Geschiedenis

The Devil in History

Communism, Fascism, and Some Lessons of the Twentieth Century

Vladimir Tismaneanu
University of California Press, Berkeley, 2012

Door Michel De Dobbeleer, doctor-assistent Slavistiek en Oost-Europakunde (Universiteit Gent)

Lees meer over Vladimir Tismaneanu bij het Nexus Instituut.

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel
Waar komt toch die nimmer aflatende fascinatie voor wrede despoten vandaan? Die vraag kwam bij me op toen ik in de loden hitte de Grote Piramide van Gizeh stond te bewonderen en mijn gedachten afdwaalden naar farao Cheops, maar evengoed die paar keer dat ik me in Moskou vergaapte aan de Zeven Zusters, de bombastische wolkenkrabbers, die een fors nichtje in Warschau hebben staan. Ik stel me dan telkens voor hoe Stalin goedkeurend knikte bij de gedachte dat hun bouwstijl ‘Stalingotiek’ (of ‘Stalinbarok’ – wat maakt het uit?) is gedoopt. Aan een dergelijke fascinatie heeft ook de Californische uitgever van dit boek gedacht: op de gefotoshopte cover van The Devil in History staren Stalin en Hitler gedeisd in elkaars richting. Hun neuzen boven die even verschillende als vertrouwde snorren zouden op het punt kunnen staan de ander taxerend te besnuffelen, maar toch mijden ze oogcontact. Vast niet toevallig prijkt de Sovjetleider links, de nazileider rechts.

Dat de ‘heilsplannen’ van die gezworen vijanden ondanks dat mijden van contact tussen hun ideologieën toch duidelijke overeenkomsten vertonen, vormt het uitgangspunt van dit lengthy essay (xiv + 320 pagina’s), zoals het op de achterflap heet. Een essay is het inderdaad, en veeleer een politiek-filosofisch dan een geschiedkundig. De nu ruim twintig jaar aan de University of Maryland verbonden Roemeense professor Vladimir Tismăneanu (in de VS laat men dat diakritische teken gemakshalve weg) pende eerder alleen al in het Engels meer dan tien boeken bijeen over de gedaanten van het communisme in Oost-Europa en achtte nu de tijd rijp om ‘al dat links’ te vergelijken met het – bovenal nationaalsocialistische – fascisme.

Inspiratie voor zijn hoofdtitel vond de auteur in een uitspraak van een inmiddels overleden vriend, de Poolse filosoof Leszek Kołakowski, volgens wie het niemand minder dan de duivel zelf was die zich in de afgelopen eeuw in de geschiedenis incarneerde. Overigens is dat nogal prikkelende Devil uit de titel enigszins misleidend: zoals ik al eerder suggereerde, betreft het geen geschiedenisboek en moet de lezer geen verzameling smeuïge of ‘duivelse’ anekdoten verwachten omtrent de vele beestachtigheden waaraan de miljoenen slachtoffers van de behandelde regimes ten prooi vielen. Zo wordt een schurk als Lavrenti Beria, ietwat verrassend, nergens genoemd. Nee, Tismaneanu is een gastheer die zonder enige sensatie, maar met diep inzicht en veel gevoel voor nuance, zijn visie ontvouwt op hoe die duivel zich dan wel kon incarneren. Die duivel blijkt trouwens niet zozeer een van de snordragers op de boekcover te zijn en het fenomeen van de persoonscultus is geen hoofdthema. Het gaat in de eerste plaats om de totalitaire ideologieën en de maatschappelijke vacuüms die zij meenden te moeten of kunnen invullen, niet om fysieke dictators. Zeker is Tismaneanu’s boek ook geen egodocument. De auteur (geboren in 1951) groeide op in een links milieu in een vaderland dat zowel fascistische als communistische aberraties onderging. Tismaneanu maakte zelfs – niet onomstreden – deel uit van een commissie voor de verwerking van de historische trauma’s van Roemenië. Het op de achterflap afficheren van die ‘unique personal experience’ kan de indruk wekken dat hij uitweidt over zijn (dissidente) wedervaren, maar dat is allerminst het geval. Hij schetst zijn inderdaad unieke thuissituatie (inclusief een vader die een arm verloor in de Spaanse Burgeroorlog) beloftevol in de proloog – een geknipte plaats voor zoiets –, maar daar blijft het bij.

