Politiek

The Discovery of Chance

The Life and Thought of Alexander Herzen

Door Pankaj Mishra, schrijver en essayist

Deze beschouwing verscheen in de London Review of Books van juni 2017 en is vertaald door Bart Zantvoort.
Pankaj Mishra en Aileen Kelly spreken zaterdag 18 november op de Nexus-conferentie ‘The Last Revolution’

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel
In de door de Sovjet-Unie gesubsidieerde rijdende boekwinkels die mijn provinciale jeugd in het India van de late jaren zeventig en vroege jaren tachtig opluisterden, bevond zich tussen de Engelse vertalingen van Marx, Lenin en verschillende socialistisch-realistische romans altijd een uitgave van Alexander Herzens roman Wie is schuldig? De titel was onweerstaanbaar, en het thema van de verlamming en doelloosheid van het leven in de provincie leek me destijds actueel en urgent. De ‘afspraak met het lot’ die Nehru in 1947 beloofd had leek verder weg dan ooit in een India dat er niet in slaagde de achterstand op het Westen in te halen en een modern, welvarend en rechtvaardig land te worden.

Ik wist zo goed als niets van Herzens achtergrond toen ik zijn werk voor het eerst las. Ik had bijvoorbeeld geen idee dat hij tot de politiek betrokken generatie van Toergenjev, Belinski en Bakoenin behoorde die in de jaren dertig en veertig van de negentiende eeuw volwassen werd, precies op het moment dat pijnlijk duidelijk werd dat Rusland er niet in slaagde het dynamische Europa bij te benen. Ook wist ik niet dat deze afstammeling van een adellijke familie, die door het tsarenregime voor zijn activisme verbannen werd, een groot deel van zijn leven in Europa had doorgebracht in het gezelschap van onruststokers en polemisten als Marx en Mazzini, en was getroffen door het gebruikelijke lot van de politieke banneling: verraad door kameraden, de hoon van een jongere, radicalere generatie, isolement en leed. De introductie van de Sovjet-uitgave verhief hem tot het pantheon van Russische radicalen; hij had, schreef Lenin, ‘een onzelfzuchtige toewijding’ aan de zaak van de revolutie getoond. Het verwonderde me daarom dat ik Herzen een paar jaar later tegenkwam in de essays van Isaiah Berlin als een anticommunist avant la lettre: iemand die het gevaar had ingezien van utopisch denken, dat in het heden menselijke offers eist omwille van een denkbeeldige toekomst. In het werk van Berlin, dat Herzen onder de aandacht van een Angelsaksisch publiek bracht, leek hij meer op een pragmatische liberaal uit de tijd van de Koude Oorlog dan op een revolutionaire socialist.

Het portret (of zelfportret) van Berlin is meer dan een halve eeuw vrijwel onaangetast gebleven. Het werk van Herzen heeft weinig interesse genoten, noch binnen de academische wereld nog daarbuiten, noch ter linker-, noch ter rechterzijde van het politieke spectrum, en de nieuwe biografie van Aileen Kelly zal waarschijnlijk geen grote vernieuwde aandacht tot gevolg hebben, laat staan het type gestage belangstelling dat de reputaties van Marx en Nietzsche tot grote hoogte heeft opgestuwd. In tegenstelling tot zijn venijnige rivaal Marx bood Herzen geen systematische diagnose van het lijden dat het mondiale kapitalisme veroorzaakt, en zeker geen zogenaamd wetenschappelijk plan om de wereld te redden. ‘Logische waarheid’, schreef Herzen, ‘is niet hetzelfde als historische waarheid.’ Hoewel hij eerst aanhanger was van Hegel, net als veel van zijn jonge tijdgenoten in Rusland, wees Herzen de toepassing van een rationeel plan op de politiek later kortweg af. In de geschiedenis, schreef hij ‘is veel te vinden dat toevallig, stom, mislukt en verward is. De rede, het volwassen denken, komt het laatst.’ Met zijn verdenking dat het westerse idealisme een plaatsvervangende religie was met een zeer zwak fundament was hij een voorloper van Nietzsche, maar zijn politieke en persoonlijke affaires namen hem te zeer in beslag om uitgebreide kritieken te schrijven. Zijn voornaamste werken zijn Feiten en gedachten, een mengeling van memoires, essays en brieven, en Van de andere oever, waarin hij zijn val van het geloof in Europese vooruitgangsideologieën opbiecht. Deze werken bieden een complexe indruk van wie er, volgens deze gedesillusioneerde erfgenaam van de mislukte revoluties en opstanden in het negentiende-eeuwse Europa, schuldig waren. Het perspectief van Herzen lijkt, vreemd genoeg, nog steeds opmerkelijk, ook na twee eeuwen van Russische, Aziatische en Afrikaanse reizen naar het Westen: het perspectief van een van ontzag vervulde buitenstaander, die uiteindelijk zijn verlangen naar verlossing door middel van de westerse moderniteit in twijfel begint te trekken.

