Filosofie

Troost in filosofie

Boëthius
Damon, 2019
Vertaald door Piet Gerbrandy

Bestel dit boek via ons partnerprogramma met Athenaeum Boekhandel
 

Door Thomas Heij, filosoof en Nexus-redacteur

In 523 werd Anicius Manlius Torquatus Severinus Boëthius, jarenlang een van de machtigste magistraten van het West-Romeinse rijk, plots ontdaan van al zijn macht en gevangengezet in Pavia. Hij werd het slachtoffer van een machtsstrijd aan de top. Een eerlijk proces werd het niet en de redenen voor zijn veroordeling bleven vaag. Niet veel later werd Boëthius op bevel van koning Theoderik, met wie hij zo goed bevriend was geweest, geëxecuteerd.

In zijn jaren in Pavia schreef Boëthius een persoonlijk en literair-filosofisch boek. Geïnspireerd door de situatie waarin hij verzeild was geraakt en het onrecht dat hem was aangedaan, zette hij zijn gedachtes op papier. Het resultaat, dat De consolatione philosophiae werd genoemd, zou uitgroeien tot een van de meest gelezen boeken in de Middeleeuwen en een klassieker in de filosofische canon. Onlangs verscheen onder de titel Troost in filosofie een gloednieuwe vertaling van de hand van Piet Gerbrandy, die zo meesterlijk is vervaardigd dat de lezer moeiteloos de bijna vijftien tussenliggende eeuwen overbrugt.

De vijf boeken van Troost (zoals Gerbrandy het afkort) beschrijven een gesprek tussen de ik-persoon – Boëthius – en Filosofie, een verpersoonlijking van de filosofie. Grofweg de eerste helft is een kritische beschouwing van het menselijk gedrag en werpt een aantal vragen op die in de tweede, opbouwende helft door Filosofie worden beantwoord. Boëthius gaat als het ware in therapie bij Filosofie, die hem probeert te troosten en op het rechte pad te krijgen.

De eerste boeken zijn vooral geïnspireerd door stoïcijnse en platoonse opvattingen, die aan de hand van aristotelische logica naar voren gebracht worden. Boëthius stemt gewillig in met de redeneringen van Filosofie. Prachtige beeldspraken worden afgewisseld met pakkende oneliners en prozastukken zijn doorregen met liederen. Neem dit fragment uit het vierde lied:

Wie wolkeloos zijn leven op orde heeft,
het arrogante lot in de tang kan nemen
en zonder een spier te vertrekken beide vormen
van Fortuna recht durft aan te kijken,
hem zal de dreigende gekte van de zee
die vanaf de bodem haar golfslag omwoelt,
noch het rokende vuur dat de Vesuvius
onberekenbaar uit zijn schoorsteen uitbraakt,
noch de baan van de bliksem die vaak hoge
torens treft, ook maar even uit het veld slaan.

Is dat geen prachtige belofte voor iemand die gevangen zit? Een typisch stoïcijnse houding bovendien, waarin Boëthius graag meegaat in afwachting van een antwoord op zijn vragen.

De grote vragen die Boëthius opwerpt, komen voort uit zijn penibele situatie: hoe moet hij zich verhouden tot het noodlot? Als er een god is, waar komt het kwaad dan vandaan, en waar komt het goede vandaan als er geen god is? Als God alles voorziet, bestaat er dan voor de mens wel vrijheid? Het zijn vragen die concreet en urgent worden in het licht van Boëthius’ gevangenschap.

In Boek II introduceert Filosofie het idee van het rad van fortuin. Wie zich laat meevoeren door het lot, is ook overgeleverd aan haar grillen. Geniet van de hoogtepunten, zegt Filosofie, maar weet wel dat je uiterlijk genot ooit weer kwijt zult raken en ‘niets is onfortuinlijker dan het besef succesvol geweest te zijn’.

Beter is het dus om niet te vertrouwen op uiterlijkheden als macht, roem, geld en genot. Roem en genot zijn maar beperkt en vluchtig, en met bezit komt altijd de zorg om het te verliezen en de zucht naar meer. Bovendien gaat het vergaren van geld vaak ten koste van anderen: ‘Wat een beperkte en armzalige rijkdom (…) die een enkeling niet kan krijgen zonder alle anderen arm te maken!’ Dit leest na al die eeuwen nog steeds als een actuele kritiek, denk maar aan de recente nieuwsberichten over het feit dat de rijkste één procent van de wereldbevolking meer dan de helft van al het vermogen bezit.

