Geschiedenis

De fantoomterreur

Revolutiedreiging en de onderdrukking van de vrijheid 1789-1848

Adam Zamoyski
Balans, Amsterdam, 2015

Door Barend Blom, historicus

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel
Op de ochtend van de veertiende juli 1789 verzamelden zich een kleine duizend ontevredenen rond de Bastille in Parijs. Een delegatie werd uitgenodigd door de gouverneur van de gevangenis om tijdens een goed ontbijt de eisen te bespreken: het overhandigen van het opgeslagen buskruit en het vrijlaten van de gevangenen. Naarmate de uren verstreken werd de menigte buiten ongeduldiger, totdat een waaghals besloot het heft in eigen hand te nemen. Via het dak van een nabijgelegen parfumerie wist hij op de ophaalbrug te klimmen en de kettingen door te zagen. Ongelukkigerwijs belandde deze op een van zijn medestanders, die het voorval niet overleefde. De sleutels van de volgende poort werden overhandigd door een aanwezige bewaker. De bestorming van de Bastille was een succes! Helaas bleek degene die de sleutels had aangenomen inmiddels naar huis te zijn teruggekeerd, met de sleutelbos waaraan ook de sleutels van de celdeuren zaten. De deuren werden ingeramd, om uiteindelijk slechts zeven gevangen te verlossen, waarvan er een overtuigd was Julius Ceasar te zijn. Eenzelfde amateurisme zien we wanneer Lodewijk XVI twee jaar later probeert te vluchten uit Parijs om een contrarevolutie te starten: de enige reden dat zijn vlucht mislukt is dat Drouet, de postmeester van Sainte-Menehould, de koning herkent van het muntgeld.

Adam Zamoyski laat in zijn laatste werk De fantoomterreur. Revolutiedreiging en de onderdrukking van de Vrijheid 1789-1848 zien hoe het bekende vervolg een schokgolf door alle Europese vorstenhuizen zou sturen, die de hele eerste helft van de negentiende eeuw zou kenmerken en waarvan de gevolgen tot op de dag van vandaag gevoeld kunnen worden. De leiders van Europa’s reactionaire staten konden of wilden simpelweg niet geloven dat de Franse revolutie en de vele opstanden die daarop volgden ongeorganiseerde uitbarstingen waren van onvrede onder de bevolking. Zamoyski weet, geholpen door zijn enorme talenkennis, dicht op de huid te kruipen van de diverse hoofdrolspelers op het Europese toneel, van Tsaar Alexander tot de hertog van Wellington. Hij weet hun angsten invoelbaar te maken, hoe absurd hun denkbeelden ook zijn. Een glansrol is hierbij weggelegd voor de Oostenrijkse staatsman Klemens von Metternich, die overal de onzichtbare hand zag van een enorm complot onder leiding van het — nooit bestaande — comité directeur in Parijs.

In plaats van iets te doen aan de werkelijke oorzaken van opstandjes, hoge graanprijzen en slechte werkomstandigheden, werden overal in Europa politie- en spionagenetwerken opgezet die revolutionairen moesten ontmaskeren. Zamoyski laat zien hoe iedereen tot verdachte werd gemaakt en geeft een inkijkje in de geboorte van de moderne (politie)staat. In feite werd het een onmogelijke zoektocht naar de volgende postmeester Drouet. Meer dan eens liep dit uit op een klucht, bijvoorbeeld door de inzet van agent provocateurs. Met groot gevoel voor het anekdotische beschrijft Zamoyski de vele potsierlijke situaties die hieruit voortkwamen. Zoals het voorval van de ontmoeting van een oud-generaal met een baron. De generaal weet provocerende uitspraken aan de baron te ontlokken en samen beramen ze een plan om een staatsgreep te plegen. Maar wanneer de generaal vol trots zijn lijvige rapport aan de politiechef overhandigt, krijgt hij een even lijvig rapport retour, over hem geschreven door de baron: beiden waren ze in dienst van de politie.

De paranoia van staatshoofden resulteerde in door de politie georkestreerde opstandjes en bergen papierwerk vol nutteloze informatie en veelal verzonnen complotten. En het werd een gegeven dat het postgeheim werd geschonden. Zelfs Metternich zelf was hiervoor niet veilig. Ondanks een omslachtige methode van communicatie met zijn maîtresse gravin Lieven, met brieven binnen pakketjes gericht aan minder illustere figuren, ligt er een kopie van elke brief van Metternich in het Franse politiearchief.

Het resultaat was dat arme drommels in de cel belandden voor een roekeloze uitspraak maar werkelijke opstanden niet werden voorkomen: men zou wel gek zijn via de post te communiceren. Het systeem werkte vooral niet omdat opstanden domweg niet het resultaat waren van complotten, of zelfs maar politiek ingegeven. In plaats daarvan waren ze het gevolg van onvrede over slechte leefomstandigheden, die veelal het resultaat waren van het falen van de staat. Of zoals de progressieve Britse politicus Earl Grey schrijft aan dezelfde gravin Lieven: ‘Ik heb nog nooit een volksrevolutie meegemaakt die niet toegeschreven kan worden aan de directe of indirecte provocaties aan de kant van de regering.’ Ook de verscheidene aanslagen op staatshoofden herleidt Zamoyski tot acties van eenlingen die om wat voor reden dan ook hun frustraties wilden uiten. Het grote complot was een fantoom.

Hoewel Zamoyski de lezer zijn eigen conclusies laat trekken, zijn de parallellen met de huidige samenleving evident. Overduidelijk is de vergelijking met de huidige methodes van de geheime diensten: heeft het werkelijk zin om grote hoeveelheden data op te slaan om aanslagen te voorkomen? Alleen al het feit dat al die informatie wordt onderschept duidt erop dat we ook vandaag de dag nog willen geloven in een grotere samenzwering. Tenminste wanneer dat past in ons beeld van de huidige samenzweringen: waarom wordt de vermeende relatie tussen de aanslagplegers op Charlie Hebdo en Saïd en Chérif Kouachi, overal benadrukt, terwijl Anders Breivik, ondanks zijn claim dat hij onderdeel was van een Europees netwerk, wordt neergezet als ‘lone wolf’? En waarom wordt van moslims verwacht dat ze zich distantiëren van terroristen? Zamoyski stelt indirect de vraag of er nog steeds een zoektocht gaande is naar een universeel complot dat kan dienen als zondebok voor het falen van de staat.

De tijd zal het leren, of de huidige geheime diensten grote complotten hebben ontmaskerd of slechts een fantoomterreur hebben bestreden. In elk geval zullen ze bronnen hebben gecreëerd voor toekomstige historici, die hopelijk met evenveel souplesse en elegantie als Zamoyski anekdotes weten te verbinden met de politieke ontwikkelingen en even levendig de vele relaties tussen Europese leiders in kaart weten te brengen.