen met Camille herinnert Florent-Claude hoe zij zich gaandeweg meer onttrok aan de banenmarkt, en dat is ook goed zo. ‘De buitenwereld was hard, meedogenloos voor de zwakkeren en kwam zijn beloften bijna nooit na; de liefde was het enige waar je misschien nog op kon vertrouwen.’ Dit is mooi, niet in de laatste plaats omdat Houellebecq als schrijver tegen het sentimentele aan kan schuren zonder dat het echt stoort.

Maar Florent-Claudes liefde voor Camille is ook een zwak punt van de roman: zij is een buitengewoon vlak personage. Waar schuilt haar aantrekkingskracht precies in? In de melancholische lofzangen op haar en hun liefde wordt duidelijk dat ze lief en ietwat huiselijk is, dat ze goed bij elkaar passen en dat Florent-Claude over zijn oren verliefd was; maar verder kom je als lezer vrijwel niets over haar te weten. Dat is vreemd voor iemand die zo’n centrale rol in het boek heeft, ook wanneer ze niet in beeld is. Aymeric komt daarentegen als personage fantastisch uit de verf. Dit kan natuurlijk een tekortkoming zijn van de hoofdpersoon en niet van de schrijver (twee verschillende personen, wat mensen bij Houellebecq nog weleens lijken te vergeten) maar het blijft curieus.

Door terugkerende thema’s en protagonisten die sterk op elkaar lijken krijg je soms de indruk dat het werk van Houellebecq repetitief is. In zijn romans komen onze cultivering van competitie, kapitalisme als vernietigende kracht en de onbereikbaarheid van de liefde (ja, Houellebecq is een romanticus) steeds opnieuw terug. Dat is niet bezwaarlijk, want dit zijn interessante en bovendien belangrijke onderwerpen. De romans onderscheiden zich vooral door een originele insteek, interessante plotwendingen en geestige passages – voor wie erom kan lachen.

In Serotonine grijpt Houellebecq wederom terug op bovenstaande thema’s. Dat zijn oeuvre wordt gekarakteriseerd door zoveel gemene delers, werpt ook de vraag op in hoeverre een nieuwe roman daar iets aan toevoegt. De achterliggende gedachtes zijn niet nieuw, de manier waarop Houellebecq er vorm aan geeft ook niet zozeer – hij zegt eerder hetzelfde met nieuwe metaforen. Het lijkt alsof hij met Serotonine heeft geprobeerd om oorzaken en gevolgen uit te pluizen, maar daarbij niet verder komt dan zijn personages een vlucht naar voren te laten nemen. Dat levert geen slecht boek op, maar is wel een gemiste kans. Serotonine is desondanks een onderhoudende en bij vlagen messcherpe roman. Tegen de alomtegenwoordige wanhoop is weinig opgewassen, in elk geval niet de witte pilletjes van Captorix. Maar het roept ook de ongemakkelijke vraag op of Houellebecq ons nog meer te vertellen heeft.