Herzen, geboren in 1812, het jaar van Napoleons rampzalige invasie van Rusland, was vastbesloten zijn land van de horigheid te bevrijden en het aan te laten sluiten bij de vooruitgangsmars die door de wetenschappelijke en politieke revoluties in West-Europa in gang was gezet. Kelly staat bedachtzaam stil bij de grote denkers die Herzen aandoet tijdens zijn intellectuele en politieke reis door de eerste helft van de negentiende eeuw: Schiller, Hegel, Saint-Simon, Fourier, George Sand, Feuerbach, Louis Blanc en, van groot belang, Proudhon. De jonge Herzen, onder de indruk van en gefascineerd door Europese ideeën en verworvenheden, neigde ernaar de tsaren de schuld te geven voor de erbarmelijke achterlijkheid van zijn land. De slavofielen en gradualisten die voorzichtigheid nastreefden in plaats van radicale verandering, moesten het ook ontgelden. Maar nadat hij Rusland in 1847 voorgoed verliet, waarna hij vooral in Londen leefde, maar ook in Genève en Parijs, vond hij een verraderlijker boosdoener: de zelfingenomen bourgeois, die met zijn slagschepen en dubbelhartige liberale ideologie de rest van de wereld dwong en verleidde mee te doen aan de jacht op het nastreven van het economisch eigenbelang.

Herzen schreef in 1862 aan Toergenjev dat iedereen die was opgegroeid met het idee dat de Russische barbaarsheid te beklagen was en die het Westen idealiseerde, ‘rustig en deemoedig moest erkennen dat de bourgeoisie de uiteindelijke vorm van de westerse beschaving is’. Het nastreven van vrijheid en gelijkheid was een noodzaak, en de bevrijding uit de wereld van het feodalisme, de monarchie en de religie ‘essentieel’, maar de bourgeoisie had ‘zich niet alleen van koningen en slavernij bevrijd, maar van alle sociale verplichtingen, behalve de verplichting bij te dragen aan het inhuren van een regering die hun veiligheid bewaakt’. De beschaving die hij bewonderd had bleek alleen voordeel te bieden aan een minderheid, en ‘werd alleen mogelijk gemaakt door het bestaan van een meerderheid van proletariërs’.

Eurofiele Russen als hij, schreef Herzen, hadden naïef geprobeerd in eigen land een ‘eenzijdige ontwikkeling, een monstruositeit’ te reproduceren, een harteloze levenswijze, ‘die zich consistent heeft ontwikkeld op basis van het landloze proletariaat en het onvoorwaardelijk recht van de eigenaar op zijn bezit.’ ‘Zoals de ridder het prototype van de feodale wereld was,’ schreef hij, ‘zo is de koopman het prototype van de nieuwe wereld.’ Als gevolg ‘is het leven gereduceerd tot een eindeloze strijd om geld… alles dat Europees is in de moderne zin heeft twee eigenschappen die duidelijk voortkomen uit deze handelsmentaliteit: aan de ene kant hypocrisie en achterbaksheid; aan de andere kant exhibitionisme en schone schijn.’

