Literatuur

Het bestand

Arnon Grunberg
Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 2015

Door Jan-Hendrik Bakker, filosoof, journalist en schrijver

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel
Het lichaam is de oorzaak van onze onvolmaaktheid. Dat wist Plato al. Dankzij het lichaam zien we slecht, ruiken we slecht, worden we ziek, jagen we achter onze begeertes aan en gaan we ten slotte dood. In de jongste novelle van Arnon Grunberg krijgt dat eeuwenoude inzicht een nieuwe context. Het bestand gaat over het verlangen van het meisje Lillian geheel online te kunnen leven en niets meer met de fysieke werkelijkheid te maken te hebben. Dat lukt haar uiteindelijk slecht. En Grunberg, de satiricus, pepert dat de lezer met een duivels genoegen in.

Het bestand lijkt aanvankelijk even de kant op te gaan van Dave Eggers’ schitterende dystopie De cirkel, een lijvige roman in de traditie van George Orwells 1984, maar dan met het vizier gericht op de totalitaire macht van softwarebedrijven als Google en Apple. Maar Grunberg heeft het op iets anders voorzien dan Eggers. Niet de hang naar een dictatoriale openbaarheid en volledige transparantie, maar het verlangen naar identiteitsloosheid neemt hij op de korrel. Op het net kun je je immers voordoen als wie je wilt. Je ontsnapt er aan de fysieke werkelijkheid. Aan de zwaartekracht van het lichaam, zou je kunnen zeggen.

Grunberg is het toevertrouwd om met betrekkelijk weinig middelen een levend portret neer te zetten van een jonge vrouw die in grote onmin leeft met haar reële wereld en verslingerd is aan de virtuele. Ze is 24, maar woont nog thuis. Nachtenlang zit ze, paprikachips kauwend, achter haar scherm en praat met haar virtuele vrienden. Ondertussen dijt haar achterwerk uit en maken haar ouders zich grote zorgen om haar, hun enig kind.

Hackers
Net als in Eggers’ roman, die ook een jonge vrouw als protagoniste heeft, begint de roman met een nieuwe werkkring. Ook de vader is belangrijk. Bij Eggers lijdt die aan Parkinson, bij Grunberg overlijdt hij al in het begin van het boek. Dat brengt die hoofdpersoon in een crisis, ook al wil ze dat niet weten. Het zogenaamd echte leven interesseert haar toch al bar weinig. Dat leek ooit even anders te worden toen haar hackers-vrienden een man tot zelfmoord treiterden. Maar nadat politieonderzoek ten slotte uitbleef, zette het parallelle bestaan van Lillian zich op den duur toch weer voort.

Lillians leven in cyberspace wordt in beslag genomen door een goeroe en chat-vriend. Met hem deelt ze alles en hij heeft grote invloed op haar. Deze Banri stimuleert haar ten slotte ook te solliciteren bij een internetbedrijf, dat in beveiliging doet. Ze volgt zijn raad braaf op, en inderdaad, ze wordt aangenomen. Die sollicitatie, de daaropvolgende loopbaan die ze begint en de mensen die ze bij het bedrijf ontmoet – het is allemaal geen toeval, maar onderdeel van een groter plan. Niet voor niets heet het bedrijf BClever, snapt u wel? De smartkids van het internet lijken misschien wereldvreemde nerds, hun intelligentie heeft de toekomst. Een wereld van intelligentie bevrijd van het vlees. En dat vlees moeten we dan breed opvatten. Smartkids zijn immers vaak ook fanatieke vegetariërs.

Grunbergs novelle draait om de psychologie achter deze platonische utopie van de lichaamsloosheid. Op een van Lillians (toch al erg kleine) borsten groeien drie nogal onvrouwelijke haren. Haar billen zijn veel te zwaar. Een zekere haat ten opzichte van haar eigen lichaam is deze jonge vrouw daarom niet vreemd. Over seks maakt ze zich geen illusies: ze heeft alles al gezien, op het scherm wel te verstaan. Gedáán, heeft ze het nog nooit. Haar hang naar zuiverheid, inclusief die van de dierenactivist, drijft haar voort. Maar, weten we, misschien is het ook wel het onvermogen van Lillian om in het echte leven overeind te blijven dat haar de onbepaaldheid van cyberspace in drijft.

Broodje Jood
Grunberg houdt er overigens wel van het vegetarisme op de hak te nemen. Bijna olijk citeert hij Coetzee’s omstreden vergelijking van de holocaust met de bioindustrie; hij doet er zelfs nog een schepje bovenop door iemand de woorden ‘een broodje Jood’ in de mond te leggen, doelend op een broodje met vleeswaren. Hoe hij over Coetzee denkt is dan wel duidelijk.

Waarom de novelle Het bestand heet, moet maar niet onthuld worden. Het heeft in elk geval te maken met het evangelie dat de al eerder genoemde Banri de mensheid wil brengen. Met de Verlosser als een computerworm die de echte wereld op den duur zal overnemen. Jezus is een virus. Grunberg is net zo goed in vergelijkingen als Coetzee, alleen legt hij ze anderen in de mond.

Daarmee kom ik op de kritiek die je op deze novelle kunt hebben. Het is te vluchtige satire, net iets te makkelijk om te overtuigen. Hoe vermakelijk ook in deze vorm, als essay was het verhaal misschien beter tot zijn recht gekomen. Het verlangen naar lichaamsloosheid heb ik bovendien wel sterker verbeeld gezien, bij voorbeeld in het werk van Michel Houellebecq. Maar in het oeuvre van Grunberg is Het bestand toch een interessant moment. De novelle heeft ontegenzeggelijk iets van een hedendaagse zedenschets, waarbij de auteur zijn kaarten op tafel legt. De schrijver van zulke nihilistische romans als De asielzoeker en Tirza lijkt op weg een scherpe moralist te worden.