Samenleving

Straf, schuld en vrijheid

Pijlers van ons strafrecht

Ferry de Jong
Sjibbolet, Amsterdam, 2011

Door Jeroen ten Voorde, Universitair hoofddocent straf(proces)recht Universiteit Leiden

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

In het tegenwoordige strafrechtwetenschappelijke onderzoek lijkt nog betrekkelijk weinig belangstelling te bestaan voor rechtsfilosofische reflectie. Gelukkig zijn er uitzonderingen op deze regel: strafrechtwetenschappers die de lange traditie van rechtsfilosofisch onderzoek voortzetten en trachten hedendaagse ontwikkelingen in een breder perspectief te plaatsen, teneinde daarmee tot een onderzoekskader te komen om op basis daarvan complexe vragen over het strafrecht te lijf te gaan.

Ferry de Jong, werkzaam aan de Universiteit Utrecht, is zo’n strafrechtwetenschapper. Van zijn hand verscheen in 2011 in de essayreeks Oratio van uitgeverij Sjibbolet Straf, schuld & vrijheid. Pijlers van ons strafrecht. Het boeiende essay behandelt het thema van schuld in het strafrecht. Wanneer een strafrechtjurist aan schuld denkt, denkt hij aan het kunnen toerekenen van een wederrechtelijke gedraging aan een persoon, wat het opleggen van straf mogelijk maakt. In het strafrecht zeggen we dan: geen straf zonder schuld. Dat wil zeggen: geen straf zonder dat een wederrechtelijke gedraging kan worden toegerekend aan een persoon die niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het plegen van die gedraging. Strafrecht is daarmee onlosmakelijk verbonden met de aloude notie van wilsvrijheid.

Het schuldbeginsel staat tegenwoordig onder meer onder druk als gevolg van de opkomst van de neurowetenschappen. Daaronder wordt een verzameling van verschillende onderzoeksvelden verstaan die gericht is op het verklaren van menselijk gedrag in termen van activiteit in de hersenen. De neurowetenschappen hebben een hoge vlucht genomen. In de Verenigde Staten woedt al een kleine twintig jaar een debat over de gevolgen van de resultaten van neurowetenschappelijk onderzoek voor onder andere het strafrecht. De meest radicale consequentie van dat onderzoek lezen we in de titel van de bestseller van Victor Lamme, De vrije wil bestaat niet (2010).

Deze provocerende titel maakt duidelijk dat het aloude ideaal van wilsvrijheid, waarop ook het ‘met moeite opgetuigde staketsel van strafrechtelijke begrippen’ is gefundeerd, niet zonder meer nog wordt omarmd. Concreet heeft dat ertoe geleid dat verdachten verweer hebben gevoerd tegen een door hen gepleegd delict dat neerkomt op ‘my genes made me do it’. Als het kennelijk de genen (of hersenen) zijn die iemand tot bepaald gedrag brengen, dan kan van schuld voor dat gedrag geen sprake zijn en kan er dus niet worden gestraft. Hoewel onsuccesvol, hebben deze verweren tot veel debat geleid.

De neurowetenschappen hebben een dominante positie verworven. Het strafrecht is in de verdediging gedrongen. De Jong probeert een uitweg te vinden door tot een ‘herwaardering van de begrippen schuld en toerekeningsvatbaarheid’ te komen. Juristen moeten niet pretenderen te weten dat wilsvrijheid bestaat, noch dat zij exact kunnen omschrijven wat daaronder zou moeten worden verstaan, maar moeten volgens De Jong wel durven uitgaan van de ‘redelijkheid’ van een notie als wilsvrijheid, die ‘het noodzakelijke sluitstuk vormt van het totale strafrechtelijke begrippenstelsel.’

