Woolf

Over ziek zijn

Als we bedenken wat een veel voorkomend verschijnsel ziekte is, hoe immens de geestelijke verandering is die zij teweegbrengt, hoe verbazingwekkend de onverkende landen zijn die worden ontsloten als onze gezondheid het laat afweten, wat een wildernissen en woestijnen van de ziel door een milde griepaanval in het zicht komen, wat een afgronden en met bonte bloemen bestrooide grasvelden al door een lichte verhoging worden onthuld, wat een oude, onverzettelijke eiken in ons ontworteld raken als we ziek zijn, hoe we afdalen in de poel des doods en voelen dat de wateren der vernietiging zich boven ons hoofd sluiten en ons bij het ontwaken in het gezelschap wanen van engelen en harpspelers als we nadat er een kies is getrokken in de stoel van de tandarts herrijzen en diens ‘Spoelt u maar, spoelt u maar’ verwarren met de begroeting van de Godheid die zich vanaf zijn verheven troon naar ons overbuigt om ons in de hemel te verwelkomen — als we bij dit alles stilstaan, zoals we zo vaak gedwongen zijn te doen, zal het ons des te meer bevreemden dat ziekte zich niet geschaard heeft bij liefde en strijd en jaloezie als een van de belangrijkste thema’s van de literatuur. Je zou verwachten dat er romans zouden zijn gewijd aan griep, heldendichten aan tyfus, lofzangen aan longontsteking, lyrische gedichten aan kiespijn. Maar nee, enkele uitzonderingen daargelaten — De Quincey heeft iets van dien aard geprobeerd in The Opium Eater; er moet een deeltje of twee kunnen worden samengesteld met passages over ziekte in het oeuvre van Proust — doet de literatuur haar best om ons voor te houden dat zij zich enkel bekommert om de geest; dat het lichaam een venster is dat een helder, onbelemmerd zicht biedt aan de ziel, en dat het, één of twee hartstochten daargelaten, zoals begeerte en hebzucht, van nul en generlei betekenis is, te verwaarlozen is en niet-bestaand. Niets is echter minder waar. De hele dag, de hele nacht laat het lichaam zijn invloed gelden; het verdoezelt of verscherpt, kleurt of verkleurt, wordt als was in de warme junizon, verhardt tot talg in het sombere februarilicht. Het schepsel dat erin huist, kan slechts door de ruit turen — die vol vieze vegen zit of rooskleurig is; en anders dan de schede van een mes of de dop van een erwt kan het zich geen ogenblik losmaken van het lichaam; het moet die hele, eindeloze opeenvolging van veranderingen doormaken, hitte en kou, gemak en ongemak, honger en bevrediging, gezondheid en ziekte, tot de onafwendbare ontknoping zich voltrekt: het lichaam gooit zichzelf aan diggelen, en de ziel (zo zegt men) ontsnapt. Maar van al deze dagelijkse drama’s van het lichaam is niets geboekstaafd. Er wordt altijd maar geschreven over de verrichtingen van de geest; de gedachten die erin opkomen; zijn nobele plannen; hoe de geest de wereld heeft beschaafd. We kunnen lezen hoe de geest het lichaam verwaarloost in de ivoren toren van de filosoof of het als een oude leren voetbal voortschopt over onafzienbare sneeuwvlakten en woestijnen, in de zucht naar verovering of ontdekking. Die hevige veldslagen die het lichaam, met de geest als zijn slaaf, in de eenzaamheid van de slaapkamer levert tegen een koortsaanval of een dreigende depressie, worden veronachtzaamd. En de reden hiervoor hoeven we niet ver te zoeken.

Dit essay verscheen in 2004, Nexus 39, ‘Anatomie van het verlies’.
Vertaling Janneke van der Meulen


Lees ook: