Wetenschap

The Value of the Humanities

Helen Small
Oxford University Press, Oxford, 2013

Door Janna van Strien, redacteur Geestdrift en communicatiewetenschapper

Bestel de besproken boeken bij Athenaeum Boekhandel
Rens Bod, De vergeten wetenschappen
Helen Small, The Value of the Humanities

Wetenschap moet nuttig zijn, zo is de strekking van het discours in de huidige samenleving. En als één discipline vaak haar nut moet verdedigen, dan is het wel die van de geesteswetenschappen. Het is daarom niet vreemd dat er veel over het belang en de waarde van de humaniora wordt gepubliceerd, waaronder De vergeten wetenschappen van Rens Bod en The Value of the Humanities van Helen Small. In deze boeken laten de auteurs zien waarom de geesteswetenschappen belangrijk voor onze samenleving zijn, waarbij ze beiden een verschillende invalshoek kiezen. Zo wordt eveneens duidelijk waarom de geesteswetenschappen zo vaak hun betekenis moeten verdedigen. Volgens Bod zijn wij – de titel van zijn werk zegt het al – vergeten wat ze ons hebben opgeleverd en nog steeds opleveren. Uit het boek van Small blijkt dat de waarde van de geesteswetenschappen niet altijd eenvoudig te bepalen is; ‘nuttig zijn’ wordt namelijk vaak in verband gebracht met meetbaarheid, zoals bijvoorbeeld uitgedrukt in een economisch belang. En de humaniora houden zich bezig met zaken die doorgaans moeilijk meetbaar zijn.

Small vindt dan ook dat we naar andere dan alleen economische waarden moeten kijken. In The Value of the Humanities onderzoekt ze vijf veelgebruikte argumenten voor het belang van de geesteswetenschappen. De eerste invalshoek die ze verkent, is het argument dat de humaniora in het heden en verleden betekenisgevende praktijken van de menselijke cultuur bestuderen. Hierbij richten ze zich op duiding, kritische beoordeling en het onvermijdelijke probleem van subjectiviteit. Small ziet dit als een duidelijk verschil in aanpak tussen de geesteswetenschappen en andere takken van de wetenschapsbeoefening. De tweede aanname die ze onderzoekt, stelt dat de geesteswetenschappen van waarde zijn voor de samenleving omdat zij de manier waarop overheden het begrip nut opvatten, bevragen – en dan vooral het vooropstellen van het economisch nut en de wijze waarop dit wordt gemeten. Vervolgens neemt Small de stelling onder de loep dat de geesteswetenschappen bijdragen aan ons individueel en collectief geluk. Hiermee wordt vooral bedoeld dat de geesteswetenschappen ons kunnen helpen te begrijpen wat geluk is, hoe we onszelf gelukkiger kunnen maken en hoe educatie hierbij een rol kan spelen. Ten vierde onderzoekt ze de bewering dat de humaniora onmisbaar zijn voor onze democratie. Wat heeft betrekking op ons vermogen tot reflectie, argumentatie, kritisch redeneren en het speculatief toetsen van ideeën? Deze vaardigheden leveren een substantiële bijdrage aan het functioneren van de democratie. De vijfde stelling is dat de geesteswetenschappen nuttig zouden zijn ‘for their own sake’. Alle eerdere argumenten ten faveure van voor de humaniora zouden niet toereikend zijn zonder deze laatste claim, die stelt dat ze ‘good in themselves’ zijn. Small probeert elke stelling te toetsen, bijvoorbeeld door te kijken of deze vandaag de dag nog steeds relevant is. Aan het einde van haar boek concludeert ze dat al deze argumenten overeind blijven. Maar Small stelt daarnaast dat deze beweringen zo hun beperkingen kennen. Belangrijk is vooral dat alle bovengenoemde aanspraken niet op zichzelf staan, maar elkaar aanvullen en zo samen het nut en het belang van de geesteswetenschappen onderschrijven.

