Muziek

Beethoven: The Relentless Revolutionary

John Clubbe
W.W. Norton & Company, 2019

Bestel dit boek via ons partnerschap met Athenaeum Boekhandel

Door Emanuel Overbeeke, musicoloog 

Al vrij snel in Beethoven: The Relentless Revolutionary komt John Clubbe met een opmerkelijke bekentenis: ‘For the central thesis of this book – that Beethoven was a “revolutionary” – I cannot claim originality.’ Ook al is de centrale stelling van het boek inderdaad oud, ze is niet verouderd. Ze moet met regelmaat worden verkondigd en verdedigd, ten eerste omdat ze anders uit beeld verdwijnt en ten tweede omdat populisten bezig zijn de geschiedenis van de westerse cultuur te herschrijven.

In zekere zin was Beethoven ook een herschrijver. De componist (1770-1827) leefde in een tijd waarin nieuwe waarden werden verkondigd, verdedigd en bestreden en hij koos met zijn gedrag en muziek duidelijk stelling voor nieuwe muziek en daarmee impliciet voor een nieuwe kijk op de (muziek)geschiedenis. Beethoven was tegelijk een januskop met wie men vele kanten uit kon en wilde: enerzijds geworteld in de muziek van de klassieke periode en in het ancien régime, anderzijds een romanticus die zowel in sociaal als in muzikaal opzicht een ‘relentless revolutionary’ was.

Die dubbele natuur was van meet af aan problematisch voor zijn omgeving en zijn nageslacht. De periode die wij nu klassiek noemen (1750-1830) noemden de tijdgenoten romantisch. Pas rond 1840, toen er in reactie op de culturele turbulentie van dat moment nostalgie ontstond naar een gedroomde idylle vol evenwicht en orde, ontstond de mythe van de klassieke periode als toonbeeld van apollinische sereniteit. Tot 1840 was Beethoven een toonbeeld van de Romantiek, vooral voor zijn vroegste bewonderaars. Na 1840 was hij een toonbeeld van classiciteit, vooral voor hen die opstandigheid bij voorkeur onderdrukten en voor hen die de autonomie van kunst bejubelden om daarmee de revolutionaire boodschap te verzwijgen. De strijd tussen die twee zielen is de rode draad in de receptie van Beethoven, vanaf zijn eigen tijd tot nu.

Clubbe maakt met zijn boek goed duidelijk hoezeer de wortels van die receptie liggen in Beethovens leven en werk. Clubbe is daarnaast meer cultuurhistoricus dan muziekkenner. Zijn beschrijvingen van politiek en cultuur zijn goed en uitvoerig, die van de muziek kort en karig. Hij gelooft in een grote invloed van de context op de muziek, maar erkent ook Beethovens grote eigenzinnigheid en voorkomt zo gelukkig de val van het vulgaire determinisme.

Hoofdstukken over de geschiedenis in Beethovens tijd wisselt Clubbe af met delen over Beethovens reacties daarop. Die opzet maakt zonneklaar dat de componist de actualiteit nauwgezet volgde, dat hij van zijn tienerjaren tot zijn dood de idealen van de Verlichting en de Franse Revolutie onderschreef en dat hij daaraan uiting gaf in leven en werk. Beethoven las en waardeerde teksten van Verlichtingsschrijvers, had in zijn gedrag geen respect voor de aristocratie uit geboorte en tartte in zijn muziek de taal waarin hij was grootgebracht.

Clubbe hecht veel waarde aan Beethovens fascinatie met de heldencultus: hij koesterde figuren uit de klassieke oudheid en schrijvers als Schiller en Schneider, en had een enorme bewondering voor Napoleon die op heroïsche wijze de ideeën van de Verlichting ook buiten Frankrijk probeerde te verwezenlijken. Dat was voor Beethoven voldoende reden om zijn Derde symfonie oorspronkelijk aan Napoleon op te dragen. Die opdracht verscheurde hij toen hij hoorde dat Napoleon in 1804 zichzelf tot keizer had gekroond en zichzelf daarmee in Beethovens ogen had gedegradeerd tot een ordinaire machtswellusteling. Ondanks dit voorval bleef de held als type voor Beethoven de leidende figuur.

Die visie op Beethoven verklaart de zeer selectieve bespreking van de composities. Sommige argumenten die Clubbes stelling uitstekend ondersteunen noemt hij niet, zoals het feit dat andere componisten in dezelfde context niet revolutionair waren en dat sommige critici Beethovens muziek krankzinnig vonden. Ook gaat Clubbe voorbij aan werken die het goed deden in dat deel van de burgerlijke cultuur waarin of de rebellie geleidelijk plaats vond of de oude macht niet wezenlijk bedreigd werd. Daartoe behoort veel kamermuziek en stukken voor pianosolo.

Daarentegen behandelt Clubbe vooral die werken die als revolutionair golden in Beethovens tijd en in de decennia erna. Het begint met de cantate die hij schreef bij de dood van de Verlichte vorst Leopold II uit 1790. Bij de vroege pianosonates is hij het uitvoerigst over de Sonata opus 13, bijgenaamd Pathétique, die hij in verband brengt met de literaire beweging Sturm und Drang. De eerstvolgende sonate die hij ruime aandacht geeft is opus 27 nr. 2, beter bekend als de Mondscheinsonate. Clubbe noemt het een revolutionair werk op grond van de ongewone opening en het woeste derde deel.

Bij enkele van Beethovens grote werken uit de jaren 1800-1815 kan Clubbe zich helemaal uitleven en wil hij vooral overtuigen met karakterbeschrijvingen, bijvoorbeeld bij de Vijfde en Zevende symfonie. Nog duidelijker is Clubbes opvatting in zijn bespreking van enkele van Beethovens werken uit zijn laatste negen jaar (1818-1827) zoals de late kwartetten en de Negende symfonie. Vaak worden en werden zij voorgesteld als excentrieke uitingen van een excentriek persoon, maar wie ze zoals Clubbe in hun tijd plaatst, begrijpt de weerstand van zijn tijdgenoten (en daarmee het revolutionaire karakter) en het feit dat veel late stukken ook nog jaren na Beethovens dood nauwelijks doordrongen tot een breed publiek.

Door ontbreken van technische beschrijvingen, lijkt zijn boek primair bestemd voor een groot publiek dat opnieuw overtuigd moet worden van Beethovens revolutionaire karakter. Als zodanig is het een duidelijk en goed geschreven boek. Het boek had, met uitzondering van de verwijzingen naar recente publicaties, grotendeels ook zeventig jaar geleden geschreven kunnen zijn, toen het heroïsche gevecht voor een Verlichte, liberale orde na een recente oorlog tegen het nazisme voor iedereen een vanzelfsprekendheid was.

Toch ligt daar de actuele betekenis van dit boek, die Clubbe niet noemt. Beethoven is veel meer dan een muzikaal standbeeld dat dit jaar uitgebreid gefêteerd wordt vanwege zijn 250e verjaardag. Hij staat voor waarden die meer dan ooit sinds de oorlog verdediging behoeven. Nu doen we dat misschien minder heroïsch dan Beethoven en zijn oude bewonderaars dat zouden hebben gedaan, maar het moet wel gebeuren. Beethovens muziek is daarbij een geweldige inspiratiebron.

 


Lees meer over Beethoven in Nexus 57, ‘Beethoven of Superman?

Lees ook de bespreking van The Ninth van Harvey Sachs door Pieter Hoexum.