Avishai Margalit

Vergiffenis: het overwinnen van gerechtvaardigde wrok

Serieuze vergiffenis
Ik heb geen recept om de wereld te redden, maar ik heb wel iets te zeggen over wat een wereld die niet gered kan worden nodig heeft: vergiffenis.

Vergiffenis is veeleisend — om preciezer te zijn: serieuze vergiffenis is veeleisend, oppervlakkige vergiffenis niet. Oppervlakkige vergiffenis is een kwestie van etiquette, serieuze vergiffenis is een kwestie van ethiek. Je verontschuldigen voor het morsen van wijn op een wit tafellaken tijdens een diner is een kwestie van etiquette, je verontschuldigen voor het morsen van warfarine, een dodelijk gif uit de boeken van Agatha Christie, in een wijnglas is een kwestie van ethiek. Ik houd me bezig met de ethiek, niet met etiquette, hoewel we voor beide zaken, zoals we zullen zien, tact nodig hebben.

‘Serieus’ heeft twee betekenissen. De ene betekenis heeft te maken met de omvang van het leed waarvoor de schuldige om vergiffenis vraagt. De andere betekenis heeft te maken met de schade die is toegebracht aan de relatie tussen de dader en het slachtoffer. ‘Serieus’ in de eerste betekenis van het woord heeft te maken met substantieel letsel aan de belangen van het slachtoffer, ‘serieus’ in de tweede betekenis verwijst naar substantiële schade aan de kwaliteit van de relatie tussen dader en slachtoffer.

Het vragen om vergiffenis kan verwijzen naar twee brede categorieën van wangedrag: iemand letsel toebrengen, en iemand krenken. Het toebrengen van letsel schaadt de belangen van het slachtoffer, terwijl een krenking de gevoelens van het slachtoffer schaadt. Vergiffenis is doorgaans serieus als het wangedrag een mengeling is van het toebrengen van letsel en het kwetsen van iemands gevoelens, wanneer, zoals men in het Engels zegt, ‘insult is added to injury’.

Serieuze vergiffenis kan aan het onvergeeflijke grenzen. Jacques Derrida heeft van deze verwantschap tussen serieuze vergiffenis en het onvergeeflijke gebruik gemaakt in zijn innerlijk tegenstrijdige uitspraak: ‘vergiffenis vergeeft louter het onvergeeflijke’. Mijn uitleg van deze uitspraak van Derrida is vrij saai en banaal: filosofisch gezien is het louter de moeite waard je met vergiffenis bezig te houden in gevallen waarin sprake is van serieuze misdrijven, als het echt heel moeilijk is om te vergeven. Toch zijn die misdrijven soms zo ernstig van aard dat ze onvergeeflijk worden, in die zin dat van de slachtoffers niet mag worden verwacht dat ze de dader zullen vergeven.

De onvergetelijk gruwelijke verhalen van Ivan Karamazov over het martelen van kinderen dringen zich op ter ondersteuning van de bewering dat er inderdaad onvergeeflijke misdaden bestaan. Van onvergeeflijke misdaden is sprake als er geen ruimte is om een beroep op het slachtoffer te doen om de relatie met de folteraar te herstellen. Dostojevski vraagt zich af of de moeder wier kind voor haar ogen in stukken werd gescheurd door de jachthonden van een kwaadaardige landheer, de boosdoener moet vergeven. Zelfs Aljosja, het toonbeeld van christelijke vergevingsgezindheid, huivert bij de gedachte aan het vergeven van een dergelijke wandaad. Maar hoe zit het als er enige tijd is verstreken sinds de wandaad is begaan, als de onmiddellijke reflex heeft plaatsgemaakt voor uitgestelde reflectie?

Dit essay verscheen in 2017, in Nexus 74, ‘Wat zal de wereld redden?’.
Vertaling Menno Grootveld