Literatuur

The Event of Literature

Terry Eagleton
Yale University Press, New Haven/Londen, 2012

Door Esther Peeren, universitair hoofddocent Globalisering (UvA)

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel
The Event of Literature is het meest recente boek van Terry Eagleton, de Britse literatuur- en cultuurwetenschapper die vooral bekend staat om zijn marxistische invalshoek. Het is geschreven in de karakteristieke verleidelijke stijl die Eagletons werk zo populair maakt, niet alleen onder academici en studenten, maar ook bij een breder publiek. De hoge mate van leesbaarheid en het pikante laagje van polemische provocaties maskeren echter een gebrek aan diepgang, waaraan met name zijn gewoonte de visies van andere wetenschappers op ongenuanceerde en ontransparante wijze samen te vatten en op één hoop te gooien, bijdraagt.

Desondanks zijn de vragen die Eagleton aansnijdt – en de richtingen die hij inslaat met zijn antwoorden – zonder meer relevant en stimulerend. The Event of Literature kan gezien worden als een vervolg op Eagletons After Theory uit 2003. Waar de titel van dat boek een definitieve afrekening met theorie doet verwachten, blijkt het een bezield pleidooi voor theorie als onmisbare component van een reflexief bestaan. Niet alle theorie heeft echter evenveel waarde volgens Eagleton. Hij betoogt dat zowel de zogenaamde ‘hoge’ theorie (waarmee hij voornamelijk doelt op het poststructuralisme) als de cultuurtheorie (die hij op generaliserende wijze beschuldigt van een obsessie met seks en populaire cultuur) niet in staat is gebleken iets zinnigs te zeggen over de meest urgente politieke kwesties van de hedendaagse globaliserende wereld, zoals honger en onderdrukking. Wat hiervoor in de plaats moet komen, is een nieuwe, op het marxisme gestoelde vorm van theorie die de ambitie heeft politieke invloed uit te oefenen en die noties van waarheid, objectiviteit en moraliteit niet bij voorbaat afwijst, maar ook niet absoluut maakt.

Deze laatste keuze voor een positie tussen essentialisme en relativisme komt terug in The Event of Literature, waarin Eagleton de vraag ‘wat is literatuur?’ op intrigerende wijze relateert aan de filosofische discussie tussen nominalisten en realisten over het al dan niet bestaan van een algemene natuur van de dingen. Hij schetst deze discussie van de middeleeuwen tot de huidige tijd, met Duns Scotus als gematigd voorganger van het volgens Eagleton extreme nominalisme van poststructuralisten als Gilles Deleuze, Michel Foucault en Jacques Derrida (die denken in termen van puur verschil), en Thomas van Aquino als voorloper van het marxisme (dat een gehistoriseerde versie van universaliteit voorstaat).

Vervolgens stapt Eagleton af van zijn eigen eerdere nominalistische positie – verwoord in Literary Theory: An Introduction uit 1983 – dat het begrip ‘literatuur’ geen positieve inhoud kan hebben, door te stellen dat het feit dat literatuur geen essentie heeft, niet betekent dat het geen legitimiteit heeft als een gebruikscategorie waaraan een bepaalde (veranderende) betekenis wordt toegekend. Ludwig Wittgensteins notie van familiegelijkenissen wordt gebruikt om te beargumenteren dat de werken die tot ‘literatuur’ gerekend worden, niet alle onder een sluitende definitie vallen, maar wel een aantal zogenaamd literaire kenmerken bezitten. Geen van deze kenmerken is noodzakelijk of op zichzelf voldoende om een werk tot ‘literatuur’ te maken. Bovendien zijn de kenmerken historisch en cultureel variabel, en empirisch in plaats van theoretisch (wat betekent dat ze niet waterdicht gedefinieerd kunnen worden).

Op basis van de manier waarop het label ‘literatuur’ in de hedendaagse westerse cultuur wordt toegepast, kunnen we volgens Eagleton concluderen dat teksten gezien worden als literair, wanneer ze 1) fictioneel zijn; 2) op een morele manier inzicht geven in de menselijke conditie; 3) taal op een bepaalde manier gebruiken; 4) niet pragmatisch zijn; en/of 5) bijzonder hoog gewaardeerd worden. Deze vijf kenmerken bespreekt Eagleton vervolgens afzonderlijk. Steeds blijkt dat ze niet exclusief aan literatuur toe te schrijven zijn en bovendien niet absoluut onderscheiden kunnen worden van hun tegenhangers. Voor Eagleton is dit geen reden om de kenmerken te verwerpen. Hoewel het bijvoorbeeld onmogelijk is hard te maken dat literaire teksten taal fundamenteel anders gebruiken dan andere taaluitingen, zegt het feit dat zo veel literatuurwetenschappers dit geprobeerd hebben, niettemin iets wezenlijks over literatuur en haar sociale functie.

