delaunay2

What Can Cure a Civilization in Crisis?

Door Rob Riemen, oprichter-directeur van het Nexus Instituut, ter introductie van de Nexus-conferentie 2026.

 

‘De denker van nu heeft een belangrijke taak: de stethoscoop op onze beschaving leggen en luisteren’, aldus Victor Hugo in een van zijn reflecties over de politiek-maatschappelijke werkelijkheid waarmee hij zo nu en dan het meeslepende verhaal over de bewogen levensgeschiedenis van zijn held Jean Valjean in zijn monumentale roman Les Misérables onderbreekt.

We zijn als lezer aangekomen bij het zevende boek in het vierde deel, waarin Victor Hugo ons onder andere meeneemt in een beschouwing over de lotgevallen van beschavingen. Hij stelt vast dat tal van antieke beschavingen ten onder zijn gegaan, zonder dat we nu kunnen weten waardoor. Des te belangrijker is het voor hem om de zwakheden, de misvormingen van onze eigen beschaving te kennen: ‘Onze beschaving is het werk van twintig eeuwen, en daarvan zowel het monster als het wonder. Zij is het waard te worden gered. En dat zal gebeuren. Haar leed verzachten is al iets, er inzicht in bieden nog beter. Al het werk van de sociale filosofie moet daarop gericht zijn.’ Precies zoals Hugo er met zijn roman, zo kunnen we hieraan toevoegen, op is gericht om het vereiste inzicht te bieden om de beschaving te redden van het sociale gevaar, de misère die haar bedreigt. Van de armoede, de honger onder de verschoppelingen van de maatschappij — zoals Jean Valjean, een goed mens dat tot dwangarbeid wordt veroordeeld enkel en alleen om het stelen van wat brood om zijn honger te stillen –, de slechtheid van profiteurs van andermans ellende, de sociale ongelijkheid door het egoïsme van een gegoede burgerij, de genadeloze justitie met enkel oog voor de wet en die blind is voor rechtvaardigheid…

Dit alles hoeft niet zo te zijn. Nog niet zo lang geleden, zo betoogt Hugo, had het moedige Franse volk met haar revolutie in 1789 de ketenen van onrecht en onvrijheid gebroken, en zo de gehele wereld weer een beschavingsideaal geschonken van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Alleen: ‘Het verleden begint opnieuw. De verjonging van een kadaver is verbazingwekkend. Kijk hoe het aan komt marcheren. Het lijkt een overwinnaar. Deze dode is een veroveraar. Hij komt met zijn legioen, het bijgeloof, met zijn zwaard, het despotisme, met zijn vlag, de onwetendheid. Hij nadert, hij dreigt, hij lacht, hij staat voor onze poorten…’

Les Misérables is in 1862 Victor Hugo’s eigen stethoscoop om de gezondheid van de beschaving mee te onderzoeken. En wie zichzelf het genoegen gunt om dit magistrale en ontroerende epos te lezen, zal zich snel genoeg realiseren dat deze roman als stethoscoop ruim 160 jaren later niets aan waarde heeft ingeboet.

*

Thomas Mann was er net als Victor Hugo diep van overtuigd dat een denker de belangrijke taak heeft om een stethoscoop op onze beschaving te leggen, te luisteren en zo ziekteverschijnselen op het spoor te komen…

Op 20 april 1919 begint Mann opnieuw te werken aan zijn roman De toverberg, waar hij sinds het uitbreken van de oorlog in 1914 mee was gestopt. Dat een sanatorium voor de behandeling van tuberculose in het hooggebergte van de Zwitserse Alpen de plaats van handeling is voor dit verhaal over de toekomst van Europa, is geen toeval. De Europese beschaving is namelijk ziek, doodziek zelfs.

Slechts enkele maanden voordat Mann zijn vulpen weer ter hand neemt om verder te schrijven aan De toverberg, is er een einde gekomen aan een oorlog waarin Europa in vier jaren tijd zijn eigen beschaving en wereldorde heeft verwoest en waarin het leven van miljoenen mensen is geruïneerd. Het geloof van vroeger — van voor de oorlog, in God of wetenschap, socialisme of liberalisme, in de ingeboren goedheid van mensen en de macht van de menselijke rede die de mensheid het lonkend perspectief van een nimmer aflatende Vooruitgang beloven — is de nog levende generatie ontnomen.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Mann in de zomer van 1919 met instemming het een jaar eerder verschenen eerste deel van Oswald Spenglers De ondergang van het Avondland leest. In tegenstelling tot Victor Hugo, die nog overtuigd was van het feit dat onze beschaving, ondanks alle ziektes en misvormingen, nog te redden was, weet Spengler, naar zijn eigen overtuiging met wetenschappelijke precisie, een duistere toekomst te voorspellen waar niet aan te ontkomen valt: de westerse beschaving is gedoemd en zal noodzakelijkerwijs hetzelfde lot ondergaan als de Babylonische en Egyptische beschavingen: vervallen en verdwijnen.

Deze sombere conclusie baseert Spengler allereerst op het fundamentele onderscheid dat hij in navolging van Kant en Nietzsche maakt tussen Kultur en Zivilisation. Het eerste begrip wijst op de innerlijke, geestelijke beschaving met haar morele en religieuze waarden. Het tweede begrip op de uiterlijke, materiële beschaving. Het is een historische wetmatigheid, aldus Spengler, dat een cultuurperiode organisch zal overgaan in een per definitie uiterlijke beschaving, de Zivilisation. Deze zal gekenmerkt worden door rationalisme, relativisme, bureaucratie, massificatie, verwetenschappelijking, liberalisme, technologisering, de macht van het geld. De laatste fase van de immer zielloze Zivilisation is ‘caesarisme’, een imperialistische machtspolitiek die met oorlog en in bloedstromen een einde zal maken aan de democratie.

In de visie van Spengler heeft elk werelddeel zijn eigen cultuur en kun je daarom ook niet spreken van universele waarden; alle waarden zijn relatief. ‘Vrijheid’ is wat hem betreft een twijfelachtig begrip, want alle maatschappelijke ontwikkelingen staan al vast. Het Europese werelddeel wordt gekenmerkt door een faustische Kultur, dat wil zeggen gedreven door een rusteloos zoeken naar oneindige kennis en zelfvervolmaking. De westerse mens, profeteert Spengler, zal eindigen als een slaaf van zijn eigen schepping: de techniek…

De betovering die Mann aanvankelijk ondergaat, verdwijnt anno 1921 naarmate hij zich gaat realiseren dat Spengler niet eens een pessimist maar een defaitist is: het lot van de beschaving staat vast, er zal niet aan te ontsnappen zijn. Niet alleen dat, Mann ziet nu opeens een geleerde voor zich voor wie het begrip ‘mensheid’ een leeg begrip is. Hij is een erudiet met een inhumaan karakter, een man die vijandig staat tegenover een beschavingsideaal waarin de waardigheid van elke individu vooropstaat. Het finale oordeel van Mann: Spengler is een snob die in plaats van liefde voor het leven niets anders te bieden heeft dan Verkalkungs-Prophetie.

Nu Spenglers werk hem niet de stethoscoop biedt waarmee hij een diagnose kan stellen van onze beschaving, wat biedt hem die dan wel?

Het is 1921 en het zijn verwarrende tijden. Europa ligt in puin. In Duitsland zijn de mensen door alle armoede, geweld en een vrijwel uitzichtloze situatie redeloos en radeloos. Ondertussen proberen politici in Weimar krampachtig het voormalige eeuwenoude Duitse Keizerrijk om te vormen tot een democratische republiek.

In het aangezicht van zo een vervallen beschaving, is het voor Thomas Mann urgenter dan ooit om het antwoord te vinden op vragen als: Wat is beschaving? Kan de beschaving die Hugo wilde redden nog wel gered worden? Moet ze niet vervangen worden door een ander beschavingsideaal?

Met deze vragen in het achterhoofd onderbreekt Mann eind juli 1921 opnieuw het schrijven van De toverberg en begint hij te werken aan een lezing over de verschillende levensvisies van Goethe en Tolstoj, een lezing die hij in september 1921 in zijn geboortestad Lübeck zal uitspreken. Tegen het einde van zijn lezing moet hij vaststellen dat met de bolsjewistische revolutie, waarmee in oktober 1917 Lenin in Rusland aan de macht komt, in dat immense land, maar nu ook in Duitsland en de rest van de wereld, een tijdperk aan zijn einde is gekomen: ‘het burgerlijke-humanistische tijdperk, ontstaan ten tijde van de Renaissance in Europa, aan de macht gekomen met de Franse Revolutie en waarvan men nu de laatste stuiptrekkingen kan bijwonen’. Deze historische gebeurtenis roept bij hem de volgende existentiële vraag op:

Wij zullen heden de vraag moeten stellen of de mediterraan-klassiek-humanistische traditie een geestelijke erfenis is die voor de gehele mensheid van betekenis zal blijven, en dus eeuwig en universeel is, dan wel dat het niet meer dan een idee was, een bijkomstig onderdeel van een tijdperk, het burgerlijk-liberale tijdperk, en met haar zal sterven?

Vier jaren later, in februari 1925, wanneer Mann zijn lezing ‘Goethe und Tolstoi. Fragmente zum Problem der Humanität’ (‘Goethe en Tolstoj. Fragmenten over het probleem van de menselijkheid’) uitwerkt tot een omvangrijk essay, voegt hij het volgende antwoord toe aan de vraag die hij had gesteld:

Europa lijkt deze vraag al te hebben beantwoord. De antiliberale afkeer is meer dan duidelijk, hij is flagrant. Politiek drukt hij zich uit in de verveelde weerzin tegen de parlementaire democratie, in een in duistere dampen gehulde wending naar dictatuur en terreur. Het Italiaanse fascisme is niets anders dan het spiegelbeeld van het Russische bolsjewisme, en de malle imitatie van de oude Romeinse gebaren en uniformen, kan zijn vijandigheid ten aanzien van de menselijkheid niet verbergen. En over het Duits fascisme hoeven we niet veel te zeggen. Het mag volstaan om op te merken dat het een etnische religie is, welke niet alleen het internationale jodendom, maar ook het christendom haat als menslievende machten, en dat de hogepriesters van dit Duitse fascisme eveneens het humanisme van onze klassieken haten.

Het is een antwoord dat hij zelf niet deelt. Integendeel, het is een antwoord waar hij zich met alle geestkracht in hem tegen verzet en zal blijven verzetten!

Op 27 september 1924 heeft hij het werk aan De toverberg voltooid en in de jaren dat hij deze roman aan het schrijven is, is hij tot het inzicht gekomen dat het wezen van beschaving wat hem betreft wel degelijk gelegen is in die mediterraan-klassiek-humanistische traditie die eeuwig en universeel moet zijn. Dit idee van beschaving zal voor hem de stethoscoop zijn waarmee hij de verdere maatschappelijke ontwikkelingen zal onderzoeken.

In tal van essays en lezingen zal Thomas Mann zijn beschavingsideaal als volgt onder woorden brengen: beschaving is niets anders dan het cultiveren van morele en geestelijke waarden, het is een cultuur die uitdrukking geeft aan het streven van de mens zich de idee van het mens-zijn eigen te maken, zijn ingeboren verplichting van een houding van eerbied voor God, de rede, waarheid en recht — zijn drang naar menselijke waardigheid. In dit beschavingsideaal is geen plaats voor geweld, geestelijke vorming door Bildung is essentieel, en de eenheid van de mensheid is voorondersteld. Het zal gekenmerkt zijn door trouw aan de humaniteit door liefde, goedheid en een sociale rechtvaardigheid die het beste wordt gediend door sociaaldemocratische politiek.

In het bezit nu van deze stethoscoop, beziet Mann met toenemende zorg vanuit zijn woonplaats München, de stad waar ook de heer Hitler actief is, de daaropvolgende jaren de toenemende populariteit van het Duits fascisme onder het Duitse volk. Wanneer in september 1930 de partij van Hitler een monsterzege haalt bij de parlementsverkiezingen, is zijn zorg over wat dit kan betekenen voor de toekomst van Duitsland en Europa zo groot dat hij besluit om een al eerder geplande lezing in oktober in Berlijn te benutten om zich met kracht van argumenten uit te spreken tegen het dreigende gevaar van een fascistisch Duitsland.

