Politiek

The End of The West

The Once and Future Europe

David Marquand
Princeton University Press, Princeton, 2011

By Paul Kalma, oud-lid van de Tweede Kamer en oud-directeur van de Wiardi Beckman Stichting

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel
David Marquand is Brits historicus, oud-politicus en auteur van onder meer The Unprincipled Society (1988), The Progressive Dilemma (1999) en The Decline of the Public: The Hollowing Out of Citizenship (2004). Hij omschrijft zichzelf als ‘liberaal sociaal-democraat’. In de jaren zestig en zeventig was hij lid van het Britse Lagerhuis voor de Labour Party en later hielp hij de Social Democratic Party (SDP) oprichten. Europa heeft altijd een belangrijke plaats in zijn werk ingenomen. Marquand adviseerde in Brussel Roy Jenkins, toenmalig voorzitter van de Commissie, en publiceerde regelmatig over Europese samenwerking. Vorig jaar verscheen van zijn hand The End of the West. The Once and Future Europe.

Het boek gaat maar zeer gedeeltelijk over de tanende invloed van ‘het Westen’. De economische en technologische opmars van andere werelddelen, de dalende invloed van westerse mogendheden in de mondiale politiek, de onvermijdelijk bijstelling van het geloof in de westerse cultuur als enige bron van vooruitgang en beschaving: ze vormen niet meer dan het decor voor Marquands analyse van de interne problemen waarin Europa verzeild is geraakt. Die problemen doen volgens hem zowel afbreuk aan de Europese samenwerking zelf als aan het vermogen van de Europese Unie om een eigen, ‘waardige’ rol in de wereldpolitiek te spelen.

The End of the West mondt uit in een even hartstochtelijk als betwistbaar pleidooi voor een grote sprong voorwaarts op dit terrein, namelijk voor een verregaand geïntegreerd, democratisch Europa. ‘The great question now’, aldus Marquand, ‘[is] how to grow a European demos that can sustain a European federation’.

De West-Europese samenwerking na 1945, stelt de schrijver vast, stond vooral in het teken van vrede. In de eerste helft van de vorige eeuw hadden twee oorlogen een bloedig spoor door het continent en de wereld getrokken. De oprichters van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal wilden door economische en politieke samenwerking nieuwe gewapende conflicten tussen de Europese grootmachten onmogelijk maken. Dat is verregaand gelukt, hoewel de oorlog in Zuidoost-Europa (in de jaren negentig, na de ineenstorting van het Sovjetimperium) als onthutsend bewijs kan dienen hoe haat en geweld toch weer kunnen oplaaien. Ook de economische samenwerking zelf verliep succesvol. Welvaartsgroei en een eerlijker verdeling van die welvaart vergrootten de aantrekkingskracht van de oorspronkelijk zes leden tellende Gemeenschap. Verschillende Noord- en West-Europese landen traden toe, evenals Spanje, Portugal en Griekenland. Na de eeuwwisseling volgde een groot aantal Oost-Europese landen.

De Europese Unie blijkt volgens Marquand een ‘astonishingly successfull agent of democratization’ te zijn. De veranderingen in de tien ex-communistische lidstaten vonden zo snel en zo vreedzaam plaats, dat we bijna zouden vergeten dat ze bij hun toetreding bankroet waren en in enkele gevallen zelfs nauwelijks democratische ervaring hadden. Eigenlijk, schrijft hij, hangt er maar één grote schaduw over de uitbreiding in oostelijke richting: de weigering van de Europese Commissie en de regeringsleiders om haar aan de burgers zelf voor te leggen. Instemming van het Europees Parlement vond men voldoende. Zo werd de kans gemist om in een publiek debat over de voors en tegens en over het karakter van het Europees project echte maatschappelijke steun voor de uitbreiding te verwerven. Met als gevolg ‘a resounding victory for democracy and the rule of law – achieved in a scandalously undemocratic way’.

Het gaat daarbij, zo laat de auteur zien, om veel meer dan een incident. De Europese samenwerking, succesvol en waardevol als ze is, heeft van het begin af aan een sterk technocratische inslag gehad. Haar grondleggers, Jean Monnet voorop, combineerden verschillende visionaire, humanistisch gekleurde opvattingen (Europa moet mensen verbinden, geen staten) met de bereidheid tot het sluiten van compromissen. Maar van de alledaagse politieke strijd en het heftige publieke debat hielden ze zich verre. Ze veronderstelden dat de Europese integratie zich inktvlekgewijs, via economische groei en verhoging van de levensstandaard, zou verspreiden. Die houding is volgens Marquand nog altijd kenmerkend voor Brussels village. Haar bewoners zijn zeer bedreven in wandelgangenpolitiek, ‘but they shy away from the politics of the stump, the debating chamber, the pamphlet, or the television studio’.

Die apolitieke houding gaat ons, zo wordt in The End of the West voorspeld, steeds meer opbreken. De problemen rond de Europese integratie nemen namelijk sterk toe.

In politiek opzicht is de positie van de nationale staten, die aanvankelijk nieuwe kracht aan het integratieproces ontleenden[1] en steeds als de fundamenten van het Europese bouwwerk hebben gegolden, verzwakt als gevolg van enerzijds de voortgaande globalisering van de economie en anderzijds de regionalisering (en bijbehorende decentralisatie) in veel grote lidstaten. Dit machtsverlies van de nationale staat wekt bij delen van de bevolking een ressentiment op, dat zich ook tegen Europese samenwerking keert. ‘The state’s loss is not Europe’s gain’.