Aan fictionaliteit wijdt Eagleton een apart hoofdstuk, waarin hij op overtuigende wijze duidelijk maakt dat fictie en literatuur geen synoniemen zijn, maar in de huidige tijd wel grotendeels zo gebruikt worden. Ook laat hij zien hoe moeilijk het is om te bepalen of een werk al dan niet fictioneel is. Dit kan niet afgeleid worden van de auteursintentie (een tekst bedoeld als fictie kan immers als feitelijk gelezen worden) of van de aan- of afwezigheid van referenties naar bestaande personen, plaatsen of gebeurtenissen (deze kunnen immers ook in verzonnen teksten voorkomen). Uiteindelijk, stelt Eagleton, is fictionaliteit een sociale praktijk met bepaalde regels en conventies die bepalen waar de lijn tussen feit en fictie getrokken wordt. Theorieën die fictionaliteit op andere gronden definiëren, kunnen altijd weerlegd worden, maar kunnen desalniettemin interessant zijn doordat ze laten zien wat mensen in fictie zoeken. Aanhangers van de zogenaamde speech act theory hebben bijvoorbeeld geprobeerd fictionaliteit te relateren aan performativiteit, de capaciteit van taal om de dingen die het spreekt, te doen bestaan. In deze visie zijn fictionele teksten, in tegenstelling tot feitelijke, zelf-bepalend en genereren ze hun eigen logica. De aantrekkelijkheid van fictie ligt dan in de manier waarop het een bepaalde vorm van autonomie naar voren brengt en nieuwe (utopische) werelden kan oproepen. Hoewel performativiteit ook in feitelijke teksten en het dagelijks leven voorkomt, wordt literatuur gezien als een vorm waarin het meer ruimte krijgt. Zo is literatuur volgens Eagleton ook in hogere mate meerduidig dan andere taalgebruiken en geeft ze meer vrijheid om te spelen met de heersende normen. Dit betekent niet dat literatuur als fictie absolute vrijheid biedt: Eagleton gebruikt Wittgensteins concept van grammatica – waarbij deze niet functioneert als reflectie, maar als veronderstelling van de wereld – om te laten zien dat fictie begrensd wordt in haar mogelijkheden doordat ze, in de schepping van de fictionele wereld, bepaalde regels tot stand brengt.

In het laatste hoofdstuk van The Event of Literature vraagt Eagleton zich af wat literatuurtheorieën gemeenschappelijk hebben. Wederom past hij het familiegelijkenissenmodel toe en stelt dat er weliswaar geen vaststaand element is dat alle literatuurtheorieën verenigt, maar dat het ook geen kwestie is van ‘alles kan’. Waar de meeste literatuurtheorieën elkaar volgens Eagleton vinden, is in het idee van literatuur als strategie. Het literaire werk is volgens deze opvatting, die uiteengezet wordt op basis van de ideeën van de marxistische literatuurwetenschapper Fredric Jameson, geen reflectie van een externe geschiedenis of ideologie, maar een manier om de werkelijkheid te bewerken. Om ontvankelijk te zijn voor deze bewerking, moet de werkelijkheid deel uitmaken van het literaire werk. En wil de bewerking slagen, dan moet deze ook deel uitmaken van de werkelijkheid. Zo komen we uit bij de titel van het boek: door literatuur – en het lezen ervan – als gebeurtenis te zien (waarbij wat binnen en buiten het werk bestaat, in elkaar overloopt), wordt het aannemelijk dat we literatuur alleen vanuit de praktijk kunnen en moeten duiden en dat het invloed kan uitoefenen op urgente politieke vraagstukken. Het idee van literatuur als strategie in deze zin is niet gebruikelijk in de literatuurtheorie (Eagleton onderscheidt zelf maar een handvol theoretici die deze richting op gaan), maar het is niettemin een aantrekkelijke visie, met name omdat het literatuur middenin de wereld plaatst.

The Event of Literature is dus zeker de moeite van het lezen waard, al blijft het jammer dat Eagleton zo veel meer energie besteedt aan het ageren tegen visies waarvan hij het belang en de invloed schromelijk overschat (zoals die van Stanley Fish) of die hij consequent versimpelt en veralgemeniseert (zoals het postmodernisme en poststructuralisme), dan aan het nauwkeurig uitwerken van zijn eigen ideeën.