Eilenberger-ig

Het vuur van de vrijheid

Wolfram Eilenberger
Vertaald door Wil Hansen
De Bezige Bij, 2022

Bestel dit boek via onze partner Athenaeum Boekhandel

Door Anne-Sophie De Mey

Alle filosofie begint met een gevoel van verbazing. Hoe is het mogelijk dat de wereld is zoals ze is, en dat de meerderheid van de mensen onverschillig lijkt voor dit vraagstuk? Wolfram Eilenberger toont in zijn nieuwste boek Het vuur van de vrijheid hoe een dergelijke sociale vervreemding de filosofen Hannah Arendt, Simone de Beauvoir, Ayn Rand en Simone Weil in de periode 1933-1943 brengt tot het ontwerpen van een eigen filosofie.

Het is Wolfram Eilenbergers missie om complexe filosofische vragen toegankelijk te maken voor een breed publiek. Zo schrijft hij columns voor Duitse kranten en is hij presentator van het tv-programma Sternstunde Philosophie. Zijn internationale doorbraak beleefde hij in 2018 met het populairwetenschappelijke boek Het tijdperk van de tovenaars, waarin hij leven en werk van Walter Benjamin, Ernst Cassirer, Martin Heidegger en Ludwig Wittgenstein tegenover elkaar plaatst. Nu herhaalt Eilenberger dit succesrecept door zich te richten op vier filosofen die zich bezighielden met vrijheid.

Een groot begrip als ‘vrijheid’ vraagt om een heldere definitie. Is het mogelijk om je als individu vrij te voelen wanneer de politieke omstandigheden voor heel wat mensen in onvrijheid resulteren? Bestaat denkvrijheid ook in een toestand van lichamelijke onvrijheid? Met deze kwesties worstelden Arendt, De Beauvoir, Rand en Weil voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Voor Eilenberger draait hun onderzoek naar de betekenis van het begrip ‘vrijheid’ minder om hun persoonlijke omstandigheden dan om hun denkproces: ‘Geen mens, juist ook niet de mens die naar vrijheid verlangt, leeft in werkelijkheid van brood alleen. Maar eerst en vooral van ideeën.’

Toch werden de ideeën van deze vier filosofen voor een groot deel bepaald door de specifieke historische en culturele omstandigheden waarin zij zich bevonden. Zo beantwoordt Simone Weil de volgens haar ‘wereldvreemde’ filosofische theorieën van Simone de Beauvoir met het bijtende ‘Je kunt wel zien dat u nog nooit honger hebt geleden’. Zij zijn overigens de enige filosofen uit Eilenbergers kwartet die elkaar ontmoet hebben.

Eilenberger laat ziet hoe zijn vier filosofen de verhouding tussen het denkende zelf en de wereld proberen te bepalen. Alle vier willen ze tegelijk ‘met’ en ‘tegen’ de wereld denken: zich er niet geheel van afkeren, maar zich ook niet laten determineren door de gegeven omstandigheden. Hun ideeën moeten relevant zijn in hun contemporaine context, maar deze tegelijk overstijgen. Arendt, De Beauvoir, Rand en Weil trachten deze evenwichtsoefening te volbrengen door vanuit zichzelf te denken: het doordenken van hun plaats in de wereld levert voor ieder van hen een unieke filosofie op.

De anticommunistische Ayn Rand, geboren in Sint-Petersburg als Alisa Rosenbaum, geeft zichzelf bij aankomst in Amerika een nieuwe naam en daarmee een nieuwe identiteit. Vanaf nu zal ze ‘zuivere wil’ zijn: ‘Weten wat je wilt – en het dan doen!’ wordt haar stelregel. En Rand weet als geen ander wat ze wil: fictie schrijven die op meerdere niveaus leesbaar is, zodat een spannend verhaal de lezer als vanzelf tot het doordenken van filosofische vraagstukken beweegt. Als script- en theaterschrijver kent ze in eerste instantie slechts matig succes, wat Rand interpreteert als een teken dat ‘het gepeupel’ ook in Amerika de macht in handen heeft. Eilenberger beschrijft hoe Rand haar roman The Fountainhead in de vroege jaren veertig vormgeeft en ten slotte met succes op de markt brengt. Rand pleit in dit boek voor een ‘herovering van het ik’. Elk contemporain maatschappelijk systeem is moreel gecorrumpeerd door een oriëntatie op de ander, stelt ze: je hieraan ontworstelen kan alleen door een ontkenning ‘van de relevantie van […] alle andere mensen’.