Wanneer in Berlijn het gerucht de ronde doet over wat Mann voornemens is met zijn toespraak ‘Deutsche Ansprache. Ein Appell an die Vernunft’ (‘Duitse rede. Een appel op het verstand’) weet dr. Joseph Goebbels, Hitlers vertrouweling en belast met het verspreiden van het gedachtegoed van hun Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei, dat het tijd wordt voor actie.

Dr. Goebbels rekruteert twintig mannen van de paramilitaire Sturmabteiling (sa) om samen met hem de lezing van Thomas Mann bij te wonen. Om niet al te veel op te vallen instrueert hij zijn knokploeg om een smoking te huren en op het gepaste moment de toespraak van Mann zoveel mogelijk te verstoren. (Cancel culture is van oudsher een beproefd wapen van elke vorm van totalitarisme).

Thomas Mann begint zijn toespraak met de vaststelling dat de beroerde economische omstandigheden geen afdoende verklaring bieden voor de enorme populariteit van het Duitse fascisme. Daarom is het belangrijk het feit te onderkennen dat een groot deel van het volk bewust afscheid heeft genomen van de humanistische, geestelijke en morele waarden. Bij hen, zo vervolgt hij, heeft het geloof in menselijke waardigheid door het cultiveren van de rede, rechtvaardigheid en vrijheid, plaatsgemaakt voor de excentrieke barbarij van een massademocratie. Deze massademocratie is verzot op techniek, lawaai en de sensatie van sportrecords. Ze koestert racisme, nationalisme en een barbaars orgiastische levensfilosofie als het uitleven van onze meest primitieve instincten, irrationalisme en fanatisme.

Bij deze opmerkingen beginnen de aanwezige fascisten luidkeels te schreeuwen in een poging Mann onverstaanbaar te laten zijn. Ze worden de zaal uitgezet, maar de volgende dag, op 18 oktober 1930, kon Goebbels met een zekere trots in zijn dagboek noteren: ‘Mijn mannen hebben Thomas Mann op de kop gespuugd nu hij ons met zijn toespraak heeft beledigd door ons “barbaren” te noemen’!

Dr. Goebbels was niet de enige die zich gekwetst voelde door de toespraak van de schrijver die een jaar daarvoor nog de Nobelprijs had ontvangen en daarom in de ogen van Goebbels cum suis, als Dichter und Denker Deutschlands, het beschavingsideaal van het fascisme juist zou moeten ondersteunen. Hetzelfde gold voor een jonge, dertigjarige germanist in Hamburg, dr. Rudolf Ibel. Het is een idealist met grote liefde voor en kennis van de Duitse klassieke literatuur, trots op zijn lidmaatschap van het plaatselijke Goethe-Gesellschaft.

Om al deze redenen vindt hij de opmerkingen van Mann onacceptabel en in januari 1931 publiceert hij in Der Kreis: Zeitschrift für künstlerische Kultur zijn scherpe repliek. Hij verwijt Mann niet te beseffen dat na de wereldoorlog al die begrippen van het Europese burgerdom uit de negentiende eeuw — vrijheid, gerechtigheid, Bildung, optimisme — al hun betekenis hebben verloren, en nu niet meer dan het relict zijn van een ontgoddelijkte beschaving. De enige ware beschaving heeft niets meer met rationalisme en geest te maken, maar kan weer bestaan dankzij de verbondenheid met het eigen volk, het eigen bloed, het eigen ras, de levenskrachtige instincten in het dynamische onbewuste, heldendom…

Iemand moet het weinig bekende tijdschrift Mann onder ogen hebben gebracht, want al een week later, nog op vakantie in het Zwitserse St. Moritz, besluit hij om naar aanleiding van het artikel van de jonge Duitse academicus diens kritiek niet onweersproken te laten.

Dr. Ibel zelf is voor Mann niet meer dan de zoveelste academicus die veel heeft gelezen maar, zoals zo vaak, evenredig weinig heeft begrepen. Juist, echter, omdat dr. Ibel zijn academische status en kennis van de Duitse klassieken wil gebruiken om de fascistische ideologie een zeker intellectueel aanzien te geven en haar te poneren als een nieuw, meer eigentijds beschavingsideaal, weet Mann zich genoodzaakt tot het schrijven van een weerwoord onder de titel ‘Die Wiedergeburt der Anständigkeit’ (‘De wedergeboorte van het fatsoen’). Hij herhaalt daarin dat begrippen als ‘waarheid’, ‘vrijheid’ en ‘gerechtigheid’ verworvenheden zijn van de negentiende eeuw die niet verloren mogen gaan, juist omdat alleen deze universele waarden die eenheid van de mensheid waarborgen en zo zorg dragen voor een ‘fatsoenlijke samenleving’. De ideeën die dr. Ibel propageert, concludeert Mann, kunnen alleen maar leiden tot een samenleving waaruit elke vorm van fatsoen tegenover medemensen is verdwenen, en vervolgens tot een allesvernietigende oorlog.

Twee jaren later, in februari 1933, wordt dr. Ibel lid van de nsdap en begint voor Thomas Mann zijn ballingschap.

*

In januari 1936 wordt George Orwell door de uitgever Victor Gollancz gevraagd of hij interesse heeft om een boek te schrijven over het lot van de mijnwerkers in Noord-Engeland. Gollancz is een uitgever die het pacifisme en het socialisme zeer is toegedaan, en in diezelfde maand heeft hij ook de Left Book Club opgericht, om zo socialistische ideeën te kunnen verspreiden in de strijd tegen het opkomend fascisme. Het boek dat hij Orwell heeft gevraagd te schrijven zal dan ook onder de leden van de Left Book Club worden verspreid.

In december levert Orwell het manuscript in van The Road to Wigan Pier. Het is een boek geworden dat uit twee delen bestaat. In het eerste deel, conform het verzoek van de uitgever, beschrijft Orwell op een aangrijpende wijze de sociale en economische misère van de mijnwerkers die, als ze al het geluk hebben om niet werkloos te zijn, onder de meest erbarmelijke omstandigheden voor bitter weinig geld hun gevaarlijke werk diep onder de grond moeten doen. Geraakt door alles wat hij daar moet aanschouwen, merkt hij beschaamd op dat ‘intellectuelen en linkse mensen’ in het algemeen liever het feit negeren dat ‘all of us really owe the comparative decency of our lives to poor drudges underground…

Dit eerste deel is exact waar Victor Gollancz op hoopte en dat hij zijn Left Book Club met plezier als los deel aanbiedt.

Meer problemen heeft hij echter met het tweede deel, waarin Orwell de gelegenheid benut om te reflecteren op een zorg die hem meer dan ooit bezighoudt:

What I am concerned with is the fact that Socialism is losing ground exactly where it ought to be gaining it. With so much in its favour — for every empty belly is an argument for Socialism — the idea of Socialism is less widely accepted than it was ten years ago. The average thinking person nowadays is not merely not a socialist, he is actively hostile to Socialism.

Dit alles is voor Orwell des te verontrustender omdat het, wat hem betreft, zo evident is dat alleen het socialisme een einde kan maken aan de sociale onrechtvaardigheid van een klassenmaatschappij, de armoede en economische ongelijkheid, omdat alleen het socialisme een beschavingsideaal biedt waar vrijheid en rechtvaardigheid de pijlers van zijn. En toch is het overduidelijk: ‘At this moment Socialism is almost everywhere in retreat before the onslaught of Fascism, and events are moving at a terrible speed.

Juist omdat hij zelf socialist is, neemt Orwell het op zich om de advocaat van de duivel te spelen, want om verdedigd te kunnen worden moet het eerst aangevallen zijn. En het is hier dat Orwell met een aantal constateringen komt die Victor Gollancz niet ten onrechte als nogal pijnlijk ervaart voor hemzelf en de leden van zijn Left Book Club.

Wat niet helpt, zo constateert Orwell, is dat lieden die zich erop laten voorstaan socialist te zijn, al te vaak ‘vegetarische, fruitsap drinkende, op sandalen lopende, pacifisten of feministen zijn’ die zich als zodanig moreel superieur opstellen ten aanzien van de bier drinkende en gehaktballen etende arbeiders. Wat ook niet helpt is het gebruik van het socialistisch-marxistische jargon waar niemand die niet academisch geschoold is iets van begrijpt. Evenmin helpt het voortdurende gescheld op de gegoede burgerij, alsof links niets anders is dan haat. Het socialisme, zo vervolgt Orwell, is niet los te zien van de opkomst van de industrialisering met haar machines. De idee dat het ‘socialistische paradijs’ zou bestaan uit een maatschappij waar dankzij de machines alles geordend en efficiënt is en niemand nog hoeft te werken, plus de obsessie met economie, alsof ieder mens slechts een ‘homo economicus’ is zonder een ziel, drijft mensen alleen maar in de greep van de fascisten.

Dat de linkse wereld niet vrij is van hypocrisie, illustreert Orwell aan de hand van het volgende:

Under the capitalist system, in order that England may live in comparative comfort, a hundred million Indians must live on the verge of starvation […]. The alternative is to throw the Empire overboard and reduce England to a cold and unimportant little island where we should all have to work very hard and live mainly on herrings and potatoes. That’s the very last thing that any left-winger wants. Yet the left-winger continues to feel that he has no moral responsibility for imperialism. He is perfectly ready to accept the products of the Empire and to save his soul by sneering at the people who hold the Empire together.

Orwell benoemt dit alles, juist omdat het socialisme de enige maatschappelijke kracht is die volgens hem het fascisme kan verslaan: ‘Socialism is the only real enemy that Fascism has to face. The capitalist-imperialist governments, even though they themselves are about to be plundered, will not fight with any conviction against Fascism as such’. Het fascisme kan echter alleen overwonnen worden wanneer socialisten ophouden wereldvreemde, betweterige en doctrinaire types te zijn, en een breed publiek ervan bewust weet te maken dat het socialistische maatschappelijk ideaal veel meer is dan alleen maar economische rechtvaardigheid. Socialisme staat voor Orwell gelijk aan ‘common decency’. Het is ‘justice and liberty’ en de verwezenlijking daarvan zal gepaard gaan met ‘immense changes in our civilisation and way of life’.

Een week nadat hij het manuscript van The Road to Wigan Pier bij Victor Gollancz heeft ingeleverd, vertrekt Orwell naar Barcelona om daar aan de zijde van de Spaanse republikeinen te vechten tegen de fascistische troepen van Franco. In zijn twee jaren later gepubliceerde Homage to Catalonia, over zijn ervaringen en observaties tijdens de Spaanse Burgeroorlog, merkt hij op:

When I came to Spain, and for some time afterwards, I was not only uninterested in the political situation but unaware of it. I knew there was a war on, but I had no notion what kind of war. If you had asked me why I had joined the militia I should have answered: ‘To fight against fascism,’ and if you had asked me what I was fighting for, I should have answered: ‘Common decency’.

Het is uiterst onwaarschijnlijk dat George Orwell kennis heeft kunnen nemen van Thomas Manns essay over ‘De wedergeboorte van het fatsoen’. Des te opmerkelijker is het dat twee schrijvers met een zo verschillende achtergrond, beiden het begrip ‘fatsoen’ deel laten zijn van hun stethoscoop om de gezondheid van een beschaving te kunnen onderzoeken.

*

Ze zal door haar tuberculose nog maar enkele maanden leven als in januari 1943 de Franse filosofe, mystica en politiek activiste Simone Weil het verzoek honoreert van André Philip, prominent lid van de door generaal De Gaulle opgerichte beweging van vrije Franse strijdkrachten, France libre, om haar ideeën op papier te zetten over wat er in de maatschappij moet veranderen opdat alles wat geleid heeft tot een eerste en een tweede wereldoorlog zich niet nog eens kan voordoen.

Ondanks haar ziekte — ze wordt geplaagd door chronische hoofdpijnen en is ook nog eens ernstig verzwakt omdat ze uit solidariteit met alle armen en gevangenen niet veel wil eten — begint Weil te werken aan een document dat haar pleidooi zal worden voor een nieuwe beschaving die na de oorlog gerealiseerd moet worden. Zonder dat nieuwe beschavingsideaal voorziet zij dat de mensheid onvermijdelijk op een gegeven moment de totale destructie over zichzelf afroept.

De essentie van haar ruim twaalfhonderd pagina’s tellende document benoemt ze al in haar titel: L’Enracinement. Prélude à une déclaration des devoirs envers l’être humain (Geworteldheid. Prelude tot een verklaring van plichten jegens de mens).