Zijn desillusie leidde ertoe dat Herzen teruggreep op een romantische visie op het land van zijn voorouders. Hij stelde dat hij de voorkeur gaf aan de Russische ‘commune’, omdat deze ongevoelig was gebleken voor de verleiding van rijkdom en privébezit. De Russische boer, onbezoedeld door het egoïsme van de bourgeoisie, leek hem een beter voorbeeld om het gouden midden te vinden tussen sociale samenhang en individuele vrijheid. Ook begon Herzen met een nieuwe blik te kijken naar de Russische bovenklasse, waartoe hij zelf ook behoorde: ook al leidden ze een arbeids- en doelloos leven, toch had hun ‘ziekte’ niet ‘de doordringende, diepgewortelde, subtiele, nerveuze, intelligente, fatale verdorvenheid waardoor de ontwikkelde klassen van West-Europa verrotten, leiden en sterven’.

Herzens kanonnade is minstens even doeltreffend als Marx’ Achttiende Brumaire, vooral wat betreft de manier waarop hij de spot drijft met het Britse parlement vanwege het ‘inhoudsloos ritueel’ van zijn debatten en het ‘de schijn ophouden maar iets te doen’. Maar zijn politieke oordeel is niet makkelijk te scheiden van zijn esthetische en morele oordeel. Het lezen van John Stuart Mill zette hem aan het denken over de ‘opeenhoping van middelmatigheid’ die hij in het Verenigd Koninkrijk overal tegenkwam: ‘de beperking van de geesten en daadkracht van mensen’, ‘de steeds groter wordende oppervlakkigheid’, en het reduceren van ‘algemene menselijke belangen’ tot ‘de belangen van het geldkantoor en de burgerlijke welvaart’. Amerika leek hem, eerder dan Tocquevilles laboratorium van de democratie, een ‘koud, berekenend land’. Wat de Fransen betreft, dat zijn ‘de meest abstracte en religieuze mensen ter wereld’, die ‘alles tot een idool maken, en wee degene die niet buigt voor het idool dat op dat moment aanbeden wordt.’

De tijd die hij voor en na de mislukte revolutie van 1848 in Frankrijk doorbracht, leerde hem de geraffineerde bourgeoisie aldaar kennen, die al lang de idealen van 1789 ondergraven had. Maar in tegenstelling tot Marx, die steeds ambitieuzere plannen ontwierp om de bourgeoisie te vervangen door de arbeidersklasse, kwam Herzen tot de conclusie dat de ‘heersende mening’ niet veranderd kon worden, hoewel politieke onruststokers haar zouden blijven aanvallen. ‘Het is uiteindelijk gebleken’, concludeerde hij, ‘dat bevrijding, net als verlossing, haar belofte niet waar heeft kunnen maken.’ De revoluties ‘hebben in de harten van de mensen nieuwe verlangens ontstoken, maar hebben niet gezorgd voor manieren om deze te bevredigen.’ En dus ‘tonen zich de smachtende volkeren, moe van de strijd en versleten: “Ik heb geen vrijheid, ik heb geen gelijkheid, ik heb geen broederschap.”’ Onderwijl blijft de bourgeois ‘onsamenhangend mompelen over vooruitgang en vrijheid’. Herzen zag in, iets waar Marx niet in slaagde, dat er steeds weer demagogen zouden opstaan om het uitgeputte en verraden volk het opium van het nationalisme aan te bieden: ‘De indeling van de mens in nationaliteiten’, schreef hij in de jaren veertig van die eeuw, ‘wordt steeds meer het armzalige ideaal van de wereld die de revolutie heeft begraven.’ Hij zou het verband tussen de ondermijning van het socialisme en de sociaaldemocratie en de opkomst van het witte nationalisme meteen herkend hebben.

