Musil

Over de domheid

Voordracht op uitnodiging van de Österreichischer Werkbund
in Wenen gehouden op 11 maart 1937 en nog eens op 17 maart

 

Geachte aanwezigen!

Iemand die het waagt over de domheid te spreken loopt tegenwoordig het risico er op allerlei manieren nadeel van te ondervinden: het kan als aanmatigend van hem worden uitgelegd, het kan zelfs als verstorend voor de hedendaagse ontwikkelingen worden uitgelegd. Zelf heb ik al vele jaren geleden geschreven: ‘Als domheid niet verbazingwekkend veel leek op vooruitgang, talent, hoop of verbetering, zou niemand dom willen zijn.’ Dat was in 1931 en niemand zal durven betwijfelen dat de wereld ook sindsdien nog vooruitgang en verbetering heeft gekend! Dus kan ik langzamerhand de vraag niet meer voor me uitschuiven wat domheid eigenlijk is.

Ik wil hier ook niet buiten beschouwing laten dat ik als schrijver de domheid nog ken van voor die tijd en zelfs kan zeggen dat ik in haar dikwijls een collega heb gehad! En een man in de letteren hoeft maar om zich heen te kijken of hij ziet zich voor een nauwelijks te beschrijven weerstand geplaatst, die allerlei vormen aan lijkt te kunnen nemen, hetzij persoonlijke, zoals de waardige vorm van een hoogleraar literatuurgeschiedenis die gewend als hij is zijn pijlen te richten op oncontroleerbare vertes, er in het heden naast schiet en brokken maakt; hetzij algemene vluchtigheden zoals de vervanging van het kritisch oordeel door het commerciële, sinds de tijd dat God in zijn voor ons niet zo eenvoudig te begrijpen goedheid de taal der mensen ook aan makers van geluidsfilms heeft geschonken. Vroeger heb ik al eens een of soms wel meer van dergelijke verschijnselen beschreven, maar het is onnodig dat te herhalen of aan te vullen (wat vermoedelijk ook totaal onmogelijk is vanwege de neiging tegenwoordig overal ‘groot’ voor te zetten). Ik volsta met erop te wijzen dat hier zeker als resultaat uit zou komen dat de niet-kunstzinnige gemoedsgesteldheid van een volk zich niet pas in slechte tijden en op botte wijze voordoet, maar ook al in goede tijden en op allerlei wijze, zodat onderdrukking en verbod alleen gradueel verschillen van eredoctoraten, academische benoemingen en prijsuitreikingen.

Ik heb altijd vermoed dat deze veelvormige weerstand tegen kunst en verfijnde zin bij een volk dat zich op de liefde voor de kunst beroemt, niets anders is dan domheid, misschien een speciale variant ervan, een speciale kunst- of misschien ook gevoelsdomheid, hoe het ook zij, het is een domheid die zich zo manifesteert dat hetgeen wij kunstzinnig noemen, tegelijk ook kunstdommig kan zijn, en ik zie ook nu niet echt veel reden om van die opvatting af te zien. Natuurlijk kunnen we niet alle misvormingen die een diepmenselijk verlangen als kunst oploopt, op de domheid schuiven, er moet, zoals vooral de ervaringen van de laatste jaren hebben geleerd, ook plaats worden ingeruimd voor alle soorten karakterloosheid die er maar zijn. Dat wil echter nog niet zeggen dat het begrip domheid hier niets mee van doen heeft, vanuit de gedachte dat het betrekking zou hebben op het verstand en niet op het gevoel, waar de kunst nu eenmaal van afhangt: een misvatting. Zelfs het esthetische genot is oordeel en gevoel. Een grootse formulering die ik aan Kant heb ontleend en ik hoop dat ik u eraan mag herinneren dat Kant in dit verband spreekt over een esthetisch oordeelsvermogen en een oordeel van de smaak, en dat ik ook tegelijk de antinomieën mag herhalen waartoe dit alles leidt.

These: het oordeel van de smaak is niet op begrippen gebaseerd, anders viel erover te disputeren (door bewijs te besluiten).

Antithese: het is op begrippen gebaseerd, anders kon je er niet eens over twisten (een instemming nastreven).

En nu zou ik de vraag willen stellen of er niet een soortgelijk oordeel met een soortgelijke antinomie ten grondslag ligt aan de politiek en aan de wirwar van het leven als zodanig. En mogen we waar oordeel en verstand thuis zijn, ook niet verwachten hun zussen en zusjes, de verschillende manieren van domheid, aan te treffen? Van zoveel belang zijn ze dus. Erasmus van Rotterdam heeft in zijn verrukkelijke en nog steeds frisse Lof der zotheid geschreven dat de mens zonder bepaalde dommigheden niet eens ter wereld kwam!

Vertaling Liesbeth van Nes