Mensen, zo begint Weil haar betoog, kunnen alleen maar rechten hebben als ze ook plichten hebben. De belangrijkste plicht is gerelateerd aan het feit dat de bestemming van de mens gelegen is in zijn verbondenheid met iets heiligs, iets dat eeuwig en universeel is: het absoluut goede. Omwille van deze verbondenheid, dit geworteld-zijn, is onze eerste plicht er een van respect: respect voor God, onze medemensen, de Aarde en onze eigen waardigheid.

We zijn dit verloren omdat we ‘ontworteld’ zijn geraakt, en verder leven zonder een besef van schoonheid, cultuur, traditie. Dit lot treft vooral de mensen met wie Simone Weil het meest begaan is: de arbeiders. Meer nog dan Orwell trekt zij zich het lot van de arbeidersklasse aan: uit solidariteit gaat ze zelf ook in een fabriek werken. Aldaar ervaart ze aan den lijve dat het kapitalisme – maar, zoals ze vervolgens beseft, ook het kolonialisme en totalitarisme — machten zijn die de arbeider hebben gereduceerd tot niet meer dan een verlengstuk van de machine, een ding waarin het denken vernietigd is. Daarom beschouwt ze het als de eerste roeping van haar tijd om een nieuwe beschaving te funderen op ‘la spiritualité du travail — de spiritualiteit van het werk’. Werk moet heel veel meer zijn dan enkel de noodzaak om geld te verdienen. Wanneer werk echt betekenisvol is, dan zal het de mens de gelegenheid bieden om de ware grootheid van het mens-zijn zich eigen te maken.

Ze vervolgt haar betoog met de observatie: ‘Mensen hebben nu meer behoefte aan grootheid dan aan brood, en er zijn slechts twee soorten grootheid: de ware grootheid, welke van een geestelijke orde is, en de oude leugen, die van het veroveren van de wereld. Verovering is een surrogaatgrootheid.’ Echter, bijna niemand is zich hier nog van bewust, want: ‘Ons tijdperk is zo vergiftigd door leugen dat het alles dat het aanraakt in een leugen verandert.’ Eén van de leugens waar we in zijn gaan geloven, is dat alleen macht telt, dat macht een doel op zich zou zijn.

Simone Weil detecteert vier obstakels die ons scheiden van een waardevolle beschaving, vier obstakels die we eerst zullen moeten overwinnen om die nieuwe beschaving mogelijk te maken: ‘Onze verkeerde opvatting van grootheid, de teloorgang van het rechtsgevoel, onze blinde verering van geld en ons gebrek aan religieuze inspiratie.’

*

George Orwell zou een vijfde obstakel toevoegen aan het lijstje van Simone Weil: de consequenties van een totalitaire politieke en technologische macht. Dat wordt het onderwerp van het verhaal waar hij in 1947 aan begint te schrijven, met als titel 1984.

Dat in een tijdperk waarin God dood is verklaard en het christendom in verval is, er in het Westen ruimte ontstaat voor wereldbeschouwingen als het fascisme, nationaalsocialisme en marxisme-leninisme — die de mensheid een nieuwe beschaving beloven, een beschaving die niet een hemels paradijs, maar een paradijs op aarde zou garanderen — begrijpt Orwell maar al te goed. En wat Orwell oneindig veel beter begrijpt dan al die geleerden, intellectuelen, kunstenaars en wetenschappers die met al hun intelligentie willens en wetens zich een van deze ideologieën eigen hebben gemaakt, zijn de consequenties wanneer, zoals ook al Simone Weil constateerde, macht een doel op zich wordt. En dat wordt het algauw bij ieder die macht heeft, want als iets verslavend is, dan is het macht. Met een profetische blik (want onbekend met de fenomenen Big Tech en ai) voorzag hij dat niet alleen politieke macht, maar ook technologische macht totalitair kan zijn. Vandaar de figuur Big Brother die alles altijd ziet en zijn onderdanen elke vorm van privacy ontneemt.

Orwell schetst in 1984 een wereld verdeeld tussen drie grootmachten. Het verhaal speelt zich af in Oceanië, waar de Partij de ultieme macht heeft en de gehele controle heeft over zowel het verleden (dat wordt herschreven) als de taal (die niet langer dient om te denken maar om gedachten te kunnen manipuleren en controleren), en waar ieder individu gereduceerd wordt tot een zielloze robot.

In het verhaal zijn er twee personen, Winston Smith en Julia, die iets ondervinden wat volstrekt verboden is: menselijke gevoelens, gevoelens van verliefdheid, houden van elkaar. Beiden menen deel te zijn van een kleine cel van verzet, de Broederschap, het ondergrondse verzet tegen de almacht van de Partij. Maar de man in wie ze hun vertrouwen hebben gesteld, O’Brien, blijkt een hooggeplaatst lid van de Inner Party. Het is O’Brien die Winston Smiths geest zo wil breken, Winstons geestelijke en morele waarden zo zal vernietigen, dat ook hij een loyale, gelovige aanhanger wordt van Big Brother. Dan zal ook Winston naar zijn diepste overtuiging menen dat ‘2 + 2 = 5’ en ‘Vrijheid = Slavernij’. Dat is waar gedachtemanipulatie, onderdrukking, marteling en het verlies van privacy door voortdurend toezicht toe leiden.

Voordat het zover is, verzet Winston, ondanks de marteling die hij heeft ondergaan, zich nog. O’Brien vertelt hem dat het doel van de macht alleen maar macht is, niets anders, en dat de enige manier om de ene mens zijn macht over de ander te laten gelden is door hem te doen lijden:

‘Gehoorzaamheid is niet genoeg. Hoe kun je, tenzij hij lijdt, er zeker van zijn dat hij jouw wil gehoorzaamt en niet die van zichzelf? Macht bestaat uit het aandoen van pijn en vernedering… De oude beschavingen beweerden dat zij gegrondvest waren op liefde en gerechtigheid. De onze is gegrondvest op haat. In onze wereld zullen geen andere gemoedsaandoeningen bestaan dan vrees, zegepraal en zelfvernedering. Al het andere zullen we vernietigen — alles. Reeds zijn wij doende om de denkgewoonten af te breken, die van voor de Revolutie zijn overgebleven… Er zal geen liefde bestaan, behalve de liefde voor Grote Broer. Er zal geen lachen bestaan, behalve de zegevierende lach om een verslagen vijand. Er zal geen kunst bestaan, geen literatuur, geen wetenschap… De ketter, de vijand der samenleving, zal er altijd zijn, zodat hij telkens weer kan worden verslagen en vernederd… Altijd zullen wij hier de ketter hebben, overgeleverd aan onze genade, schreeuwend van pijn, kapot, verachtelijk — en uiteindelijk diep berouwvol, gered van zichzelf, uit eigen verkiezing op ons toekruipend. Dat is de wereld die wij gaan maken, Winston. Een wereld van overwinning op overwinning, zegepraal op zegepraal: een eindeloos hameren, hameren, hameren op het machtsbesef. En jij zult haar aanvaarden, haar verwelkomen, er deel van worden…’

‘Dat kun je niet’ merkt Winston zwakjes op. ‘Je kunt niet zo’n wereld scheppen als je daarnet hebt beschreven. Het is een droom. Het is onmogelijk.’
‘Waarom?’
‘Het is onmogelijk om een beschaving te grondvesten op vrees en haat en wreedheid. Zij zou nooit standhouden.’
‘Waarom niet?’
‘Zij zou geen levenskracht bezitten. Zij zou uiteenvallen. Zij zou zelfmoord plegen.’

O’Brien werpt tegen dat dit onzin is, waarop Winston nog eens opmerkt:

‘Op een of andere manier zullen jullie falen. Iets zal jullie verslaan. Het leven zal jullie verslaan.
Daarop reageert O’Brien met de vraag:
‘Geloof jij in God, Winston?’
‘Nee.’
‘Wat is het dan, dat beginsel dat ons zal verslaan?’
‘Ik weet het niet. De geest der mensheid.’

Ook Winston wordt uiteindelijk opgesloten in de beruchte kamer 101 alwaar hij, geconfronteerd met zijn diepste angst, zijn grootste liefde Julia zal verraden… Zo wordt zijn geest gebroken en verliest hij zijn laatste beetje menselijke waardigheid. Ook hij houdt nu van Big Brother. Zijn dehumanisering is voltooid. Winston Smith is geestelijk dood.

Wat George Orwell en Simone Weil met elkaar delen, is niet alleen een scherp oog voor de obsessie met macht als het ultieme doel en de gevolgen daarvan, maar ook dat beiden hun laatste werk, de stethoscoop die ze ons daarmee bieden, zullen schrijven als ze al lijden aan de ziekte waar ze vervolgens ook aan zullen overlijden: tuberculose.

Ongewild schuilt er door hun levenseinde een zekere symbolische betekenis in het feit dat het dezelfde ziekte is ter genezing waarvan in Davos het sanatorium is gevestigd waar Thomas Mann zijn De toverberg situeert als symbool voor de zieke Europese beschaving die genezing behoeft.

Waarin Weil en Orwell van elkaar verschillen, is dat de Franse filosofe een nieuw fundament voor de beschaving zoekt in religie en spiritualiteit, waar Orwell ‘the spirit of Man’ als de enige houvast beschouwt dat we hebben — als het niet al te laat is…

*

Dean Acheson, de man die van 1949 tot en met 1953 voor president Truman Seceretary of State was, mocht zijn memoires met recht de titel Present at the Creation meegeven.

Na de overgave van Japan in augustus 1945 was de Tweede Wereldoorlog eindelijk voorbij en vanaf dat moment waren de Verenigde Staten in elk opzicht het rijkste en machtigste land ter wereld. Waar deze grootmacht tegelijkertijd mee werd geconfronteerd, vat Acheson samen in één zin in de epiloog van zijn omvangrijke boek: ‘Only slowly did it dawn upon us that the whole world structure and order that we had inherited from the nineteenth century was gone and that the struggle to replace it would be directed from two bitterly opposed and ideologically irreconcilable power centers.

De ene pool van de macht is de totalitaire Sovjet-Unie met Stalin aan de macht — en als zodanig een inspiratiebron voor Orwells 1984 — dat half Europa in haar greep heeft, in Mao in China een geestverwant heeft, en met het marxisme-leninisme als beschavingsideaal de wereld wil veroveren. De andere pool wordt gevormd door de Verenigde Staten, nu onder leiding van president Truman.

Amerika is het land waarover de Engelse filosoof Tom Paine ten tijde van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog in 1776 schreef: ‘We have it in our power to begin the world over again […] The birthday of a new world is at hand’, het land dat door president Lincoln in december 1862 werd omschreven als ‘the last best hope of earth’, dat onder leiding van president Wilson in de Eerste Wereldoorlog de Europese democratieën kwam steunen in de oorlog met het Duitse Keizerrijk en dat onder leiding van president Franklin D. Roosevelt als ‘the arsenal of democracy’ (dixit fdr) ten strijde trok tegen de nazi’s, de fascisten en de Japanse militaristen.

De immense taak waar president Truman en zijn mensen nu mee werden geconfronteerd, zo memoreert Acheson, is: ‘to create a world out of chaos; ours, to create half a world, a free half, out of the same material without blowing the whole to pieces in the process.

Acheson was niet slechts aanwezig bij de creation, de schepping waarover hij spreekt; hij zou er ook een actieve rol in spelen. Een actieve rol in de schepping van een hersteld Europa als een van de architecten van het Marshallplan; in de schepping van de Verenigde Naties; de schepping van de navo en de schepping van een verenigd Europa aan de hand van het op 9 mei 1950 gelanceerde plan van de Franse minister van Buitenlandse zaken Robert Schuman. Kortom: in de schepping van een liberale democratische wereldorde waarbinnen mensenrechten, de rechtstaat, het internationale recht, de vrijheid van het individu, soevereiniteit van landen en respect voor ieders menselijke waardigheid zouden zegevieren. Dat was de taak die president Truman, Acheson en zijn vriend en collega generaal Marshall voor zich zagen tijdens dit tijdperk van de Koude Oorlog.

