retro-television

Een redelijk pessimisme

Geen van de gewetensvragen over de aard, betekenis en — boven alles — de toekomst van de Europese cultuur roept zo’n diep gevoel van verwarring en onbehagen op als de vraag van George Steiner in zijn boek In Bluebeard’s Castle. Some Notes Towards the Redefinition of Culture. Steiners vraag werd ingegeven door de persoon van Hans Frank, de Duitse gouverneur-generaal van Polen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Frank, verantwoordelijk voor de uitroeiing van miljoenen joden, was ook de kunsten toegewijd; volgens zijn vrouw was hij ‘een kunstenaar, een groot kunstenaar, met een zuivere, fijngevoelige ziel’. Als de immense taak van de methodische en wetenschappelijke uitroeiing hem te veel leek te worden, zocht hij afleiding en troost in de kunsten. Hij vond vertroosting in zijn piano, in de muziek van de Duitse Romantiek of in zijn verzameling Italiaanse renaissanceschilderijen. Meedogenloze wreedheid en verfijnde beschaving huisden naast elkaar in zijn ziel, maar geen van deze twee eigenschappen — vooral de laatste niet — kon de andere stuiten of temperen. Deze schijnbare paradox bracht Steiner tot zijn vraag: ‘Waarom zou men zich inspannen om de cultuur te verfijnen en uit te dragen, als deze cultuur zelf zo weinig moeite heeft gedaan om het onmenselijke te bestrijden?’

Het is een verschrikkelijk moeilijke maar onontkoombare vraag en, hoe moeilijk het ook mag zijn, we moeten pogen haar openlijk onder ogen te zien. Hier is één mogelijk antwoord. Denk eens aan het verhaal van Simon Pullman, een Oekraïener die toevallig in Polen was tijdens de Duitse inval en in het getto van Warschau opgesloten werd. Tijdens zijn verblijf daar organiseerde en dirigeerde Pullman het tachtigkoppige symfonieorkest van het getto, en leidde veel van de concerten die het orkest gaf. Zonder de inspanning die nodig was om ‘de cultuur te verfijnen en uit te dragen’, zou het getto geen orkest hebben gehad in de twee jaar dat Frank het bestaan ervan toestond, voordat hij alle musici tegelijk op transport naar Treblinka stelde.

Dit essay verscheen in 2007, in Nexus 47, ‘Klassieken, kunst en kitsch’.
Vertaling Gertjan Wallinga