Samenleving

Waartoe is de universiteit op aarde?

Ad Verbrugge en Jelle van Baardewijk (red.)
Boom, Amsterdam, 2014

Door Mike Videler, student Liberal Arts and Sciences aan University College Utrecht en rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Utrecht

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel
Sinds de recente protesten in het Bungehuis en het Maagdenhuis zijn de zorgen van studenten en docenten over misstanden en veranderingen bij de Nederlandse universiteiten ook voor het grote publiek zichtbaar geworden. Na enkele weken leidden de grootschalige protesten tot een lijst met hervormingen en tot het aftreden van Louise Gunning, voorzitter van het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam. Nog steeds zijn de belangrijkste vragen die gesteld moeten worden: wat is het bestaansrecht van de universiteit en waar dient het academisch onderzoek en onderwijs toe?

Tijdens de Nacht van de Universiteit in juni 2014, presenteerden Ad Verbrugge en Jelle van Baardewijk een bundel met opstellen, getiteld Waartoe is de universiteit op aarde?. De bundel is een verzameling van twintig opstellen over de universiteit als instituut, geschreven door zowel academici als studenten. De auteurs geven hun persoonlijke en onderbouwde mening over de invulling van de onderwijs- en onderzoeksfunctie en over het management van de universiteit van de afgelopen twintig jaar. De veelzijdigheid van de universiteit vindt in de bundel zijn vertolking in de verscheidenheid aan onderwerpen en kritische opinies die door de auteurs gepresenteerd worden.

De bundel behandelt de historische ontwikkeling van de universiteit om het huidige debat van een historisch kader te voorzien. Neem bijvoorbeeld de ‘Westerse canon’ zoals die zich in de negentiende eeuw ontwikkelde. Hierin werd een groot aantal Westerse denkers bestudeerd om inzicht te krijgen in de grote levensvragen. Het hoger onderwijs had toen ook een morele doelstelling en er was ruimte voor Bildung. Deze visie op onderwijs wordt in een studentenbijdrage gecontrasteerd met het hedendaagse onderwijs, waarvan een weinig rooskleurig beeld wordt geschetst. Volgens de studenten missen de meeste docenten tegenwoordig een passie voor kennisoverdracht en stellen zij hun verwachtingen steeds verder naar beneden bij. Volgens de studenten hebben ook docenten zich de ‘zesjescultuur’ eigen gemaakt. Academici die in de bundel aan het woord komen, leggen haarfijn uit waar de dalende onderwijskwaliteit zijn oorsprong heeft. Ten eerste wordt onderwijs door de academicus steeds meer gezien als bijzaak en iets wat hem van zijn onderzoek afhoudt. Daarnaast lijken universiteitsbesturen vooral waarde te hechten aan het bouwen van dure onderwijscomplexen en andere ‘zichtbare verbeteringen’.

Er wordt ook geklaagd over het micromanagement op de universiteiten. Wetenschappers moeten continu verantwoording afleggen aan het bestuur en de managementlaag ertussenin, wat het wederzijds vertrouwen tussen bestuur en academici aantast. Dit soort management, ‘New Public Management’ genoemd, kent ook gevolgen voor het onderwijs. Elke onderwijshandeling moet namelijk een meetbare uitkomst hebben die iets oplevert. In het onderwijs gaat het dan natuurlijk om het afleveren van afgestudeerden – liefst ‘binnen de tijd’, want die leveren de universiteit financiering van de overheid op. En zo verandert de universiteit in een koekjesfabriek, waar uniformiteit en productie boven kwaliteit gaan.

De universiteit is niet alleen afhankelijk van externe financiering voor onderwijs, maar ook voor onderzoek. De strijd om onderzoeksgelden maakt van de moderne onderzoeker een getraind voorstelschrijver. Universiteiten huren zelfs heuse onderzoeksgeldenexperts in om onderzoekers de fijne kneepjes van het schrijven van een onderzoeksvoorstel te leren. Goed voor de schrijfvaardigheid en overtuigingskracht van de hoopvolle onderzoeker, maar de kans dat hij daadwerkelijk een beurs bemachtigt blijft klein. En zonder toelages loopt de carrière op de klippen, want het binnenhalen van externe onderzoeksgelden is een van de belangrijkste promotiecriteria. Daarnaast is het aantal gepubliceerde artikelen – boeken tellen niet mee! – een belangrijke indicator van kwaliteit, terwijl het oordeel van collega-academici nauwelijks nog een rol speelt. Bij academisch carrièremanagement is er niet zozeer sprake van een hogere lat, maar van een anderelat: een uniforme meetlat.