De kwetsbaarheid van het door president Truman, Dean Achseson en George Marshall geïnitieerde pax Americana en het beschavingsideaal dat daar inherent aan is, werd als eerste gedetecteerd door Hans Morgenthau. Van oorsprong Joods, in Duitsland geboren, en na in München ooit een optreden van de heer Hitler te hebben bijgewoond, emigreert hij in 1938 naar Amerika, alwaar hij zich samen met zijn vrienden Leo Strauss en Hannah Arendt zal ontwikkelen tot een van Amerika’s belangrijkste politieke denkers. En wellicht is het zo dat juist door deze achtergrond Morgenthau een grotere gevoeligheid had voor het verval van een beschavingsideaal…

Dat Amerika een bijzondere plaats heeft in de wereldgeschiedenis, is ook voor hem evident en wel omdat Amerika het enige land ter wereld is dat door zijn Founding Fathers gebaseerd is op een idee en een ideaal. De idee is verwoord in de Onafhankelijkheidsverklaring:

We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable Rights, that among these are Life, Liberty and the pursuit of Happiness.

En het ideaal, ‘the purpose of American politics’, aldus de gelijkluidende titel van het boek van Morgenthau in 1960, is ‘equality in freedom’. Maar dit ideaal, zoals elk ideaal, zal telkens, zo beseft Morgenthau, weer door elke generatie onderzocht moeten worden en bij de tijd moeten worden gebracht, wil het in de realiteit kunnen bestaan.

Nu Amerika na de Tweede Wereldoorlog de grootste supermacht is geworden, is het van eminent belang dat het land omwille van zijn eigen toekomst, en die van de westerse beschaving, dit ideaal ook daadwerkelijk realiseert in de dagelijkse politiek. Maar anno 1960 ziet Morgenthau dat Amerika in een diepe, existentiële crisis verkeert. Niet alleen heeft het land nog steeds niet afgerekend met het slavernijverleden en is er een voortdurend racisme dat vloekt met het ideaal van equality in freedom, maar ook is de bevolking ten prooi gevallen aan materialisme, hedonisme en apathie. De enige moraal die er nog geldt, luidt: pak wat je te pakken kunt krijgen. Vrijheid is losbandigheid geworden. Het begrip democratie is uitgehold tot: wat de meerderheid wil. Maar die meerderheid wordt gevormd door een massa die in haar onwetendheid al te gemakkelijk gemanipuleerd wordt door de macht van de commercie en de media, en daardoor vatbaar is voor de door Morgenthau zo gevreesde demagogen. In deze ‘democratie’, aldus Morgenthau, raakt ook het besef van kwaliteit zoek. Kwaliteit zal steeds meer vervangen worden door kwantiteit, de macht van getallen. Wat de meeste mensen vinden, is nu opeens ‘goed’ en ‘waar’ — omdat de meeste mensen het nu eenmaal vinden. Dit idee, kwantiteit als de maat aller dingen, heeft ook zijn weerslag op het Amerikaanse onderwijs. Dat onderwijs is in de ogen van professor Morgenthau al lang niet meer gericht op excellentie, het streven naar kennis en de vorming van jonge mensen tot zelfstandig denkende persoonlijkheden, maar is verworden tot een maatschappelijk instrument om jonge mensen zich zoveel mogelijk te laten conformeren aan wat men van hen verwacht; sociaal gerespecteerd gedrag als de koninklijke weg naar een mooie carrière. De Amerikaanse democratie, en daarmee Amerika’s oorspronkelijke beschavingsideaal, ziet Morgenthau in verval door het verraad van haar eigen bestaansgrond — precies zoals hij lang geleden in Europa de teloorgang van een beschavingsideaal had moeten aanschouwen door een verraad van de eigen geestelijke en morele waarden.

En toen?

*

Metropolis (1927), de sciencefictionfilm van Fritz Lang over een gelijknamige futuristische stad, naar een script van zijn echtgenote Thea von Harbou, speelt zich af in… ons jaar 2026!

De openingsscène is het beeld van een grote, machtige machine. Het is dankzij deze machine dat boven de grond een elite, ‘de denkers’, leeft in enorme wolkenkrabbers met weelderige tuinen en grote stadions. Met de plutocraat Jon Fredersen als alleenheerser hebben de oligarchen een leven vol van luxe en plezier, waar ook hun krachtig uitziende jongens met blonde haren en bevallige jonge dames volop van genieten. Dat heerlijke hedonistische leven is mogelijk omdat diep onder de grond van hun stad een leger aan arbeiders, de facto slaven, twintig uur per dag aan de gigantische machines zwoegen om zo de stad van energie te voorzien. Hun leven is even monotoon als gevaarlijk.

Freder, de enige zoon van de plutocraat Fredersen, treft door toeval Maria, een vrouw die bij de arbeiders zo geliefd is dat ze welhaast als een soort van heilige wordt vereerd. Freder raakt op slag verliefd, en op zoek naar haar wordt hij voor het eerst geconfronteerd met de gruwelijke omstandigheden onder de grond, iets wat zijn vader altijd geheim voor hem heeft gehouden. Bijna niemand in het bovengrondse Metropolis weet daar iets van, en in feite interesseert het hen ook niet waar ze hun weelde aan te danken hebben.

De zoon probeert zijn vader ervan te overtuigen dat hij wat moet doen aan de erbarmelijke leefomstandigheden van het proletariaat dat in het duister alleen maar aan het zwoegen is. In die pogingen wordt Freder nog eens gesterkt wanneer hij een gruwelijk visioen heeft waarin een enorme machine verandert in Moloch, een monsterlijk god in het Oude Testament die mensenoffers eist. Als met een schok realiseert hij zich dat deze machines door hun gebruik niet een hulpmiddel voor een betere levensomstandigheden zijn, maar een idool dat mensenlevens verslindt.

Freders vader, niet geneigd om zijn rijkdom en macht af te geven, probeert controle te houden met behulp van een krankzinnige uitvinder Rotwang. Die is in staat om de eerste robot in mensengedaante te maken die sprekend op Maria lijkt, en deze robot-Maria wordt ingezet om chaos te zaaien, arbeiders op te hitsen tot een gewelddadige opstand om zo de elite het excuus te geven hard in te grijpen. Dit is wat we dan zien:

Twaalf mannen lopen met een monotone tred: mannen, mannen, mannen, allemaal in hetzelfde uniform: van nek tot enkels donkerblauw katoen, hun haar strak samengebonden onder zwarte petten, hun voeten gehuld in lompe laarzen. Ze hebben allemaal hetzelfde gezicht: een woest gezicht, met waanzinnige ogen. En ze zingen allemaal hetzelfde lied, een lied zonder melodie dat een eed, een gelofte was:

We hebben de machines veroordeeld!
We hebben de machines ter dood veroordeeld!
Machines moeten verdwijnen! Weg met ze!
Dood! Dood! Dood aan de machines!

Wanneer zij vervolgens ook de ‘hartmachine’ die de stad van stroom voorziet vernietigen, stoppen de pompen met werken en begint de arbeidersstad onder de grond te overstromen. Huizen, kinderen, alles dreigt in de overstroming verloren te gaan!

De woede van de arbeiders keert zich nu tegen Maria die hen tot deze daden heeft aangezet. Ze wordt op de brandstapel gegooid en pas dan blijkt ze tot verbazing van de woedende menigte niet de echte Maria, maar een robot, een machine te zijn. De kwaadaardige uitvinder vindt ook de dood. De zoon verzoent zich met zijn vader, die spijt van zijn daden heeft. Conform het motto van de film, ‘Tussen de hersenen en de spieren moet het hart bemiddelen’, is de zoon de geboren bemiddelaar. Zo weet Freder aan het einde van deze geschiedenis de leider van de arbeiders en zijn vader, de heerser van de stad, samen te brengen. Voortaan zullen zij samenwerken, verbonden door empathie en menselijkheid.

Het happy end van deze Hollywoodproductie bleek helaas van korte duur. In 1938 creëren Jerry Siegel en Joe Shuster de superheld Superman, die het kwaad — en het gevaar daarvan voor de gehele mensheid — moet bestrijden dat Lex Luthor, een briljante maar corrupte zakenman en wetenschapper, aanricht in… Metropolis.

Maar eens te meer bewezen het duo Fritz Lang en Thea von Harbou met hun film Metropolis uit 1927 over een toekomstige wereld in 2026 het gelijk van Oscar Wilde als hij in 1889 in zijn essay ‘The Decay of Lying — An Observation’ opmerkt: ‘Life imitates Art far more than Art imitates Life.

I. ‘and here we are on a darkling plain…’ the decay of civilization

Wanneer en waarom raakt een beschaving in crisis? Aan welke symptomen kun je een beschaving in verval herkennen en wat zijn er de oorzaken van?

Nieuwsgierig naar hoe het mogelijk was dat het Imperium Romanum, een oppermachtig rijk dat eeuwenlang over het westelijk halfrond heerste, in de vierde eeuw ten val kon komen, kwam Machiavelli in zijn Discorsi (1531) tot een ontnuchterende conclusie: het was zelfvernietiging! Niet de ‘barbaren’ buiten de muren, maar het morele verval van de eigen beschaving door machtswellust, hebzucht, sociale onrust en corruptie was de oorzaak van de val van dit ooit zo machtige keizerrijk. Deze conclusie werd anderhalve eeuw later nog eens bevestigd door Edward Gibbon in zijn zesdelige studie The History of the Decline and Fall of the Roman Empire.

Dat de geschiedenis zich onverbiddelijk herhaalt wanneer haar lessen niet worden geleerd, bleek wederom in de eerste helft van de twintigste eeuw met een eerste en een tweede wereldoorlog. Beide oorlogen ontvlammen in Europa, met zelfvernietiging tot gevolg.

Present at the Creation van Dean Acheson is het verhaal over lessen van de geschiedenis die wél geleerd zijn. De les dat de vrijheid van het individu het best gewaarborgd is door de rechtstaat van een liberale democratie. De les dat ‘het recht van de sterkste’, zoals de Atheners dat de Meliërs voorhouden in hun beroemde dialoog in Thucydides’ De Peloponnesische oorlog, thuishoort in de wetten van de jungle maar niet in een beschaafde wereld. Vandaar ook de les dat militaire conflicten kunnen worden gebannen indien alle landen zich schikken naar een internationale rechtsorde en indien de soevereiniteit van een land gerespecteerd wordt. De les dat er universele rechten van de mens zijn die nimmer geschonden mogen worden. De les dat het verlangen naar macht een van de grootste passies van elke mens is, en de enige wijze om machtsmisbruik te voorkomen voldoende, ook wettelijke, tegenmacht is. De les dat vrijheid en rechtvaardigheid fundamentele maar altijd kwetsbare morele waarden zijn, die verdedigd en waar nodig bevochten moeten worden.

Op initiatief van de naar Amerika geëmigreerde Italiaanse antifascist Giuseppe Borgese werd in 1940 door een kleine groep intellectuelen, onder wie Thomas Mann, Lewis Mumford, Reinhold Niebuhr en Hermann Broch, het manifest The City of Man: A Declaration on World Democracy gepubliceerd, als een laatste les die de hele wereld zou moeten leren: de wereld kan uiteindelijk alleen maar behoed worden tegen nog meer zelfvernietiging als niet in plaats van het gif van het nationalisme, het eigen volk en van eigenbelang vooropplaatsen, er nu een universele democratie komt die de eenheid van de mensheid (our common humanity) kan beschermen tegen al die krachten die de mensheid willen verdelen in ras, klasse of slaven en meesters: ‘Diversity in unity and unity in diversity will be the symbols of federal peace in universal democracy.’ (Dat deze les wel in Afrika en in India door Gandhi en Nehru werd gehoord en begrepen, maar om politieke en economische redenen nog niet in het koloniale Europa, is niet verrassend.)

Een pax Americana, mede gevormd door het bondgenootschap tussen Amerika en Europa in de vorm van de navo, zou die liberale democratische wereldorde gebouwd op bovenstaande lessen, beschermen…

*

Géén van deze lessen is besteed aan president Donald J. Trump.

Ideeën als rechtstaat en internationale rechtsorde als het noodzakelijk tegenwicht om machtsmisbruik te voorkomen, zeggen hem niets. Wanneer hij — als de machtigste man van het machtigste land met het machtigste leger — op 8 januari in een gesprek met journalisten van The New York Times de vraag krijgt voorgelegd: ‘Are there any limits to your global power?’ luidt het antwoord, ‘Yeah, there’s one thing. My own morality, my own mind. I don’t need international law.’ Oftewel: zijn wil is wet.