Het boek van Bod is, naar eigen zeggen, een zoektocht naar patronen in het geesteswetenschappelijke materiaal aan de hand van methodische principes. Op deze manier geeft Bod een uitgebreid historisch overzicht van wat uit de geesteswetenschappen is voortgekomen. In De vergeten wetenschappen wordt de geschiedenis van de humaniora opgedeeld in oudheid, middeleeuwen, vroegmoderne tijd en moderne tijd. Hierbij kijkt Bod niet alleen naar de westerse wereld, maar besteedt hij ook aandacht aan onder andere China en India. Binnen de tijdsvakken kijkt Bod naar verschillende vakgebieden van de geesteswetenschappen. Zo loopt zijn beschrijving uiteen van het ontstaan van de geschiedschrijving tot de opkomst van de mediastudies. Met zijn vele voorbeelden van wat de geesteswetenschappen hebben betekend, laat Bod zien dat deze wel degelijk de wereld hebben veranderd. In 1449 kon bijvoorbeeld aan de hand van bronreconstructie worden vastgesteld dat er Egyptische koningen leefden vóór de algemeen aanvaarde scheppingsdatum. Dit gegeven werd tijdens de Reformatie gebruikt door Maarten Luther als bewijsstuk tegen de wereldlijke macht van de katholieke kerk en zorgde in de loop van de zeventiende en achttiende eeuw voor de felle Bijbelkritiek waarmee de Verlichting werd ingeluid. Aan het einde van zijn werk geeft Bod ook zijn visie op de toekomst van de geesteswetenschappen. Naar zijn mening floreren de geesteswetenschappen (nog steeds) op het gebied van onderzoek en bieden bijvoorbeeld de Digital Humanities grote mogelijkheden voor onze samenleving.

De achtergrond van beide auteurs sluit aan bij hun benadering van het thema. Small, een literatuurwetenschapper, blijft erg binnen de kaders van de geesteswetenschappen. Ze is bovendien van mening dat de humaniora geenszins te vergelijken zijn met bijvoorbeeld de sociale wetenschappen of de bètawetenschappen. Bod, die zowel natuurkunde, informatica, kunstgeschiedenis als algemene letteren studeerde, beziet het nut van geesteswetenschappen vanuit een veel breder perspectief. Hierbij is hij van mening dat er geen radicaal verschil valt te ontdekken tussen de natuur- en geesteswetenschappen. Het wordt in zijn boek duidelijk dat de humaniora op bepaalde punten eigenschappen en onderzoeksmethoden delen met de natuurwetenschappen, en dat bepaalde ontwikkelingen van de bètawetenschappen voortkomen uit de geesteswetenschappen. Zo wordt vaak gedacht dat het zoeken naar patronen aan de hand van methodische principes enkel tot de bètawetenschappen behoort. Bod laat echter zien dat dit niet alleen terug te vinden is in het waarnemen van de levende en dode natuur, maar ook in het waarnemen van taal, kunst en muziek. Kortom, zowel de geesteswetenschappen als de bètawetenschappen zoeken naar onderliggende patronen die zij proberen te gieten in logische, procedurele of mathematische formaliseringen. Oorspronkelijk bestond er ook geen duidelijk onderscheid tussen de alfa- en bètawetenschappen. Veel iconen van de natuurwetenschappen blijken tevens alfawetenschappers te zijn; zo was Galileo een van de belangrijkste vroegmoderne muziekonderzoekers en Kepler een eminent filoloog, terwijl Newton het grootste deel van zijn leven besteedde aan filologische theologie en geschiedschrijving.

Het is interessant om te zien dat beide boeken een duidelijk verschillende visie hebben op de geesteswetenschappen. Beide dragen voldoende argumenten aan voor het nut van de humaniora, maar als je het boek van Bod leest naast dat van Small, krijg je de indruk dat zij de geesteswetenschappen eigenlijk te kort doet. Natuurlijk zijn de door haar benoemde aspecten van de humaniora van belang, maar ze lijkt niet te erkennen dat de geesteswetenschappen ook op een veel concreter niveau nut hebben (gehad). De vergeten wetenschappen is verrassender en zal naar mijn verwachting meer mensen overtuigen van het nut van de geesteswetenschappen. Desondanks zijn het twee zeer interessante en goed geschreven boeken, die zeker de moeite waard zijn voor iedereen die meer wil weten over de waarde van de humaniora. De samenleving mag het belang van de geesteswetenschappen niet onderschatten. Om af te sluiten met een variant op een uitspraak van Bod: de geesteswetenschappen kan men beter niet voor lief nemen, maar liefhébben.