Kelly’s tour d’horizon van het negentiende-eeuwse denken laat zien hoe Herzen de voorstelling van het menselijk handelen bekritiseerde die ten grondslag lag aan teleologische vooruitgangstheorieën. Het doet plezier te zien hoe de visionaire Proudhon, de grensverleggende denker van het anarchistische socialisme, wordt gered van zijn ellendige lot als slechts één van de vele doelwitten van Marx’ kritiek. Ook schrijft Kelly interessant en gedetailleerd over de invloed van Francis Bacon en Charles Darwin op Herzen. Maar de passie – en de gekweldheid – die Herzen voortdreven zijn in haar boek slechts op zeldzame momenten zichtbaar. Kelly citeert Tolstoj als volgt: ‘Herzen wacht op zijn lezers in de toekomst. Ver over de hoofden van het hedendaagse publiek zendt hij zijn gedachten aan hen die ze zullen kunnen begrijpen.’ Haar eigen poging Herzen te presenteren als een intellectuele held voor onze eigen tijd blijft soms hangen in tegenstellingen uit het liberalisme tijdens de Koude Oorlog: zijn werk, schrijft ze, ‘kan nu worden gezien als een uniek vooruitziende aanklacht tegen het politieke messianisme dat pas in de volgende eeuw zijn kwaadaardige hoogtepunt zou bereiken, en dat voor altijd zijn stempel op die eeuw zou achterlaten’.

Herzen was echter een voorloper van vruchtbaarder vormen van intellectuele en morele analyse dan het anti-totalitarisme. Hij verzette zich tegen de verwesterde liberalen in Rusland, die een sterke staat als de aandrijver van het seculiere modernisme zagen. Herzen vreesde dat deze aanhangers van ‘redelijke vrijheid en gematigde vooruitgang’, geschoold in de economische en juridische wetenschap, ons zouden ‘verzoenen met alles dat we verachten en haten’ door de gecentraliseerde bureaucratie te versterken. De boeren zouden ze blootstellen aan geweld en hongersnood, doordat ze hun traditionele samenlevingsvorm zouden vernietigen. In het gunstigste geval, schreef hij, ‘zouden hun verbeteringen ons over anderhalve eeuw in de situatie brengen waaruit Pruisen nu tracht te ontsnappen.’ Dit is een griezelig accurate aanklacht tegen de zelfbenoemde liberalen in postkoloniaal Azië en Afrika, die door hun pogingen modernisering van bovenaf op te leggen er slechts in slaagden de repressieve koloniale staat te versterken.

Herzen slaagde er ook in uit te stijgen boven het soort intellectuele bekrompenheid dat de eurocentrische Marx niet vreemd was: ‘Europa benadert alles in de wereld naar analogie met zichzelf’, schreef hij. Hij verwierp het zogenaamd universele Europese pad van vooruitgang en betoogde dat andere landen hun eigen weg moesten vinden, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden. ‘Waarom’, vroeg hij, ‘zou een land dat zich op zijn eigen manier heeft ontwikkeld, in totaal andere omstandigheden dan West-Europese landen, met andere factoren die een rol spelen in het leven, het Europese verleden moeten doorleven – en dat nog wel terwijl men heel goed weet waar dat verleden toe geleid heeft?’

