Humanisme

We zijn toch geen brein?

Alva Noë
Lemniscaat, Rotterdam, 2012
Vertaling Marjolein Stoltenkamp

Door Herman Kolk, emeritus hoogleraar neuropsychologie (RUN)

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

We leven in een tijd waarin ons voortdurend wordt voorgehouden dat de hersenen bepalen wat wij denken en doen, voelen en waarnemen. Maar, betoogt Alva Noë, auteur van We zijn toch geen brein?, we zijn zoveel meer dan onze hersenen. We functioneren in een fysieke en sociale omgeving, en we hebben een lichaam dat ons bewustzijn en ons handelen mede bepaalt. De hersenen vormen niet meer dan een hulpmiddel. Ze brengen geen bewustzijn voort zoals een kachel hitte produceert. Je kunt ze beter vergelijken met een muziekinstrument. Ze dragen ertoe bij dat we ons in onze omgeving en in ons lichaam thuis voelen.

We moeten ook af van het idee dat hersenscans een directe afbeelding vormen van mentale verschijnselen. Ze zijn slechts op een zeer indirecte manier met deze verschijnselen verbonden – en het verband blijft altijd hypothetisch. Hersenactiviteit in de zogenaamde ‘visuele schors’ heeft ook niets dat onmiskenbaar visueel is. Eigenlijk is het hele idee dat het bewustzijn iets is dat in ons brein zit, principieel onjuist. Niemand heeft ooit kunnen uitleggen hoe de hersenen een bewuste ervaring kunnen voortbrengen en dus kunnen we dit hele idee beter laten varen. Bewustzijn is iets wat we actief doen, in dynamische interactie met de wereld om ons heen. De wereld die zich aan ons voordoet, is geladen is met waarde: suiker, licht, seks, familie. Die wereld stuurt ons.

Misschien heeft de dwaalleer die de hersenwetenschap verkondigt haar oorsprong in de opvatting dat we in diepste wezen denkers zijn. Die opvatting is al heel oud: ze gaat terug op filosofen als Plato en Descartes. Maar we zijn juist gewoontedieren. En gewoonten zijn aan de situatie of aan de omgeving gekoppeld. Door onze gewoonten passen we als vanzelf in onze omgeving. Als we voortdurend zouden moeten nadenken, zouden we de soepele stroom van ons handelen verstoren en gaan stuntelen. Neem bijvoorbeeld onze omgang met anderen. Er wordt als vanzelfsprekend aangenomen dat we uitsluitend toegang hebben tot het gedrag van anderen en dat hun geest verborgen en privé is. We kunnen ons gedrag dus alleen op anderen afstemmen door hun intenties te reconstrueren. In hun kleutertijd leren kinderen een ‘theory of mind’ te ontwerpen die hen daartoe in staat stelt. Maar kinderen zijn al veel eerder gevoelig voor wat anderen beweegt. Dat zien we zelfs in de vroegste vorm van sociale interactie: die tussen moeder en kind. Moeders beginnen hun kind te wiegen als dat even niet drinkt; van hun kant wachten baby’s met drinken tot de moeder met wiegen ophoudt. Dit kun je zien als een primitieve vorm van iets om beurten doen, die zich kennelijk spontaan ontwikkelt; er gaat geen ingewikkeld theoretiseren aan vooraf. Wanneer in een experimentele situatie de moeder – op verzoek van de proefleider – haar gezicht zo onbewogen mogelijk houdt wanneer ze haar kind aankijkt, raakt het kind van streek. Het doet pogingen de aandacht van de moeder terug te krijgen en een reactie bij haar op te wekken. Zulke sociale dynamiek tussen moeder en kind vormt het proces waardoor het mentale leven van het kind tot stand komt. De moeder is een van de structuren die het ‘psychologisch landschap’ van het kind vormgeeft.

Ook als we onze weg moeten vinden in de fysieke omgeving, hoeven we niet te ‘denken’. We weten hoe we van de ene plek naar de andere moeten komen in de stad waar wij wonen. Dat is niet omdat we de hele stadsplattegrond uit ons hoofd hebben geleerd. De omgeving zelf stelt ons in staat onze weg te vinden: wegwijzers, straatnamen en oriëntatiepunten leiden ons. Ons inzicht en onze kennis zijn niet autonoom, ze kunnen niet los worden gezien van de omgeving.

Het boek van Noë is prettig leesbaar. Het is mogelijk dat lezers er nieuwe feiten in ontdekken. Maar is het overtuigend? Volstrekt niet. We zijn volgens de auteur dynamisch ingebed in onze omgeving en harmoniëren ermee: we voelen ons erin thuis. Helemaal waar: ik zou het niet beter kunnen zeggen. Maar hoe komt die harmonie tot stand? Daar spreekt hij niet over. Hij suggereert alleen steeds maar opnieuw dat het allemaal vanzelf gaat, omdat het berust op onze gewoonten. Gewoonten ontstaan echter pas na een leerproces en leren impliceert dat er iets verandert. Maar wat verandert er? De omgeving verandert niet als we iets leren: wij veranderen zelf. We verwerven kennis of vaardigheid. En dat gebeurt doordat er iets wordt opgeslagen; in de hersenen natuurlijk, waar anders? Nemen we als voorbeeld het thuis raken in een stad. We kennen geen plattegrond van die stad uit ons hoofd, beweert de auteur, we hebben genoeg aan straatnamen en herkenningspunten. Die zullen zeker helpen, maar de vraag is in hoeverre. In elk geval slaan mensen en dieren plattegronden op, en wel in de hippocampus. In een geruchtmakend onderzoek is enige jaren geleden aangetoond dat Londense taxichauffeurs een relatief grote hippocampus bezitten, het gevolg van hun overvloedige ruimtelijke ervaring. En dit hersengebied is ook nog eens groter naarmate ze langer in dienst zijn. Ik durf te wedden dat taxichauffeurs die alleen letten op straatnamen en herkenningspunten, elke dag hopeloos verdwalen of uren te laat op de plaats van bestemming aankomen.

Volgens de auteur is bewustzijn niet iets wat in de hersenen zit. Ruimtelijk inzicht is in elk geval wel in de hersenen aanwezig, maar men kan zich afvragen hoe bewust dat inzicht is. Maar bewuste ervaring als zodanig zit ook echt in de hersenen. Wanneer wij ons een voorstelling maken, zeg van een gezicht, wordt het hersengebied actief, dat ook actief wordt als we een gezicht waarnemen. Deze voorstelling vormt dus een stukje bewustzijn dat ‘in de hersenen’ zit. Men kan het niet toeschrijven aan een dynamische interactie met de omgeving, omdat die omgeving op het moment van de voorstelling niet (meer) aanwezig is. Noë meldt deze bevinding wel, maar beseft kennelijk niet hoezeer dit resultaat in strijd is met zijn centrale stelling.

De auteur doet geen enkele poging te verklaren hoe het individu in staat is in harmonie te leven met zijn omgeving. Sterker nog, hij geeft er nergens blijk van ook maar enig begrip te hebben van wat zo’n verklaring zou inhouden. Wel vindt hij het een grote fout de mens te vergelijken met een computer. Maar als we iets geleerd hebben van die vergelijking, is het nu juist wat er allemaal komt kijken bij de verklaring van het meest alledaagse gedrag, zoals het besturen van een auto in druk verkeer. Die les is aan de auteur kennelijk voorbijgegaan.