Wat doet Tismaneanu dan wel? Uit de vergelijking van beide politieke leerstelsels, waarover hieronder meer, trekt hij lessen (zie zijn ondertitel), zodat die duivel voorgoed uitgedreven kan blijven, iets wat in het nieuwe (Oost-)Europa niet altijd lukt. Die lessen blijken bestemd voor gevorderden. Tismaneanu’s hersenspinsels zijn meestal pertinent, maar vragen flink wat eruditie: de lezer wordt verondersteld begrippen als ‘luddisme’ te kennen, hij moet weten wat er te Kronstadt gebeurde en wat een homo prevaricatus is. Bovendien kan hij maar beter Dostojevski’s Duivels achter de kiezen hebben en bovendien een besef van het soort fictie dat de ‘Siberische School’ voortbrengt. Niet dat er anders geen touw aan vast te knopen is, maar toch. Ook zou de lezer zich kunnen ergeren aan het feit dat Tismaneanu vaak pagina’s lang andermans citaten en visies aaneenpraat en zichzelf zo meer dan eens herhaalt. Dat doet hij weliswaar vakkundig en het geciteerde komt bijna altijd uit de pen van goedgeplaatste figuren: vaak van denkers als Hannah Arendt en de al vermelde Kołakowski, maar ook van bijvoorbeeld Mussolini, Boecharin of Havel. De aandacht voor de relevante overeenkomsten tussen de duivelse ideologieën wordt er echter niet door ondermijnd.

Tismaneanu schetst indringend hoe communisme en fascisme – het ene links, steunend op sociaaleconomische wetten en het verlichtingsdenken, het andere rechts, refererend aan biologische principes en romantische spookbeelden – toch een gelijkaardig doel nastreefden langs opvallend parallelle, ondemocratische, niets of niemand ontziende wegen. Onder meer de teleologische ‘logica’ waarmee dit alles als vanzelfsprekend tot een heilstoestand (voor het triomferende proletariaat versus het arische ras) zou leiden, doet Tismaneanu terecht spreken van ‘politieke religie’, een beeld dat hij overtuigend aanhoudt. De auteur verliest zich niet in de speurtocht naar gelijkenissen, hij geeft ook rake duiding bij de verschillen: anders dan onder Hitler stond ‘de partij’ bij de communisten veel sterker, werd er nadrukkelijk ingezet op zuiveringen en showprocessen en was het doel van de kampen niet in hoofdzaak racistisch ingegeven, al was er ook tijdens het communisme sprake van antisemitisme. Met ‘communisme’ wordt hier – zoals in het hele boek – vooral naar de uitwassen onder Stalin verwezen, al gaan Lenin en zelfs Marx, als denker dan, allerminst vrijuit.

Een ander verschil tussen Sovjetcommunisme en (nationaalsocialistisch) fascisme schuilde in hun levensduur. In het bloedbad van de Tweede Wereldoorlog gingen Hitler en zijn ‘leer’ ten onder, terwijl de Sovjetheilsleer het zieltogend uitzong tot 1991 en toen, anders dan bij de nazi’s, van binnenuit gebroken werd. Dat het communisme veel langer heerste, verklaart allicht waarom het fascisme in dit min of meer chronologisch lopende betoog veel minder ruimte krijgt: nog voor de helft van het boek is de Tweede Wereldoorlog al voorbij en concentreert Tismaneanu zich op de geleidelijke neergang van het communistisch ‘geloof’ en zelfvertrouwen, en vraagt hij zich terecht af: kon het Sovjetsysteem wel worden hervormd?

Het boek behandelt de twintigste eeuw en hoeft dus eigenlijk niets te zeggen over Poetins Rusland of moslimfundamentalisme. Dat is jammer, want naarmate de pagina’s vorderen, voel je dat de voor fascisme en nationalisme waarschuwende Tismaneanu er vast een waardevolle mening over heeft. Op die ene pagina (218) waar Poetins naam valt, geeft de Roemeen niettemin kernachtig een afdoende verklaring voor het feit dat ik vorig jaar in een Moskouse boekhandel zakagenda’s en andere gadgets met Stalins beeltenis kon ontwaren (terwijl men in Duitsland geen Hitlerhebbedingetjes in de winkels verwacht). Anderzijds mag ik, denk ik, wel klagen dat we nauwelijks iets lezen over het twintigste-eeuwse fascisme buiten Duitsland, Italië of Roemenië, of over het Cubaanse, Chinese of Noord-Koreaanse communisme – of reserveert hij dat voor een volgend boek?

Aan het eind van de rit beaam ik dat Tismaneanu’s intellectuele zoektocht naar bovengenoemde gelijkenissen en verschillen ‘both useful and necessary’ (p. 19) is. Die tocht, die wel wat vermeteler had mogen zijn en niets wereldschokkends (of erg aanvechtbaars) oplevert, leert ons dat eender welke sociale utopie maar beter bij een denkoefening blijft. Uiteraard verklap ik bij een boek als dit niets wanneer ik de allerlaatste zin citeer – wellicht de allergrootste les: ‘Tens of millions of dead, the memory of barbed wire and gas chambers, and a sense of unbearable tragedy are the main legacies left by the reckless ideological pledges of the twentieth century to build the City of God here and now’ (p. 233).