In deze gedachtewereld is het dan ook vanzelfsprekend dat net als voor de Atheners tijdens de Peloponnesische Oorlog slechts het recht van de sterkste geldt. Dat wordt nog eens bevestigd door de jonge joodse huisideoloog van president Trump, zijn Deputy Chief of Staff Stephen Miller, wanneer die op 5 januari in een interview op cnn met Jake Tapper naar aanleiding van de ontvoering van de autocraat Maduro in Venezuela naar een gevangenis in New York te melden had: ‘We live in a world, in the real world, Jake, that is governed by strength, that is governed by force, that is governed by power. These are the iron laws of the world since the beginning of time.

Niet toevallig kunnen we een soortgelijk geluid vernemen in Rusland van Poetins Russisch-orthodoxe ideoloog Aleksandr Doegin, die nog geen drie dagen later uit boosheid om het feit dat met de ontvoering van Maduro Rusland een geopolitieke bondgenoot is kwijtgeraakt publiekelijk laat weten: ‘Rusland is verplicht iets afschuwelijks te doen om zijn geloofwaardigheid te herstellen. Het is heel triest dat we dit soort argumenten moeten gebruiken. Maar we hebben geen keus. Alleen bruutheid, kracht, massale vernietiging en wreedheid doen ertoe in een Trumpachtige wereld. Of je slaat eerst, of je bent dood.’

In het wereldbeeld van Trump cum suis wordt de wereld, net als in George Orwells 1984, geregeerd door drie supermachten: Amerika, Rusland en China. Europa en the Global South hebben zich naar deze supermachten te schikken, en de idee van een world democracy die als beschavingsideaal de eenheid van de mensheid moet beschermen, is zo ver weg dat ze niet eens een stipje aan de horizon nog is.

Ter gelegenheid van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsdag in 1914 vertelde president Wilson:

My dream is that as the years go by and the world knows more and more of America, it […] will turn to America for those moral inspirations which lie at the basis of all freedom […] and that America will come into full light of day when all shall know that she puts human rights above all other rights, and that her flag is the flag not only of America, but of humanity.

Die droom van president Wilson is vervlogen. Dat Amerika en de liberale democratische wereldorde, waar het Amerikaanse volk onder leiding van president Roosevelt tijdens een Tweede Wereldoorlog voor gevochten heeft en die na die oorlog door president Truman tot stand is gebracht, bestaan nu niet meer. President Trump is er in korte tijd in geslaagd om de pax Americana te transformeren tot de bellum Americanum.

Een groot deel van de wereld zal er weinig tranen om laten. Voor hen was die westerse wereldorde er vooral om de economische belangen van het Westen (Amerika voorop) te dienen. Bovendien is men niet vergeten dat de geschiedenis van de slavernij in Amerika en het koloniale verleden van Europa in veel opzichten een soort van prelude zijn geweest voor de beestachtige praktijken van de nazi’s.

Voor een Europa dat zich na de Tweede Wereldoorlog politiek, cultureel, economisch en militair zo met Amerika verweven heeft dat het met recht ‘veramerikaniseerd’ mag heten, is de schok des te groter wanneer in november 2025 de nieuwe National Security Strategy of the usa bekend wordt gemaakt.

Daarin valt te lezen dat president Trump Amerika ‘safer, richer, freer greater and more powerful than ever before’ wil maken (samengevat: America First), maar een niet minder belangrijke ambitie is: ‘Promoting European Greatness’! Dat is nodig omdat de opstellers van het rapport niet alleen hebben moeten constateren dat Europa te kampen heeft met een chronisch gebrek aan militaire uitgaven en met economische stagnatie, maar ook — en dat is een ernstiger feit — dat dit economische verval wordt overschaduwd door ‘the more stark prospect of civilizational erasure’. Een beschaving in verval dreigt het lot van Europa te worden door ‘een Europese Unie die de politieke vrijheid en soevereiniteit van naties ondermijnt; door migratiebeleid dat Europa transformeert en tot strijd leidt; door censuur van het vrije woord en de onderdrukking van politieke oppositie; door de instorting van geboortecijfers en door het verlies van nationale identiteiten en zelfvertrouwen.’

De blijde boodschap van de opstellers van het rapport namens president Trump luidt: ‘We want to support our allies in preserving the freedom and security of Europe; while restoring Europe’s civilizational self-confidence and Western identity’. Deze steun heeft Europa te danken aan het feit dat ‘Europe remains strategically and culturally vital to the United States’ en de Amerikaanse diplomatie zich zal blijven inzetten voor ‘genuine democracy, freedom of expression. Daarom zal Amerika al die politieke bondgenoten in Europa steunen, bondgenoten die de Europese Unie — een van de verworvenheden van de naoorlogse liberale democratische wereldorde en de lessen die toen geleerd zijn — willen laten verdwijnen door ook in Europa het nationalisme, de ideologie van het ‘eigen volk eerst’, weer te laten zegevieren.

Dit alles, zo wordt ons telkenmale verzekerd, om het behoud van het Europese beschavingsideaal dat niet verloren mag gaan… (Een wat overbodige zorg voor wie van mening is dat de ‘Europese beschaving’ überhaupt niet bestaat.)

*

Met Victor Hugo onderkennen we het feit dat de denker van nu de belangrijke taak heeft om een stethoscoop op onze beschaving te leggen en te luisteren, om zo zwakheden, misvormingen, leugens op het spoor te kunnen komen, die het verval van beschaving tot gevolg kunnen hebben. Maar waar vinden we een betrouwbare stethoscoop nu we geconfronteerd worden met zulke tegenstrijdige ideeën over wat beschaving zou zijn?

Het beschavingsideaal van dr. Goebbels en dr. Ibel is in elk opzicht tegengesteld aan dat van Thomas Mann. Het beschavingsideaal van de huisideoloog van president Trump, Stephen Miller, en de huisideoloog van resident Poetin, Aleksandr Doegin, is nadrukkelijk niet dat van Simone Weil. Zij zou hun idee dat het recht van de sterkste en het streven naar macht even goed als nodig zijn omwille van het behoud van beschaving, beschouwen als een bevestiging van het bittere feit dat ‘ons tijdperk zo vergiftigd is door leugen dat het alles dat het aanraakt in een leugen verandert’. Het beschavingsideaal van president Trump is nadrukkelijk niet dat van zijn voorgangers Wilson, Roosevelt en Truman. Het beschavingsideaal van de Europese politieke krachten die de Europese Unie willen ontmantelen, is het tegendeel van dat van Europese staatsmannen als Robert Schuman, Jean Monnet, Konrad Adenauer, Altiero Spinelli, Alcide De Gasperi en Paul Henri Spaak, die allen juist streefden naar de eenheid van een verenigd Europa!

De noodzakelijke stethoscoop kan dan ook alleen gevonden worden als we eerst de oorspronkelijke betekenis van het begrip ‘beschaving’ achterhalen. Wanneer we het spoor terug volgen, komen we uiteindelijk uit bij niemand minder dan Dante. Hij is het die in de eerste jaren van de veertiende eeuw in zijn filosofisch traktaat Convivio (Het Gastmaal) de eerste is die beschaving als volgt definieert:‘della umana civiltà che a uno fine è ordinata, cioè a vita felice — de menselijke beschaving is met een bepaald doel geordend, namelijk het gelukkige leven.’

Het gelukkige leven als doel van de beschaving is het tegendeel van een plat ideaal van genot, gemak of welbehagen. Beschaving is wat Dante van de door hem vereerde filosoof Aristoteles in diens Ethica leerde: het doen van het goede, je morele waarden en deugden eigen maken in het streven naar voortreffelijkheid. Dit beschavingsbegrip zou ook Baruch Spinoza zich eigen maken, maar aan het slot van zijn eigen Ethica zou hij daar wel waarschuwend aan toevoegen: ‘Sed omnia praeclara tam difficilia quam rara sunt — Maar al het voortreffelijke is even moeilijk als zeldzaam.’ Beschaving laten voortbestaan is daarom een voortdurende opgave en omdat de mens een sociaal wezen is, is het per definitie een gemeenschappelijke opgave. Weer een eeuw later zal de Franse filosoof Marquis de Condorcet de politieke betekenis van beschaving voor de toekomst van de wereld als volgt formuleren: ‘Hoe verder een beschaving zich over de aardbol verspreidt, des te meer oorlogen en veroveringen zullen verdwijnen, tezamen met slavernij en armoede.’

Anno 2026 is het op 4 juli precies 250 jaar geleden dat Amerika als een nieuwe natie werd geboren met de door Thomas Jefferson opgestelde Declaration of Independence waarin hij als een klaroenstoot verkondigt:

We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable Rights, that among these are Life, Liberty and the pursuit of Happiness.

Het is een perfecte weergave van het begrip ‘beschaving’ zoals dat eerder door Dante, Spinoza en zijn Franse vriend Marquis de Condorcet was gedefinieerd. Want ook Thomas Jefferson kende zijn klassieken. Happiness is identiek met het gelukkige leven uit de Ethica van Aristoteles. Deze beschaving realiseren, cultiveren en verdedigen is wat Hans Morgenthau bedoelde met ‘the purpose of American politics.

*

Dat het wereldbeeld van president Trump grote verwantschap vertoont met de ideeën van dr. Ibel uit 1930, en geen enkele met het humanistische beschavingsideaal dat Thomas Jefferson tot de bestaansgrond van de vs verklaarde, is een onmiskenbaar feit, waar hij zelf ook nooit een geheim van heeft gemaakt. Het is een wereldbeeld getekend door wat Victor Hugo zag als een typisch symptoom van verval, namelijk de terugkeer van het verleden: ‘Het verleden begint opnieuw. De verjonging van een kadaver is verbazingwekkend. Kijk hoe het aan komt marcheren. Het lijkt een overwinnaar. Deze dode is een veroveraar. Hij komt met zijn legioen, het bijgeloof, met zijn zwaard, het despotisme, met zijn vlag, de onwetendheid. Hij nadert, hij dreigt, hij lacht, hij staat voor onze poorten…’

Echter, niet alleen in Amerika, waar hij voor de tweede keer overtuigend tot president is verkozen, maar ook in tal van landen in Europa, Latijns-Amerika, in India, duikt het spook van het verleden op en wordt door het volk massaal de voorkeur gegeven aan nationalisme, de vorm van een gesloten samenleving en een autoritaire leider wiens wil wet is en die het recht van de sterkste predikt, boven de pluriformiteit en rechtstaat van een liberale democratie.

Waarom? Vanwaar de teleurstelling in en zelfs weerzin tegen de liberale democratie? Vaak wordt dan gewezen op de instroom van immigranten die zich niet willen integreren in het gastland, het verlies van een eigen culturele identiteit, mede door de woke-ideologie. Maar de teleurstelling komt ook voort uit een verzet tegen een technocratische maatschappij zonder religie, traditie en moraal. Een onmiskenbaar feit is dat in tal van opzichten zowel de Brusselse eu als Amerika de karakteristieken vertonen van de zielloze Zivilisation die Spengler voorspelde als het lot van ‘de ondergang van het Avondland’: rationalisme, relativisme, bureaucratie, massificatie, verwetenschappelijking, liberalisme, technologisering, de macht van het geld. De paradox is dat de weerzin tegen de liberale democratie, deze conservatieve revolutie, is ingegeven door een verzet tegen het wegvallen of verval van cultuur. Wat is dan het weerwoord van de liberale democratie? Dat weerwoord is voor de verdedigers van de liberale democratie even cruciaal als urgent, want in het Amerika van president Trump voltrekt zich nu ook de door Spengler voorspelde laatste fase van de Zivilisation: het ‘caesarisme’, een imperialistische machtspolitiek die met oorlog en in bloedstromen een einde zal maken aan de democratie.

Er is nog een andere voorspelling van Spengler uitgekomen: dat de westerse mens met zijn faustisch karakter de slaaf zal worden van zijn eigen schepping, de techniek. Met alle technologische ontwikkelingen, met name die van de artificiële intelligentie, wordt ook de ‘machinebeschaving’ — met onder andere de eerste op de mens lijkende robot die het duo Thea von Harbou en Fritz Lang met hun film Metropolis voorzagen — een dagelijkse werkelijkheid.

Waarom is het Westen in zoveel opzichten een Zivilisation geworden? En welke invloed heeft de niet langer futuristische ‘machinebeschaving’ op ons beschavingsideaal? Moeten we de macht van Silicon Valley vrezen (enkele critici spreken zelfs over de opkomst van ‘technofascisme’), of herbergt het met de technologie van artificiële intelligentie een bevrijdende kracht die de mensheid ongekende mogelijkheden geeft om een betere wereld te scheppen?

