Literatuur

Ten oosten van Eden

John Steinbeck
Van Oorschot, 2020
Vertaald door Peter Bergsma

Bestel dit boek via ons partnerprogramma met Athenaeum Boekhandel

 

Door Bart Zantvoort, filosoof en Nexus-redacteur

Een klassiek werk is ‘als een verre galm, buiten een kamer doordrongen van de actualiteit als door een televisie op maximaal volume’, schrijft Italo Calvino, maar is in staat de actualiteit te verdringen en te reduceren tot achtergrondrumoer. Niets mooiers dus, dan om in deze tijd van overweldigende actualiteit een ‘recente’ klassieker te (her)lezen: Ten oosten van Eden van de Amerikaanse Nobelprijswinnaar John Steinbeck, onlangs verschenen in een nieuwe vertaling van Peter Bergsma. Steinbeck zag het boek zelf als het hoogtepunt van zijn oeuvre. Bij verschijnen in 1952 was het geen ‘instant classic’; het mocht meteen op een enthousiast lezerspubliek rekenen maar wist de critici slechts langzaam en met moeite voor zich te winnen.

In tegenstelling tot Steinbecks andere grote klassieker De druiven der gramschap, een sterk sociaal bewogen roman over armoede en uitbuiting, handelt Ten oosten van Eden over de grote metafysische kwesties: goed en kwaad, schuld en boete, en de menselijke vrijheid en lotsgebondenheid. Deze thema’s worden belicht aan de hand van de centrale analogie van het boek: de hervertelling van het Bijbelverhaal van Kaïn en Abel in de belevingen van twee generaties van de familie Trask. Eerst zijn het de broers Charles en Adam die om de liefde van hun vader strijden, en later zet deze strijd zich voort tussen Adams zoons Cal en Aron.

In Genesis offeren Kaïn en Abel, twee zoons van Adam en Eva, allebei aan God; God accepteert het offer van Abel en weigert dat van Kaïn, ogenschijnlijk zonder reden. Kaïn ontsteekt in woede, slaat zijn broer dood en wordt door God vervloekt. Bij Steinbeck wint Adam schijnbaar moeiteloos de liefde van zijn vader en wekt daarmee de haat van zijn broer Charles; ook de duistere, gekwelde Cal probeert zijn vaders liefde te winnen met een geschenk, wordt versmaad en jaagt daarop zijn broer de dood in. (Op zijn vaders vraag waar zijn broer is, antwoordt hij: ‘Hoe moet ik dat weten? Moet ik soms op hem passen?’)

Critici struikelden aanvankelijk over deze zwaar aangezette symboliek, die te zeer voor de hand zou liggen en weinig ruimte zou bieden voor morele ambiguïteit. Maar voor Steinbeck ligt deze ambiguïteit juist al besloten in het Genesisverhaal, in het mysterium tremendum van de God die beschikt zonder reden en de mens die vrij is om het kwade of het goede te kiezen. De vertaling ervan naar een breed opgezette familievertelling geeft hem de ruimte om dit vraagstuk in al zijn filosofische, morele en menselijke complexiteit uit te werken.

Dit doet hij met name door de rijke gelaagdheid en liefdevolle benadering van zijn personages. Adam keert bijvoorbeeld, na een moordpoging door zijn broer te hebben overleefd en jaren van rondzwerven, terug naar de vaderlijke boerderij waar hij en zijn broer een tijdlang samenleven als kibbelende vrijgezellen van middelbare leeftijd. Aron, de goedaardige, stralende blonde jongen die iedereen voor zich inneemt, ontpopt zich in de loop van het verhaal ook als een tamelijk dogmatische, egocentrische sukkelaar. Cal, die worstelt met zijn kwade neigingen maar zijn best doet het goede te kiezen, slaat daarbij dan een heldhaftiger figuur.

Daarnaast is het Kaïn-en-Abelverhaal slechts één motief dat is ingebed in een rijke compositie van personages en verhaallijnen, waardoor het niet te zeer op de voorgrond treedt. Onder de prominentere personages vinden we de duivelse Cathy, de moeder van Cal en Aron; de filosofische dromer en uitvinder Samuel Hamilton, en de Chinese bediende-cum-wijsgeer Li – misschien wel de echte held van het verhaal. Via de verweven verhalen van de families Trask en Hamilton krijgen we een prachtige natuurschildering van de Salinasvallei in Californië, waar het grootste deel van het verhaal zich afspeelt, en tegelijk een historische zedenschets van Amerika eind negentiende en begin twintigste eeuw, van Chinese spoorwegwerkers tot de praktijken van hoerenronselaars en van de eerste ervaringen met luchtvaart tot Adams hilarisch-tragische poging als eerste koeltransporten met verse levensmiddelen op te zetten (die helaas eindigt met sla die in New York aankomt als ‘zes wagonladingen smerige smurrie’). Een prominente bijrol is er ook voor de Ford model-T, waarvan Steinbeck in Cannery Row al eens de lof zong (‘Twee generaties Amerikanen wisten meer over het ontstekingsmechanisme van de T-Ford dan de clitoris’).

Tot slot: over de nieuwe vertaling van Peter Bergsma niets dan goeds, al heeft de vertaler zoals altijd moeilijke keuzes moeten maken. De vertaling leest ontzettend fris en natuurlijk, je hebt überhaupt nergens de indruk dat je een vertaling leest, wat een knappe prestatie is. Dit betekent wel dat de vertaler Steinbecks soms eigenzinnige Engels hier en daar wat heeft gladgeschaafd (zie ook de eigen reflecties van de vertaler in het nawoord en hier), hetgeen de leesbaarheid ten goede komt maar waardoor het werk wel aan eigenheid inboet. Dit is echter geen bezwaar tegen de vertaling, hoogstens een aansporing om óók het Engelse origineel maar eens ter hand te nemen.