Allereerst formuleert De Jong een antwoord op de vraag hoe en binnen welk interpretatief kader oordelen over strafrechtelijke verantwoordelijkheid tot stand worden gebracht. Het schuldoordeel is niet alleen een feitelijk oordeel, maar bevat ook normatieve waarderingen die op elkaar betrokken zijn. Voor het vaststellen van schuld gaat het niet om absolute zekerheid. Schuld kan slechts worden vastgesteld als de gedraging in termen van een verhaal wordt verteld, waarin de dader optreedt als acteur. In een verhaal krijgen feiten een bepaalde normatieve lading; de ordening van de feiten is een constructie waarin onder andere een relatie wordt gelegd tussen de feiten en de acteur. Schuld is dus niet natuurgegeven, maar gevormd in een ordening van de feiten in een verhaal.

Vervolgens veronderstelt De Jong, volgens mij niet onterecht, een bepaald, diep in onze cultuur verankerd mensbeeld, dat wordt gekenmerkt door het vermogen tot symbolisering, dat wil zeggen de mogelijkheid om met behulp van taal de werkelijkheid op een bepaalde manier te duiden en betekenis te geven. Daardoor ontstaat een zekere afstand tussen de werkelijkheid en de mens, waardoor de mens in staat is op de wereld om hem heen te reflecteren en datgene wat de ander zegt en doet te interpreteren. Die mogelijkheid tot reflectie duidt op vrijheid, die volgens De Jong zodanig is ‘ingeslepen’ dat een notie van vrijheid kan worden onderkend.

Ook recht geeft betekenis en duiding. Dit is mogelijk doordat het recht begrippen gebruikt waarmee sociale feiten juridische feiten worden. Juridische begrippen zijn altijd onderbepaald. Dat betekent niet dat ordening door middel van het recht onmogelijk is: recht veronderstelt ordening. Ordening is nodig om het vertrouwen binnen een gemeenschap te bewaren en te bevorderen. De Jong legt uit dat juist het strafrecht voor dat vertrouwen van belang is. Onderbepaaldheid betekent ook dat altijd een kritische distantie wordt bewaard tegenover de alledaagse leefwereld en de juridische ordening daarvan. Volgens De Jong betekent deze opvatting dat de notie vrijheid niet van nature is gegeven, maar ‘een binnen de juridisch-symbolische denkwijze gevormde contrafactische voorstelling is.’ Vanuit die opvatting bezien, gaan wij mensen er ook van uit dat we verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor ons handelen. Ook al is dat projectie, het is daarmee nog geen holle frase.

De aanval van neurowetenschappers kan volgens De Jong worden afgeslagen omdat moet worden onderkend dat strafrechtjuristen niet uitgaan van natuurgegeven vrijheid, maar van vrijheid ‘als projectie van het zelfbeeld van een samenleving op de persoon die het strafrecht ter zake van een schending van een van zijn normen tot de orde roept.’ Het is de vraag of deze opvatting neurowetenschappers na lezing van het essay zal weten te overtuigen. Dat komt wellicht doordat hij de finesses van het neurowetenschappelijk onderzoek niet altijd even goed naar voren laat komen, zoals hij ook zelf erkent. Dat bevreemdt mij toch een beetje, nu hij aan het begin van zijn betoog stelt te willen zoeken naar een ‘gedeeld kader voor gedachtevorming’. Een kader voor gedachten is inderdaad gevormd, maar ik kan niet goed beoordelen of neurowetenschappers zich binnen dat kader voldoende gehoord voelen. De Jong vertelt zijn verhaal overigens op een manier die de lezer op de proef stelt. Van eenvoudig taalgebruik is geen sprake. Dat is niet onoverkomelijk, maar hij had dit deels kunnen vermijden door meer met voorbeelden te werken om de actualiteit van de problematiek van schuld in het strafrecht (en vrijheid en verantwoordelijkheid) aan te geven. Met die voorbeelden in de hand had hij mogelijk ook kunnen testen of zijn ideeën strafrechtelijke schuld weer in ere helpt herstellen. De Jong zou die vraag in een volgend essay kunnen beantwoorden.