Hoezeer politiek verbonden is aan het lot van de economie mag blijken uit de volgende twee beroemde voorbeelden.

Een week voor de presidentsverkiezingen in 1980 was er op 28 oktober het laatste tv-debat tussen president Carter en zijn uitdager Ronald Reagan. Toen beiden ter afsluiting een laatste woord kregen, sprak Reagan, strak kijkend in de camera, de historische woorden: ‘Next Tuesday you will go to the polls. You’ll stand there in the polling place and make a decision. I think that when you make that decision it might be well if you ask yourself: Are you better off than you were four years ago?’ Voor miljoenen Amerikanen was het antwoord: ‘No, I am not better off’, en zo won Reagan de verkiezingen. Twaalf jaren later was het Jim Carville jr., de spindoctor van Bill Clinton, die hem als slogan voor de presidentsverkiezingen in 1992 de slogan meegaf: ‘It’s the economy, stupid!’ Dat waren woorden die een snaar raakten bij het Amerikaanse volk, en zo won Clinton de verkiezingen.

Wanneer het voor kiezers in de stembus draait om the economy, stupid is het wellicht niet verwonderlijk dat politieke leiders de onvrede in de maatschappij in eerste instantie terugbrengen tot een probleem dat met meer economische groei, meer innovatie door technologische ontwikkeling en lagere belastingen kan worden opgelost. Maar is de economie inderdaad het wondermiddel waarmee alle problemen worden opgelost? Kan alles, ook onderwijs en cultuur, worden teruggebracht tot een ‘economische waarde van het marktdenken’? En wat te denken van het sociale verval, de deaths of despair — de sterftegevallen door suïcide, alcoholisme, drugsgebruik en dakloosheid als gevolg van een kapitalistisch systeem? Dit sociale verval is het toonbeeld van een American Dream in decline. In plaats van leven te scheppen, zijn we vooral bezig het te vernietigen. Dat roept de vraag op: is onze moderne samenleving eigenlijk wel in staat om de meest wezenlijke behoeften van mensen te bevredigen?

Waarom is in het rijke Westen het sociale vraagstuk van armoede en steeds grotere ongelijkheid niet alleen nog steeds niet opgelost maar ook, mede door alle technologische ontwikkelingen, alleen maar groter geworden? Tegelijkertijd is wat George Orwell negentig jaar geleden constateerde, ook alleen maar meer waar geworden: ‘With so much in its favour — for every empty belly is an argument for Socialism — the idea of Socialism is less widely accepted than it was ten years ago.’ Maar waarom dan toch de teloorgang van het socialisme en sociaaldemocratische partijen die juist de door Orwell bepleite rechtvaardigheid en vrijheid voorstaan? Met als uitzondering — net als het Gallische dorpje van Asterix en Obelix — een Zohran Mamdani als democratisch-socialistische burgemeester van New York.

Robert Schuman, de Franse verzetsman die na de oorlog onder president De Gaulle minister van Buitenlandse Zaken werd en met zijn verklaring op 9 mei 1950 min of meer de eerste steen legde voor de bouw van een verenigd Europa, publiceerde in 1963 een toespraak met als titel ‘Het domein van Caesar en dat van God’ waarin hij onder andere stelde:

De democratie heeft haar bestaan aan het christendom te danken. Ze werd geboren op de dag dat de mens geroepen werd om in zijn aardse bestaan de waardigheid van de mens te verwezenlijken, met individuele vrijheid, met respect voor ieders rechten en door broederliefde jegens iedereen te betrachten. Vóór Christus waren dergelijke ideeën nooit onder woorden gebracht.

Dat noopt tot de vraag: is er een relatie tussen het feit dat de invloed van het christendom in Europa tanende is, en het verval van onze liberale democratie?

In een sombere brief uit mei 1960 over de maatschappelijke ontwikkelingen in Europa schrijft Giangiacomo Feltrinelli, uitgever van de in de Sovjet-Unie verboden roman Dokter Zjivago, aan de auteur van dat meesterwerk, Boris Pasternak, over het tijdperk van het Vierde Rijk dat volgens hem nu is aangebroken: ‘Dat “Vierde Rijk” is het tijdperk van de compromissen, het geld en de intellectuele armoede.’ Net als zijn tijdgenoot Morgenthau beseft Feltrinelli dat in zo een cultureel klimaat een humanistisch beschavingsideaal als het fundament van een liberale democratie niet kan blijven bestaan. Vaak genoeg worden de zwakheden en misvormingen van een beschaving aan een bepaalde machtselite geweten, maar welke rol spelen de intellectuelen? Hoeveel morele en intellectuele corruptie bestaat er wel niet naast de corruptie van financiële belangen? En nog steeds is waar wat de Romeinse historicus Tacitus aan het begin van de tweede eeuw voor onze jaartelling in zijn Annalen vaststelt: ‘Corruptissima re publica plurimae leges — Hoe corrupter de samenleving, des te meer wetten’. En is de Epstein-affaire niet het toonbeeld van morele corruptie en een samenleving in verval?

Wat vermag een politicus nog in zo’n samenleving? In zijn essay ‘De opvoeding van de Christenvorst’ merkt Erasmus op: ‘Het is zinloos iemand [nu: een politiek leider] voor te houden hoe hij een staat moet besturen, als je hem niet eerst bevrijdt van de opvattingen van de grote massa, die totaal verkeerd zijn, maar tegelijk ook het meest ingeburgerd.’ Zo een politicus zal vast en zeker nog wel te vinden zijn, maar wat zijn de kansen om gekozen te worden voor wie tegen de opvattingen van de grote massa ingaan, zeker in dit tijdperk waarin waarheid en feiten er niet meer toe doen?

De droom van een Robert Schuman en die andere visionaire staatsmannen die eind jaren veertig en in de jaren vijftig streefden naar een Verenigde Staten van Europa — soeverein, met een grondwet en een eigen leger — is vooralsnog niet uitgekomen. Sterker, de meest recente ontwikkelingen hebben aangetoond dat Europa allesbehalve een supermacht is — en voor zowel zijn welvaart als veiligheid in hoge mate afhankelijk is van de Verenigde Staten. Nu blijkt dat, omdat zo veel in Europa copy paste usa is, precies dat de oorzaak is van de kwetsbaarheid en het verval van Europa. Zullen Europeanen dan nu eindelijk van de nood een deugd maken en die Verenigde Staten van Europa realiseren?

Ondertussen worden we geconfronteerd met de droom van president Trump die wél uitkomt, namelijk dat de wereld wordt geregeerd door drie semitotalitaire supermachten. De world democracy en zijn common humanity is weliswaar op dit moment verder weg dan ooit; maar zal de voorspelling, de hoop van Winston Smith in 1984, uitkomen dat deze supermachten uiteindelijk nooit stand kunnen houden omdat je een beschaving niet kunt grondvesten op vrees en haat en wreedheid?

*

In 1930 besluit Ortega y Gasset zijn La rebelión de las masas (Opstand der horden) met de woorden: ‘De kern van de zaak is als volgt: Europa heeft geen moraal meer.’ Een samenleving zonder moraal; onverschillig ten aanzien van alles van waarde, met een gebrek aan beschaving; vol van ressentiment, vreemdelingenhaat, angst en geweld; trots op de eigen onwetendheid en niet geïnteresseerd in kennis, waarheid, cultuur, en de noden van anderen; geobsedeerd door eigenbelang, eigen identiteit en ‘eigen volk eerst’; met demagogen die aan de macht komen; de liberale geest die bezwijkt onder een cultuur van leugens en moet wijken voor autoritair leiderschap…

Als de westerse liberale democratie in feite geen moraal meer kent, iets waar de rest van de wereld al langer van overtuigd is, en het humanistische ideaal niet meer de grondslag ervan is, moeten we ons wellicht de vraag stellen of de liberale democratie nog wel verdedigd moet worden, of dat het tijd wordt om te zoeken naar een andere staatsvorm.

Anno 2026 lijkt ook voor ons te gelden wat in 1867 de Engelse dichter en essayist Matthew Arnold in de laatste regels van zijn ontroerende beroemde gedicht ‘Dover Beach’ schreef:

And we are here as on a darkling plain
Swept with confused alarms of struggle and flight,
Where ignorant armies clash by night.

We zijn als op een schimmig strijdterrein;
door vecht- en vluchtsignalen in de war gebracht,
botsen er legers niet-begrijpend in de nacht.

(Vertaling Willem Schudspeer)

II. the candle on the table burned… a light to guide the renewal of a civilization in decay

Nadat met behulp van een stethoscoop de diagnose gesteld is van een beschaving in verval en de oorzaken daarvan, rest de vraag: is er een arts die een beschaving in crisis kan genezen, is er een medicijn, of een behandeling?

In 1945, ter gelegenheid van een speciale kerstuitgave van een tijdschrift voor Duitse krijgsgevangenen, schrijft Thomas Mann een voorwoord over het thema: Welt-Zivilisation. Hij verwijst daarin naar een uitspraak van president Roosevelt, die op 3 september 1942 in een radiotoespraak vertelde over het verzet van jonge mensen in Europa, China en Rusland tegen een despotisch imperialisme, en vervolgens concludeert:

It means that the old term, ‘Western Civilization’, no longer applies. World events and the common needs of humanity are joining the culture of Asia with the culture of Europe and the culture of the Americas to form, for the first time, a real world civilization.

Zonder enige twijfel hoorde Mann in deze opmerkingen de echo van wat hij en zijn intellectuele bondgenoten in 1940 met hun Declaration on World Democracy beoogden als de enige wijze om een wereldvrede te realiseren en de mensheid zo te verlossen van steeds weer militaire conflicten en oorlog. Dat is wat Mann nu, na de oorlog, opnieuw betoogt: alleen een wereldbeschaving, een erkenning van de gelijkwaardigheid van alle mensen, kan de eenheid van de mensheid beschermen met een sociale politiek waarin een evenwicht wordt gevonden tussen enerzijds het respecteren van ieders individuele vrijheid en anderzijds de gelijkheid van een klasseloze maatschappij en economische gerechtigheid.

Ver vóór Roosevelt en Thomas Mann cum suis houdt Victor Hugo tijdens zijn openingstoespraak op 21 augustus 1849 voor het Internationale Vredescongres van Parijs op begeesterende wijze zijn publiek eveneens voor wat het zou betekenen indien men zou beseffen dat de mensheid één grote familie is, wat er in de wereld allemaal zou veranderen indien de gigantische kapitalen niet zouden worden besteed aan wapentuig en het voorbereiden van oorlog, maar aan het scheppen van werk, scholing, industrie, landbouw, wetenschappen en kunsten! De wereld zou er anders uitzien. Er zou géén armoede meer zijn en met het verdwijnen van de armoede zou er ook geen revolutie meer zijn, en in plaats van elkaar te verscheuren zou men zich vredig over de wereld verplaatsen…

Dit beschavingsideaal is echter alleen denkbaar indien de vraag die Mann in 1921 stelde — of de mediterraan-klassiek-humanistische traditie een geestelijke erfenis is die voor de gehele mensheid van betekenis zal blijven, en dus eeuwig en universeel is — bevestigend wordt beantwoord! Indien er géén universele humanistische waarden zijn, dan kan er ook geen eenheid van de mensheid zijn en zal wereldvrede nooit mogelijk zijn…

Betekent het feit dat er oorlogen en een wapenwedloop gaande zijn dat die universele waarden, die een wereldbeschaving en daarmee wereldvrede mogelijk maken, niet bestaan? Of worden ze niet meer gekend? Als dat laatste het geval is, waarom niet?

Een samenleving moet zich kunnen beschermen, moet zich veilig weten tegen gevaar van buiten de muren. Dat die veiligheid geen garantie is voor het bestaan van een beschaving wordt wel duidelijk door een blik op de samenleving van de drie supermachten Amerika, Rusland en China. Geen van drieën hoeft te vrezen voor hun voortbestaan. Toch wordt in geen van de drie grootmachten het humanistische beschavingsideaal — van het streven in vrijheid naar menselijke waardigheid en morele voortreffelijkheid als een gemeenschappelijke opgave — gecultiveerd. Rusland is een agressieve politiestaat, China de belichaming van Big Brother en Amerika een gebroken maatschappij waar nog maar weinig over is van ‘the purpose of American politics’. Géén van deze drie supermachten is nu nog in staat om een internationale rechtsorde te herstellen met de ambitie een wereldbeschaving te realiseren.