Filosofie lijkt hiermee ook te zeggen dat wat Boëthius is kwijtgeraakt er eigenlijk niet toe doet. In de tweede helft van Troost toont Filosofie waar het volgens haar op aankomt. Kort gezegd is dat deugdzaamheid en een geloof in God. Vanaf dan wordt het werk een stuk abstracter en spreekt Filosofie vooral over goed en kwaad, en de goddelijke voorzienigheid.

In de twee laatste boeken concludeert Filosofie: al wat bestaat is goed en God voorziet alles. Dit onderbouwt ze met een ingewikkelde maar vernuftige filosofische oplossing. Ze onderscheidt de wereld om ons heen, die wij in de tijd kunnen waarnemen, van dat wat daaraan ontstijgt, het domein van God. Wat betreft goed en kwaad kan alleen God werkelijk oordelen, omdat hij alleen Hij het grote geheel doorziet. Dat doorzien doet God buiten de tijd, in een ‘eeuwig nu’, wat Filosofie ‘voorzienigheid’ noemt en onderscheidt van het ‘noodlot’ dat alleen gaat over afzonderlijke verschijnselen binnen de tijd.

Boëthius begint te protesteren, aangezien deze opvattingen niet alleen moeilijk te vatten zijn, maar ook niet stroken met alledaagse opvattingen en zijn eigen ervaringen. Uiteindelijk valt hij stil, krijgt Filosofie het laatste woord en heeft Troost in zekere zin dus een open einde. Is Boëthius met alle redeneringen van Filosofie iets opgeschoten? Wordt hij geholpen met de filosofische begripsverkenningen? Is hij daadwerkelijk getroost? Een eenduidig antwoord blijft uit.

Waarschijnlijk is dat een van de redenen dat het nog steeds een veelgelezen boek is. Troost in filosofie is daarnaast om historische redenen een bijzonder werk – vanwege de rijkdom aan klassieke invloeden van bijvoorbeeld Plato, Aristoteles en het stoïcisme enerzijds, en neoplatonisme en christelijk denken. Maar het is ook een echte klassieker vanwege de tijdloze thema’s.

De vorige Nederlandse vertaling is die van R.F.M. Brouwer uit 1990. ‘Hoe verdienstelijk die vertaling in vele opzichten ook is,’ schrijft Gerbrandy, ‘het werd tijd voor een nieuwe.’ En Gerbrandy laat zien waarom. Zo laat hij het oorspronkelijk metrum van de liederen los en dat levert heel leesbare, krachtige gedichten op.

Ook het proza is bij Gerbrandy soepel, hedendaags en toch rijk Nederlands. Dat zit hem in de woordkeuze: bij Brouwer lezen we bijvoorbeeld ‘fatum’, ‘lethargie’, ‘porismata’ en ‘collarium’, bij Gerbrandy wordt dat respectievelijk ‘noodlot’, ‘depressie’, ‘douceurtje’ en ‘kleinigheidje’. Waar Brouwer koos voor ‘de zee van dit bestaan’, kiest Gerbrandy voor ‘het zwalpen van dit leven’. Maar ook in zinsconstructies, waarbij kleine keuzes een groot verschil maken:

 ‘Wie heeft die hoerige artiestes bij deze zieke toegelaten? Niet alleen kunnen ze hem geen enkel soelaas bieden voor zijn kwalen, maar met hun verleidelijk gif geven ze er nog voedsel aan ook.’ (Brouwer, p.69)

‘Wie heeft die podiumhoertjes toestemming gegeven bij deze patiënt op bezoek te komen, hoewel ze zijn pijn niet alleen op geen enkele manier verzachten maar zelfs voeden met smakelijk gif?’ (Gerbrandy, p.48)

Gerbrandy heeft er alles aan gedaan om de tekst ook voor niet-specialisten toegankelijk te maken. Zijn inleiding is duidelijk en enthousiast, de voetnoten zijn verhelderend, maar de grootste verdienste van Gerbrandy is zijn mooie, speelse vertaling. Al met al bepaald geen schrale Troost.