De huidige academische cultuur kent nog een zorg: agendasetting. De academici in de bundel betreuren het dat hun onderzoeksagenda wordt ingekleurd door politieke en ambtelijke instellingen zoals de Europese Commissie en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De Nederlandse regering heeft bijvoorbeeld een topsectorenbeleid ontwikkelt en richt zich in haar financieringsaanpak het liefst alleen op wetenschap die iets oplevert: economische groei en toegenomen werkgelegenheid (lees: behartiging van belangen van het bedrijfsleven). Met een chique woord heet dit ‘valorisatie’, maar de auteurs zien hierin een aantasting van de academische onafhankelijkheid.

Ik onderschrijf de zorgen die worden geuit over het Nederlandse universitaire onderwijs. Uit eigen ervaring weet ik dat bijvoorbeeld de lesmethode bij de studie rechten niet aansluit bij de verwachtingen van kritische studenten die menen dat de studie bedoeld is om wetenschappelijke methoden te leren beheersen en toepassen. Wat eigenlijk bekend stond als het verwerven van juridische vaardigheden en gedegen vakkennis opdoen, wordt door hen al spottend ‘een trucje leren’ genoemd. Voor kritische reflectie op bijvoorbeeld de wenselijkheid van bepaalde regels is geen ruimte. Docenten vertelden ons geregeld dat we niet aanwezig waren om over het recht als zodanig te praten of te filosoferen, maar om het recht te leren toepassen. Trucjes leren dus.

Nu is rechtsgeleerdheid misschien een bijzonder geval vanwege de nadruk op het vormen van praktijkklare juristen, maar we moeten niet vergeten dat deze opleiding voor een groot deel van de studenten hun eerste contact is met wetenschappelijke methodes. Hun vorming wordt erdoor bepaald. De juridische praktijk in handen geven van juristen zonder kritische en reflectieve vaardigheden is wat mij betreft even onwenselijk als het toevertrouwen van het bancaire stelsel aan amorele en kortzichtige bankiers.

Een makkelijke, eenduidige oplossing voor al deze problemen in het onderwijs is niet gemakkelijk te vinden. De auteurs in de bundel zijn het erover eens dat de problemen op de academie al beginnen op het middelbaar onderwijs. Daardoor komen studenten die beginnen aan een wetenschappelijke opleiding kennis en vaardigheden tekort, en is hun motivatie en arbeidsethos vaak ondermaats.

Ook de geuite kritiek op de universiteit als onderzoeksinstituut is terecht. Hyperspecialisatie, externe financiering en de publicatiedruk bepalen voor een groot deel het huidige onderzoeksklimaat. Als student-assistent heb ik van dichtbij kunnen zien hoe complete proefschriften per hoofdstuk worden omgeschreven in publiceerbare artikelen en hoeveel tijd geïnvesteerd wordt in het schrijven van onderzoeksvoorstellen aan externe financiers. Enigszins begrijpelijk is het allemaal wel: de academicus wil ook carrière maken. Maar tegelijkertijd is het jammer om te zien dat kritische, onafhankelijke onderzoekers inmiddels overvleugeld worden door managers. De alwetende academicus staat in de schaduw van de almetende manager.

Waartoe is de universiteit op aarde? is een oproep om de universiteit haar eigen keuzes te laten maken en haar eigen rol in de samenleving te laten bepalen. De universiteit dient bevrijd te worden van externe inmenging op het terrein waar zij per definitie het hoogste woord heeft: kennisvergaring en kennisverspreiding. Hiervoor is het volgens de auteurs wel van belang dat de universiteit zichzelf bezint op haar rol. De bundel biedt aan de geïnteresseerde buitenstaander een bron van informatie en inspireert hopelijk de gefrustreerde academicus. Verandering is nodig, maar gebeurt nooit vanzelf.