Vandaar de vraag: wat is de macht — als die er is — die de internationale rechtsorde kan herstellen? Moeten we wachten tot Amerika zijn eigen bestaansgrond weer heeft hervonden, of tot China zich weer laat leiden door het gedachtegoed van Confucius in plaats van Mao? Mogen we hopen op de vereende krachten van the Global South voor zover dat niet besmet is met de ziekten van een westerse beschaving? Of ligt hier nu een taak voor de middle powers met hun power of the powerless (dixit Havél), die inmiddels hun les hebben geleerd, om een op morele waarden gebaseerde wereldorde te bouwen, het perspectief dat de Canadese premier Mark Carney schetste in zijn historische toespraak op 20 januari 2026 tijdens het World Economic Forum in Davos?

Een soortgelijk verhaal kon overigens ook al worden gehoord in het jaar 1931 in Napels, waar de Italiaanse filosoof en antifascist Benedetto Croce een serie lezingen hield over vrijheid en liberalisme als de essentie van het Europese beschavingsideaal. In 1932 publiceert Croce de lezingen in een boek getiteld Storia d’Europa nel secolo decimonono (De geschiedenis van Europa in de negentiende eeuw). Het boek draagt hij op aan zijn geestverwant Thomas Mann en hij voegt er een epiloog aan toe waarin hij zijn overtuiging uitspreekt dat net zoals zeventig jaren eerder Italië een politieke eenheid werd, ook de Europese landen een verenigd Europa zullen worden, maar dat dat alleen kan als er eerst een andere klasse politici komt, die competent genoeg zijn

In andere woorden, hoe krijgen we politiek leiders die wel gehoor durven geven aan het adagium van Erasmus dat de politicus die een staatsman wil zijn, bevrijd moet worden ‘van de opvattingen van de grote massa, die totaal verkeerd zijn, maar tegelijk ook het meest ingeburgerd’. Waar vinden we de politici die conform het adagium van een Plato, Aristoteles en Confucius nog gevormd zijn in een humanistische traditie — want: soulcraft comes before statecraft…

*

Als het verval van beschaving een verhaal is van het verval van geestelijke en morele waarden, dan is het verhaal van een renaissance van beschaving het verhaal over het herstel van geestelijk en morele waarden…

In 1931 begint Thomas Mann zijn essay ‘De wedergeboorte van het fatsoen’, zijn repliek op het fascistische beschavingsideaal van dr. Rudolf Ibel cum suis, met een verwijzing naar het sociaalkritische toneelstuk uit 1877 Samfundets Støtter (De steunpilaren der maatschappij) van Hendrik Ibsen, waarin een prominent zakenman in een Noors havenstadje door schade en schande tot het inzicht moet komen dat niet geld en eigenbelang maar waarheid en vrijheid de steunpilaren van de maatschappij zijn…

In diezelfde tijd zal Benedetto Croce in de reeds genoemde lezingen over vrijheid en liberalisme exact hetzelfde beweren: ‘Alleen in vrijheid kan een maatschappij floreren en vrucht dragen, vrijheid is de enige reden voor een aards bestaan, want zonder vrijheid is het leven niet de moeite van het leven waard.’

Vijftig jaren later, in 1981, is het de Schotse filosoof Alasdair MacIntyre die met zijn boek After Virtue een verband legt tussen enerzijds het feit dat na de oorlog het beschavingsideaal van het vrije Westen enkel bestaat uit het streven naar economische, wetenschappelijke en technologische vooruitgang, dat het verslaafd is geraakt aan zowel geld als techniek (Spenglers Zivilisation), dat tal van mensen, jongeren voorop, de geestelijke leegte ervaren van een onttoverde, betekenisloze wereld, en anderzijds het feit dat we eigenlijk niet meer weten wat begrippen als ‘waarheid’ en ‘vrijheid’ betekenen. Het hele morele repertoire waarvan we ons bedienen en waarmee we morele oordelen vellen, is de facto niets meer dan een door emoties gedreven mening.

Wat is er gebeurd? De hypothese die MacIntyre presenteert is dat onze ethiek, het morele repertoire, één grote wanorde is geworden omdat zij los is geraakt van de oorspronkelijke context waaraan deze begrippen hun betekenis ontlenen: het werk van de Griekse filosofen, de joodse profeten en de kerkvaders. Losgeraakt van deze filosofische en religieuze context zijn al die begrippen, die de steunpilaren van de maatschappij moeten zijn, niet meer dan morele wrakstukken — en lopen wij het gevaar zelf een moreel wrak te worden.

De Verlichting, aldus MacIntyre, was de grote en definitieve breuk in onze cultuurgeschiedenis en vanaf dat moment hebben alle grote denkers gepoogd een rationele onderbouwing van de moraal te realiseren. Niet minder grote denkers zoals Pascal en Nietzsche, en schrijvers als Dostojevski en Hermann Broch, wisten al dat dat niet mogelijk is. De reden is door Pascal treffend samengevat als: ‘Le coeur a ses raisons que la raison ne connaît point — Het hart heeft zijn redenen die de rede niet kent.’ MacIntyre:

In een wereld van seculiere rationaliteit kon de religie niet meer een door iedereen gedeelde achtergrond en fundering bieden voor het morele discours en dito handelen; en het onvermogen van de filosofie om te voorzien in wat de religie niet langer kon bieden was een belangrijke oorzaak voor het feit dat de filosofie haar culturele hoofdrol verloor en een marginale, tot het academische discours beperkte discipline werd.

Dit alles zal ook een reden zijn waarom we zo vaak wél over rechten spreken, maar zelden over plichten; wél over waarden (ofschoon zonder echt te weten wat dat dan zijn), maar zelden over deugden. Waarom ieder zo zijn eigen mening heeft over wat beschaving, democratie, goed en kwaad, vrijheid, recht, of schoonheid is. Daar waar een algemene moraal ontbreekt, mag het ons niet verbazen dat wat Nietzsche voorspelde en door Simone Weil en George Orwell werd vastgesteld, meer dan ooit geldt voor onze eigen tijd: de wil tot macht en het recht van de sterkste regeren.

De paradox is echter dat diezelfde Verlichting, en met haar de Franse en Amerikaanse Revolutie, ook een bevrijding brachten! Een bevrijding van een feodale, klerikale maatschappij waarin de alleenheersers en priesters het voor het zeggen hadden. En vrijheid! De vrijheid om te durven denken en de vrijheid om je eigen levensweg te kiezen. Gelijke rechten, en in het bijzonder een gelijkheid voor de wet. Dankzij de Franse en Amerikaanse revoluties en de ideeën van de Verlichting werd er langzaam maar zeker een politiek-maatschappelijke vorm gevonden waardoor een humanistisch beschavingsideaal dat als eerste door Dante werd verwoord, in een samenleving gecultiveerd kon worden: de liberale democratie!

Nu we op ons darkling plain in het zicht van zo veel verval van beschaving aan onszelf zijn overgeleverd: waar hervinden we in deze morele wrakstukken de fundamenten van onze menselijkheid waaruit een nieuwe beschaving kan worden opgebouwd?

Wordt het toch weer het zoeken naar een reeds doodverklaarde, volgens Nietzsche door ons vermoorde, God?

Moeten we vertrouwen op de ongekende mogelijkheden van de technowetenschap, in het bijzonder het vermogen van artificiële intelligentie? Zoals Yann LeCun, de voormalige Chief ai Scientist van Meta en nu de oprichter van Advanced Machine Intelligence Labs de Financial Times vertelde: ‘My legacy will be increasing the amount of intelligence in the world […]. Intelligence is really the thing we should have more of. With more intelligence, there’s less suffering, more rational decisions, and more understanding of the world and the universe. We suffer from stupidity.

Alle beschaving begint uiteindelijk met opvoeding en onderwijs. In zijn dialoog De wetten geeft Plato een bondige omschrijving van de opvoeding in de traditie van paideia, de geestelijke vorming:

Een opvoeding die van jongs af de mens op de deugd richt, die hem een begeerte, een liefde doet opvatten om een volmaakt burger te worden, iemand die weet te bevelen en te gehoorzamen in alle rechtvaardigheid […]. Een manier van grootbrengen die gericht is op rijkdom, of mogelijk op lichaamskracht, of ook nog op een andere kundigheid buiten alle verstandigheid en rechtvaardigheid om […] is de naam ‘opvoeding’ niet waardig.

Bij dit ideaal hoort een oefening in de kunst van het gesprek, de oefening in sprezzatura, hoffelijkheid. Het is het streven om een honnête homme of femme te zijn…

Maar hoe realistisch is zo een opvoeding in het digitale tijdperk met de impact van zowel sociale media als kunstmatige intelligentie, plus het feit dat onze maatschappij voor het verkrijgen van bestaanszekerheid geheel andere vaardigheden vereist?

Iets soortgelijks doet zich voor ten aanzien van het onderwijs. Nietzsche voorspelde al anno 1874 in zijn lezingen over de toekomst van het onderwijs dat ‘de school der beschaving’ niet meer zou kunnen bestaan omdat de hele maatschappij gericht zou zijn op al wat van nut is voor de staat, de economie en daarmee het verdienen van geld. Hij had wederom een vooruitziende blik, want uit het meest recente onderzoek blijkt dat in Amerika (en in Europa zal het niet veel anders zijn) making money veruit de belangrijkste waarde is. Het is daarom ook niet verwonderlijk dat het (hoger) onderwijs gedomineerd wordt door science, technology, economics, mathematics.

De humaniora, boeken lezen, thuis zijn in een canon van de klassieken, zijn randverschijnselen geworden. De Duits-Joodse filosoof Leo Strauss zag, net als zijn collega en vriend Hans Morgenthau, een nauw verband tussen het verval van de democratie tot een massademocratie waarin angsten en begeerten regeren in plaats van morele en geestelijke waarden, en de negatie van een liberal education. In een lezing in 1959 merkt hij op dat een massademocratie wordt geregeerd door elites die het grote publiek weten te behagen maar nooit een boek lezen: ‘the salt of modern democracy are those citizens who read nothing except the sports page and comic section. De noodzaak van de humaniora en de kennis van de klassieken is volgens Strauss gelegen in liberal education: ‘Liberal education is the ladder by which we try to ascend from mass democracy to democracy as originally meant. Liberal democracy is the necessary endeavor to found an aristocracy within democratic mass society. Liberal education reminds those members of mass democracy who have ears to hear, of human greatness.

Dat deze educatie op geen enkele wijze van nut is voor economische, wetenschappelijke en technologische ontwikkeling mag duidelijk zijn. Dat het elitair is: idem. Wat erbij komt, is dat dankzij het kritische inzicht van hedendaagse cultuurstudies ook duidelijk is geworden hoe weinig inclusief en hoe weinig divers, dat wil zeggen: openstaand voor andere culturele uitingen, deze visie op onderwijs is. En los van dit alles is er het feit dat de traditie van Bildung die in Duitsland teruggaat op Goethe, de opkomst van een nazi-Duitsland niet heeft weten tegen te houden.

Blijft de vraag staan: wat voor een opvoeding en onderwijs zijn nodig om het beschavingsideaal te kunnen cultiveren dat leidt tot een geweldloze wereld waarin ieder mens in vrijheid en waardigheid kan leven?

Niet minder belangrijk is de vraag betreffende de mogelijkheden en verantwoordelijkheid van cultuurdragers voor ons beschavingsideaal: uitgeverijen, schrijvers, kunstenaars en kunstinstellingen, tijdschriften, media.

Een voorbeeld van hoe groot die invloed van een cultuurklimaat is, beschrijft Simone Weil in haar L’Enracinement over wat er in de maatschappij moet veranderen om een nieuwe beschaving te realiseren. Daarin uit ze haar boosheid over de uitgave van een boek over Lucius Cornelius Sulla, een dictator in de Romeinse Oudheid bekend om zijn wreedheid, bloedige schrikbewind en grootheidswaanzin. Ze merkt op:

Uit een levensbeschrijving van Hitler weten we dat een van de boeken die hem in zijn jeugd het diepst beïnvloed hebben, een zoveelsterangs boek over Sulla was […]. De schrijver van dat flutboek over Sulla, iedereen die door te schrijven over Sulla of Rome het klimaat mogelijk heeft gemaakt waarin dat boek werd geschreven, over het algemeen iedereen die met gezag het woord of de pen voerde, heeft bijgedragen tot de denkwereld waarin de jonge Hitler groot is geworden; al die mensen zijn misschien schuldiger dan Hitler aan de door hem begane misdaden.

