Geschiedenis

Thinking the Twentieth Century

Tony Judt & Timothy Snyder
Penguin, Londen, 2012

Door Thomas van de Ven, student wijsbegeerte KU Leuven/RUG

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel
In 2008 werd de gerenommeerde Britse historicus Tony Judt getroffen door de spierziekte ALS, waaraan hij twee jaar later zou overlijden. Gedurende de laatste maanden van zijn leven trachtte Judt nog zo veel mogelijk op papier te zetten om zijn brede kennis en visie te delen met de wereld. Hoewel het ziekteproces grotendeels pijnloos verliep, weerhielden zijn fysieke omstandigheden hem ervan om daadwerkelijk de pen ter hand te nemen. Eind 2008 werd Judt benaderd door zijn vriend en goede collega Timothy Snyder met het voorstel een boek samen te stellen op basis van opgenomen lange gesprekken tussen beide historici. Na enige aarzeling ging Judt akkoord. Het resultaat is dit monumentale boek, Thinking the Twentieth Century, van twee Angelsaksische intellectuelen die een bijzondere voorliefde delen voor continentaal Europa. Een werk dat zich laat typeren als een indrukwekkende ideeëngeschiedenis van de twintigste eeuw, maar tegelijkertijd veel meer is dan dat. De uiteenzettingen en reflecties worden voorafgegaan door Judts vertellingen over de meest prominente gebeurtenissen in zijn leven. Zo maakt de lezer onder meer kennis met de joodse achtergrond van zijn ouders, zijn studietijd in Cambridge en zijn periodes in Amerika. Maar uiteindelijk is het boek toch vooral een gesprek tussen twee mannen die een buitengewone kennis bezitten van de westerse twintigste eeuw; het boek concentreert zich op Europa en de Verenigde Staten, wat de titel van het boek enigszins overtrokken maakt. Steeds weer stelt de jongere Snyder vragen, waarna de oude, meer ervaren Judt met ontluikende helderheid en eruditie zijn vriend van inzichten voorziet. Hoewel de heren vaak op één lijn zitten, weet de meester af en toe de leerling te corrigeren of diens argumenten te weerleggen.

Hoewel het boek een doolhof kan zijn van namen, begrippen en gebeurtenissen, valt er toch zeker een rode draad te ontdekken: het boek richt zich op de grote verhalen van de twintigste eeuw; een strijd tussen seculiere ideologieën waarbij het liberalisme zich volgens Judt onverwacht tot winnaar kroonde. De historicus staat bekend om zijn kritische houding ten aanzien van elke ideologische gedachte. Evenals de filosoof John Gray kent hij huiver voor het utopisch denken, dat in de twintigste eeuw gevaarlijke vormen aannam en waarbij geweld een centrale rol speelde. In naam van een toekomstig paradijs is alles geoorloofd in het gebrekkige heden. Terreur en chaos staan ten dienste van een morgenrood dat zich beroept op gelijkheid, democratie of het Arische ras. In navolging van Isaiah Berlin neemt Judt liever een realistische houding aan en erkent hij dat elke politieke keuze zowel positieve als negatieve effecten tot gevolg kan hebben.

Judt kan zelf als kind van deze ideologische twintigste eeuw worden beschouwd. Als zoon van marxistische Oost-Europese joden studeerde hij moderne geschiedenis en trok hij voor zijn doctoraat naar Parijs en de Provence om daar het socialisme te bestuderen. Halverwege zijn academische carrière veranderde Judt van focus en ruilde hij de Franse sociale geschiedenis in voor de politiek van Midden- en Oost-Europa.

De politiek-filosofische besprekingen van de twee historici monden uit in een pleidooi voor sociaaldemocratie. Net als in zijn andere recent verschenen boek Ill Fares the Land (2010, Ned. vert. Het land is moe)pleit Judt voor een herwaardering van deze bestuurlijke vorm als antwoord op de huidige westerse problemen en angsten. Ofschoon Judt het belang van een liberale vrije markt erkent, waarschuwt hij voor een doorgeschoten focus op economische efficiëntie ten koste van een moreel bewustzijn. In de context van de huidige crisis en de neiging tot privatisering kan zijn denken mijns inziens dan ook als belangrijk startpunt dienen voor het debat over de politieke invulling van onze toekomst. Met de succesverhalen van Noord- en West-Europese landen in het achterhoofd verdedigt Judt de verzorgingsstaat en diens weloverwogen staatsinmenging. Zonder geweld of druk is de sociaaldemocratie in staat geweest bestuurders en bestuurden samen te brengen op basis van een pact dat enerzijds de vrijheden van de burgers erkent en anderzijds de instituties van de overheid respecteert.

Tegen de achtergrond van politieke ideeën staat de rol van het individu centraal in het gesprek. Zo geeft het boek een interessante kijk op de positie van de historicus. Judt beroept zich in dit kader nog steeds op de kracht van het verhaal binnen de geschiedschrijving. In zijn ogen is een goede historicus in staat het verleden chronologisch te begrijpen aan de hand van patronen en het markeren van grenzen. In datzelfde categoriseren schuilt echter ook een gevaar: het blijft uiteindelijk de mens die de lijnen trekt, waarbij selectie en generalisaties onvermijdelijk zijn. Een gesprek dat rijk is aan abstracte begrippen en overkoepelende redenaties mag de uitzondering, het toevallige en het lokale niet vergeten.

Dit is een inzicht dat beide heren gelukkig verwerven tijdens het gesprek. Het verhaal van de historicus gaat hand in hand met verantwoordelijkheid. Hij of zij kent de verplichting mensen van noodzakelijke feiten te voorzien en het verhaal op een coherente manier te rechtvaardigen en uit te leggen. Bovenal heeft de historicus de taak het verleden recht te zetten en op die manier een positieve bijdrage te leveren aan het collectieve bewustzijn.

Tot slot weerspiegelt het gesprek de taken en zonden van de intellectuele wereld. Terugkijkend op de twintigste eeuw, blijft het voor Judt verbazingwekkend en treurig dat zo veel wijze mensen zijn vergiftigd door het utopische verhaal. Mannen als Jean-Paul Sartre en André Gide vielen blind voor de charmes van het communisme en herkenden pas laat de dramatische offers. Desondanks is er voor diezelfde intellectueel nog steeds een rol weggelegd, hoe beperkt die in de huidige wereld ook mag zijn. In de ogen van Judt belichaamt de geleerde meer dan de wil tot waarheid. De intellectueel dient met zijn of haar kennis mensen wakker te schudden en hen van hun mythen en illusies te bevrijden. Aan de hand van helder schrijfwerk spreekt de intellectueel zich uit, niet bang eventueel impopulaire standpunten te verkondigen. De persoon Judt kan zelf als voorbeeld van dit nobele ideaal worden gezien; met de nodige dapperheid bekritiseerde hij het Israëlische beleid in het Midden-Oosten en de Amerikaanse politiek rond Irak.

Het accent op moed, plicht en opmerkzaamheid in het gesprek onthult uiteindelijk een inspirerende boodschap: terwijl de mens verhalen schept, behoort de intellectueel deze, waar nodig, weer af te breken. A never ending story.