Zijn kritiek op het narcisme van westerse ideologen en verwesterde beleidsmakers vond later navolging van veel andere critici die het Westen gedesillusioneerd observeerden vanuit het gretig imiterende Oosten. Dostojevski was één van de onwaarschijnlijke figuren die beïnvloed werden door de opruiende anti-westerse sentimenten in Van de andere oever. Veel andere reizigers uit het Oosten, zoals de Indiase dichter Rabindranath Tagore, de Chinese denker Liang Qichao en de islamistische oproerkraaier Said Qutb, zouden zich in Herzens ideeën ook goed kunnen vinden. Herzen, die in opstand kwam tegen de homogene, puur op kopen en consumptie gerichte burgerlijke cultuur, zag verschillen tussen mensen niet alleen als een abstracte waarde, maar als voorwaarde voor intellectuele en esthetische originaliteit. Claude Lévi-Strauss, die streed tegen het idee dat premoderne culturen achterlijk zouden zijn, zou het met Herzen eens zijn geweest dat ‘elke fase van de historische ontwikkeling een doel op zich is, en dus haar eigen beloning en bevrediging in zich draagt.’ En degenen die zich nu beklagen over het feit dat het politieke leven ondermijnd wordt door de mondiale reikwijdte van commerciële, ideologische en financiële netwerken zouden zich zeker kunnen vinden in Herzens inzichten over de beginfase van dit proces. Het ‘gevolg van de dominantie van handel en industrie’, schreef hij, is dat de winkelier ‘aan het stuur van de wereld staat’ en de overheid dwingt ‘het winkelhulpje’ te worden. Tegenwoordig is het nog duidelijker, met de steeds sneller bewegende draaideur tussen de zakenwereld, politiek en media, dat ‘alles – het publiceren van dagbladen, verkiezingen, het parlement – tot een winkel en markt van geldwisselaars is geworden.’

Herzens voornaamste doelwit was niet het communisme maar de ‘laatste religie’, zoals hij het geloof van de liberalen noemde, wiens ‘kerk niet op het hiernamaals, maar op het hier en nu is gericht’, voor wie ‘politieke theorie als theologie geldt’, de politieke theorie die wordt gezien als ‘het laatste woord der beschaving gegrond op het absolute despotisme van het bezit.’ Hij doorzag het hypocriete zelfbeeld van de filosofie en politiek die zich erop lieten voorstaan de individuele vrijheid te verdedigen tegen de staat, maar tegelijkertijd hun principes oplegden met behulp van staatsdwang en -geweld, zoals bijvoorbeeld gebeurde in de imperialistische oorlogen ten behoeve van de vrije handel. ‘Het liberalisme’, schreef hij, ‘heeft geleerd op steeds vernuftiger wijze een onophoudelijk protest tegen de overheid te combineren met permanente onderwerping aan diezelfde overheid.’ Het is niet moeilijk te raden wat hij zou hebben gezegd over de neoliberalen van onze tijd, die continu protesteren tegen de overheid terwijl ze tegelijkertijd op de overheid vertrouwen om het koude, berekenende marktdenken langzaam uit te breiden naar alle aspecten van het menselijk leven (en om de onproductieve en overbodige leden van de maatschappij op te sluiten in steeds uitdijende gevangenissen).

Herzens grote verdienste was dat hij de macht blootlegde die individuen sluw onderwerpt aan een onontkoombaar lot op basis van hun concurrentie- en productievermogen, maar tegelijk lippendienst bewijst aan de ideeën van universele vooruitgang, gelijkheid en vrijheid. ‘Kleinburgerlijkheid’, klaagde hij, ‘is het idee waarnaar Europa streeft, en waar het uit alle punten naartoe lijkt te werken.’ Hij voorzag niet dat de samenleving in de toekomst overal volledig gericht zou zijn op het vreugdeloze project van de competitieve zelfverheerlijking, en dat alle landen die zouden proberen het moderne Westen in te halen ten prooi zouden vallen aan dezelfde dialectiek van burgerlijke ‘vrekkigheid’ en proletarische ‘afgunst’ en de grimmige synthese van etnisch-raciaal nationalisme. Maar de opkomst van demagogen in het heden laat zien dat deze Russische laatkomer in het discours van de moderniteit toch gelijk had met zijn waarschuwing dat uit de algemene ‘onwetendheid’ over de ‘laatste religie’ en haar zeloten ‘rassenhaat en bloedige conflicten’ zouden voortkomen.