Er is gelukkig ook een tegenvoorbeeld over de politieke invloed van een boek, een roman over de lotgevallen van een arts, een boek dat als medicijn moest dienen om een beschaving in crisis te genezen…

*

Begin januari 1958 werd er in Langley, Virginia op het hoofdkwartier van de cia een Russisch manuscript van een roman bezorgd in de vorm van twee filmrollen die in het diepste geheim waren gemaakt. John Maury jr., op dat moment de Chief Soviet Operations, las het en hij begreep onmiddellijk waarom het werk in de Sovjet-Unie verboden is. In een memo aan zijn collega Frank Wisner, verantwoordelijk voor geheime operaties, zegt hij: ‘Frank, the humanistic message — that every person is entitled to a private life and deserves respect as a human being, irrespective of the extent of his political loyalty or contribution to the state — poses a fundamental challenge to the Soviet ethic of sacrifice of the individual to the Communist system.

Er waren nog meer aspecten van de roman die elk totalitair regime zouden uitdagen: de vraag hoe een samenleving plotseling kan worden geconfronteerd met machtsmisbruik als de vooruitgang van rede en vrijheid gegarandeerd lijkt; de plaats van morele aspiraties en menselijk gevoel in een wereld geregeerd door geweld; hoe in zo een wereld vol van leugens mensen in waarheid kunnen blijven geloven; het conflict tussen een politiek doel en persoonlijke waarden. Het is dit perspectief op een menswaardig bestaan dat de Sovjets hun volk wilden onthouden.

In het besef (toen nog wel — nu helaas niet meer) dat de pen machtiger is dan het zwaard, wordt er met medeweten van president Eisenhower een geheime operatie georganiseerd. Al enkele maanden later krijgen welgestelde Russische burgers die het paviljoen Civitas Dei van het Vaticaan bezoeken ten tijde van de Wereldtentoonstelling in Brussel, een exemplaar van de roman in handen met de mededeling: ‘Prochtite eto — lees dit!’

Het verhaal van hoe deze roman, die de machthebbers van de Sovjet-Unie zoveel angst inboezemde, de wereld in kwam, begon echter niet op het hoofdkwartier van de cia, maar twee jaren eerder in de zomer van 1956 als het originele manuscript op het bureau terechtkomt van een kleine, pas begonnen Italiaanse uitgeverij in Milaan: Giangiacomo Feltrinelli Editore. De naamgever van de uitgeverij is een dertigjarige man afkomstig uit een steenrijke familie, die zich tijdens de oorlog had aangesloten bij de partizanen die tegen het fascisme streden en die na de oorlog, tot schrik van zijn moeder, lid werd van de Partito Comunista Italiano. Feltrinelli kan zelf geen Russisch lezen, vandaar zijn verzoek aan een Italiaanse slavist om het boek snel te lezen en hem erover te adviseren of het wel of niet moet worden uitgegeven. Vrijwel met kerende post kwam het antwoord: ‘Deze roman niet publiceren zou een misdaad zijn tegen de cultuur.’ Aldus geschiedde en op 15 november 1957 verscheen de Italiaanse uitgave van de enige roman die de Russische dichter en vertaler Boris Pasternak zou schrijven: Dokter Zjivago.

Partijleider Chroesjtsjov in Moskou was woedend. Woedend op ‘Comrade Feltrinelli’ die niet was bezweken voor alle dreigementen. En zo woedend op Pasternak dat bewaarheid werd wat hij cynisch voorspelde toen hij de scout van Feltrinelli het manuscript had meegegeven, opdat de roman toch gepubliceerd kon worden: ‘Bij dezen bent u uitgenodigd om aanwezig te zijn bij mijn executie.’

Het leven van dokter Joeri Zjivago is getekend door de Russische Revolutie van de bolsjewieken onder leiding van Lenin, Stalin en Trotski, die met de verwerping van het tirannieke tsaristische bewind met een communistische heilstaat een nieuwe beschaving op aarde willen realiseren. Aanvankelijk kan deze strijd voor een meer rechtvaardige wereld op de sympathie van Zjivago rekenen. Maar de nietsontziende revolutie leidt tot een burgeroorlog van het Rode Leger tegen de Witten en Zjivago ervaart dat er een tijd is aangebroken die de oude uitspraak ‘de ene mens is de ander een wolf’ rechtvaardigt: ‘De menselijke wetten van de civilisatie waren voorbij. De wetten van wilde dieren waren van kracht. De mens had voorhistorische dromen uit het holentijdperk.’ Hij komt ook tot het besef dat de revolutie niet alleen chaos brengt, maar ook alles wat ooit een fundament van beschaving was, wil vervangen door de heerschappij van leugens. Dat is ook de ervaring van Lara die Zjivago weer ontmoet (ze kennen elkaar nog uit hun jeugd, maar hadden elkaar uit het oog verloren) wanneer beiden, zij als verpleegster en hij als arts, tijdens de burgeroorlog werken in een veldhospitaal in Zuid-Rusland. Wanneer zij als twee geliefden even aan de oorlog hebben kunnen ontsnappen en in een oud landhuis terecht zijn gekomen, vraagt Zjivago haar waarom de man van Lara, van wie zij nog steeds houdt, haar heeft verlaten om met de bolsjewieken mee te gaan vechten en zo hun huwelijksgeluk kapot heeft gemaakt. Lara:

Ik heb de tijd nog meegemaakt dat de denkbeelden van de vorige, vreedzame eeuw van kracht waren. Het was gewoon om te vertrouwen op de stem van de rede. Dat wat het geweten de mens ingaf werd als natuurlijk en noodzakelijk beschouwd. Dat iemand stierf door de hand van een ander was een zeldzaamheid, een extreme, exceptionele gebeurtenis. Moorden, zo dacht men, kwamen alleen in tragedies voor, in speurdersromans en krantenkronieken, maar niet in het gewone leven. En toen opeens was er die sprong van de bedaarde, onschuldige regelmaat naar het bloed en het gekrijs, de totale waanzin en verwildering van een gelegitimeerde, verheerlijkte moordpartij die ieder uur, iedere dag doorging […]. Toen kwam de leugen over het Russische land. De grootste ramp, de wortel van het toekomstig kwaad, was dat het geloof in de eigen mening verloren ging. De mensen verbeeldden zich dat de tijd voorbij was waarin je deed wat je morele instinct je ingaf, dat je nu met de meute mee moest zingen en naar andermans, aan iedereen opgedrongen inzichten moest leven. De heerschappij van de frasen begon zich uit te breiden, eerst die van de monarchie, daarna die van de revolutie […]. Hij was teleurgesteld in zijn eigen leven, en in het geloof dat het marxisme al het kwaad in de wereld kan uitroeien, heeft de revolutie hem gewapend en daarom is hij naar het front vertrokken.

In dat stille huis, voorlopig ver weg van de wereld, weten Lara en Zjivago zich behalve door hun zielsverwantschap, vooral ‘verenigd door de kloof die hen scheidde van de rest van de wereld. Ze hadden allebei een even grote afkeer van wat zo fataal typerend was voor de moderne mens; zijn aangeleerde uitbundigheid, zijn schreeuwerige elan en de dodelijke fantasieloosheid die ontelbare dienaren van de wetenschappen en de kunsten zo naarstig verspreiden opdat genialiteit een grote zeldzaamheid zou blijven’.

Hoewel hij qua opleiding arts is, is de ware passie van Zjivago de kunst, de poëzie in het bijzonder. Diep in de nacht, Lara slaapt en huilende hongerige wolven sluipen om het huis, maakt hij zijn notities over kunst en schrijft hij zijn gedichten. Kunst is voor hem het nadenken over de dood en zo onophoudelijk leven scheppen. Dat is waarom hij dichter wil zijn. Het wezen van de kunst, zo noteert hij, is niet de vorm maar het is de ziel, het wezen en fundament van wat wordt uitgebeeld, en dat alle kunst waaronder ook de tragische, een verhaal is over het geluk van het bestaan…

Hij schrijft zijn gedicht ‘Winternacht’, en het brandend kaarsje in de openingsstrofe en als slot is voor hem het symbool dat er te midden van alle duisternis, verlatenheid, geweld en dood, de menselijke ziel onsterfelijkheid is geschonken:

            Een sneeuwstorm woedde in het rond
            over de landen,
            en binnen op de tafel stond
            een kaars te branden

            […]

            Een maandlang ging de sneeuwstorm rond
            over de landen,
            en binnen op de tafel stond
            een kaars te branden.

Zjivago schrijft zijn gedichten ook in het besef dat het bestaan van hem en Lara bedreigd wordt, dat er een einde zal komen aan hun levensgeluk samen, wat niet veel later ook het geval zal zijn als Lara onder valse voorwendselen Zjivago verlaat. Wanneer op het einde van het verhaal Zjivago in eenzaamheid is gestorven, beseft Lara dat alleen dankzij hun liefde zij ‘het raadsel van het bestaan, het raadsel van de dood’ nu kan begrijpen. Het slot van de roman: het is een zomeravond in 1929, en de twee vrienden van Zjivago zitten voor een open raam in Moskou met elkaar te praten en te bladeren in het boekje met de gedichten van Zjivago dat hij hen heeft nagelaten. Beiden hebben de apocalyptische gruwelen aan den lijve ondervonden, maar nu op deze mooie zomeravond, alwaar een voorbode van vrijheid in de lucht hangt, uitkijkend over hun dierbare stad:

scheen het de oud geworden vrienden aan het raam toe dat deze vrijheid van de ziel is aangebroken, dat uitgerekend op deze avond de toekomst daar beneden in de straten tastbaar was neergestreken, dat zij zelf deze toekomst hadden betreden en zich er van nu af aan in zouden ophouden […]. En het boekje met zijn gedichten in hun handen leek dit alles te weten, en ondersteunde en bevestigde hun gevoelens.

De vriendschap tussen Feltrinelli, de moedige uitgever van Dokter Zjivago, en Pasternak was een epistolaire vriendschap. De laatste zinnen van de brief die Feltrinelli op 5 maart 1958 aan Pasternak schrijft, vatten samen waarom we deze roman, dit werk over het mens- en wereldbeeld van die dokter Zjivago, als het medicijn mogen beschouwen om een beschaving in crisis te genezen:

Veel dank voor Dokter Zjivago, voor alles wat hij ons heeft geleerd. In deze tijd waarin menselijke waarden worden afgedankt, menselijke wezens worden gereduceerd tot robot, waar de meeste mensen alleen maar proberen van zichzelf weg te vluchten en de problemen van hun ego trachten op te lossen door wat nog over was van hun eigen menselijk gevoel in zichzelf te doden, is Zjivago een les om nooit te vergeten. En telkens als ik niet weet wat ik in mijn leven moet doen, weet ik dat ik terug kan gaan naar Zjivago en van hem de grootste les van het leven te leren. Zjivago zal mij altijd helpen wanneer ze volledige verloren lijken, de eenvoudige en diepste waarden van het leven te hervinden. Met een diepgevoelde liefhebbende vriendschap, Giangiacomo Feltrinelli.

Hoe complex wij mensen zijn en het leven is, mag blijken uit het vervolg van het levensverhaal van Feltrinelli. Identificeerde hij zich in 1958 nog met het personage van Zjivago, in de jaren zestig zal hij zich steeds meer identificeren met de andere liefde van Lara, haar echtgenoot die teleurgesteld in zichzelf en de maatschappij zich wapent om te vechten in de revolutie. Zo ook Feltrinelli. Hij raakt in de ban van figuren als Fidel Castro en Che Guevera, en richt zelf een gewapende organisatie op, nauw verwant aan de extreemlinkse terreurorganisatie Rode Brigades, dit om de maatschappij te behoeden voor een herlevend fascisme. Feltrinelli moet onderduiken, want hij wordt gezocht voor terroristische activiteiten.

Op 14 mei 1972, vlakbij een hoogspanningsmast dicht bij Milaan, wordt zijn dode lichaam gevonden. Het explosief dat hij had willen plaatsen, is onverwacht afgegaan. Was het zijn eigen fout of had iemand de ontsteker bewust gesaboteerd? Niemand zal het weten. Maar dit is wat Joeri Zjivago wist:

En binnen op de tafel stond
een kaars te branden.

© Rob Riemen
Januari/februari 2026