In cultureel opzicht, deels in aansluiting hierop, wint in veel Europese landen een agressief secularisme veld, met de islamhaat als in het oog springend symptoom. Het zet de problemen van immigratie en integratie onevenredig zwaar aan, reduceert geloofsovertuigingen tot een privéaangelegenheid (‘eating habit’) en miskent de culturele en religieuze verscheidenheid die Europa altijd eigen is geweest. ‘Bosnian Muslims are as European as Danish Lutherans or French secularists’.

Ook op economisch vlak nemen de problemen toe. In het verlengde van de uitbreiding van de Unie (en met het oog op de monetaire machtsverhoudingen) werd een Europese muntunie gevormd. Maar de bijbehorende stap van fiscale integratie, die eurolanden in geval van crisis van de broodnodige financiële en economische steun zou voorzien, bleef achterwege. De keuzes die nu gemaakt moeten worden, zijn volgens Marquand essentieel. Opsplitsing van het eurogebied leidt tot een verdeeld Europa, zoals zware bezuinigingen voor individuele eurolanden economisch en politiek destabiliserend werken.

‘A failure of political imagination and will’, zo vat Marquand zijn kritiek samen, ‘was responsible for the fatal combination of monetary union and fiscal disunion. Only a political decision can correct it. We are witnessing the revenge of politics over economism.’

The End of the West biedt een interessante, breed opgezette analyse van de problemen waarin het Europese project is komen te verkeren. Maar de oplossingen die de schrijver aandraagt, vind ik even verstrekkend als naïef. Hij wil de Europese Unie omvormen tot een federale staat. Wat de Verenigde Staten vele decennia en een burgeroorlog kostte, moet hier sneller zijn beslag krijgen. We hebben in Europa een ingreep nodig ‘comparable to the one that took place in North America 220 years ago’ evenals politieke hervormers van het formaat van Hamilton en Madison. Maar waar haalt Marquand die vandaan? Toch niet uit de Europese Commissie die, naar zijn eigen zeggen, nog altijd technocraten aantrekt ‘like jampots attract wasps’?

Marquands opvattingen over een nieuw Europa botsen, met andere woorden, krachtig met zijn analyse van het huidige Europa. Hij bepleit een federale staat, gebaseerd op een scheiding van machten (vergelijkbaar met ‘the strongly decentralist federalism of Switzerland’). En dat terwijl de belangrijkste reden die hij voor die staatsvorming aanvoert, namelijk de eurocrisis, juist tot verregaande, centralistische ingrepen in het budgetrecht, de organisatie van de publieke sector en zelfs de arbeidsverhoudingen van lidstaten blijkt te leiden. Hij klaagt terecht het gebrek aan democratische structuren en aan een democratisch ethos in de Unie aan. Maar denkt hij werkelijk dat rechtstreekse verkiezing van de voorzitter van de Commissie en invoering van Europa-brede referenda, zoals door hem bepleit, de ‘demos’ zullen doen ontstaan waarmee een Europese democratie staat of valt?

En dan de wraak van de politiek op de economie. Marquand associeert die met de ‘fatale vergissing’ om een Europese muntunie te vormen zonder bijbehorende fiscale en economische integratie. Daar is inderdaad iets grondig misgegaan. Maar als er van wraak sprake is, dan toch in de eerste plaats van de kant van de burgers. De afgelopen dertig jaar is de ‘Rijnlandse’ sociale-markteconomie verdrongen door een harder type kapitalisme, gekenmerkt door winstbejag op korte termijn, groeiende sociale ongelijkheid en meer arbeidsonzekerheid. En de Europese Unie heeft die ontwikkeling, met haar liberale grondslag van vrij economisch verkeer, sterk bevorderd. Groeiende euroscepsis is een begrijpelijke en, bij al het populistisch misbaar, ook gerechtvaardigde reactie op die ontwikkeling. Marquand signaleert de verzwakking van het Rijnlandse model wel, maar ziet de gevolgen voor de steun voor Europa – en zeker voor verdergaande integratie – geheel over het hoofd.

Meer Europese samenwerking is onvermijdelijk en ook wenselijk. Het politieke debat waarop Marquand terecht aandringt, moet niet alleen over de inrichting van de Unie gaan: een democratisch federalisme dan wel een Europa van meerdere snelheden, van keuzemogelijkheden en pluriformiteit. Minstens zo veel aandacht vragen het type economie en het soort levenswijze dat Europa zou moeten kenmerken. Weg van de ‘schraperige, inhalige samenleving’, die de Britse cultuursocialist Richard Tawney negentig jaar geleden al bekritiseerde. En op zoek naar een maatschappij die zich niet alleen laat beoordelen op hoe zij rijkdom produceert en verdeelt, maar ook op hoe zij die rijkdom aanwendt.[2] Ook wie zich meer voor de Europese cultuur interesseert (voor ‘the Europe of the mind’ waarnaar Marquand een aantal keren verwijst) dan voor de organisatie van de economie, mag zich aan dat debat niet onttrekken. Daar is het te belangrijk voor.

 

[1] Zie hierover de befaamde studie van Alan Milward, The European Rescue of the Nation-State, Routledge, Londen, 1992.

[2] Vgl. R.H. Tawney, The Acquisitive Society, Harcourt Brace and Howe, New York, 1920, en R.H. Tawney, Equality, Allen & Unwin, Londen, 1931.