Simone Weils filosofie vertrekt dan weer vanuit de idee dat er juist niets relevanters is dan het lijden van andere mensen. Diep geraakt door het vreselijke leven van arbeiders, wil ze hun werkelijkheid aan den lijve ervaren: om deze reden wordt Weil in 1934 gedurende enkele maanden fabriekswerker. Eilenberger suggereert dat Weil in deze periode een van haar eerste mystieke ervaring beleeft. Ontdaan van elk gevoel van persoonlijke waardigheid ontdekt ze dat er ‘een [transcendente] waardigheid achter alle erkende waardigheid’ bestaat. Wanneer Weil in de tweede helft van de jaren dertig lijdt aan hevige aanvallen van hoofdpijn, slaagt ze erin om dit lijden als een poort naar de ‘goddelijke liefde’ te ervaren. Vanaf dan wordt haar filosofie, die steeds gericht blijft op een volledige identificatie met andermans lijden, gefundeerd door haar mystieke geloof. Altruïstische identificatie wordt in de contemporaine maatschappij volgens Weil echter bemoeilijkt door het ontmenselijkende gebruik van lege, van hun context ontdane begrippen. Woorden als ‘natie, veiligheid, kapitalisme, communisme, fascisme’ worden aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog los van elke realiteit gebruikt in een ‘totale vorm van spreken’ waarin Weil een aankondiging van de op til zijnde geweldsuitbarsting ziet.

De leegheid en uiteindelijke absurditeit van bovengenoemde begrippen wordt aan het einde van de jaren dertig door Hannah Arendt aan den lijve ondervonden. Als uit Duitsland gevluchte Joodse is ze in het Frankrijk van eind jaren dertig ineens stateloos, en aldus ontdaan van haar mensenrechten. De vernederende situatie waarin ze leeft, in dagelijkse afhankelijkheid van lukraak gekozen categorieën en papieren volgens welke ze afwisselend als Duitser, Jood of stateloze wordt geïdentificeerd, drijft haar ertoe om ‘de eigenlijke grondslag van de mensenrechten’ te gaan onderzoeken. Mensenrechten vooronderstellen een wezen dat dan wel als individu wordt geadresseerd, maar als deel van een historisch geworteld collectief wordt begrepen. Wat het betekent om deel uit te maken van een volk zonder nationale staat, en welke vorm deze eventuele staat zou moeten aannemen: deze onderwerpen zullen Arendts denken gedurende vele jaren bepalen. Dat ze zich hiermee met name in haar nieuwe thuisland Amerika niet geliefd maakt, is volgens Eilenberger niet eens zo negatief. Iets soortgelijks geldt voor Weil en Rand:

Juist omdat [Arendt, Weil en Rand] eerst en vooral politiek wilden denken, werden ze politiek naar de marge verdrongen. Voor filosofen is dat gezien de geschiedenis van die beroepsgroep geen echt nieuwe ervaring. En niet eens een ervaring met een noodzakelijk verlies aan vrijheid. Van waaruit zie je per slot van rekening duidelijker wat er gebeurt: vanuit het centrum of juist op afstand, vanaf de randen en afgronden?

Simone de Beauvoir, ten slotte, wordt door Eilenberger als eerder apolitiek buitenbeentje beschreven dat zichzelf samen met Jean-Paul Sartre in het centrum plaatst en de rest van de wereld rond hen heen schikt. Het complexe relationele leven van dit filosofenkoppel wordt door Eilenberger gedetailleerd beschreven. Dit is zinvol aangezien het door De Beauvoir als een filosofisch project wordt beschouwd: het levend houden van haar relaties tot zorgvuldig uitgekozen anderen, het steeds weer voor hen kiezen, zorgt ervoor dat haar daden niet ‘verstenen’, maar door ‘nieuwe ontwerpen naar een nieuwe toekomst worden geleid.’ Volgens De Beauvoir bestaat een waardevol leven immers uit het behouden van een frisse blik die het mogelijk maakt steeds opnieuw voor de eigen vrijheid te kiezen. Het is voor haar dan ook van belang om niet uit gewoonte bij Sartre te blijven, maar om hun relatie steeds te herarticuleren op basis van oprechte, vernieuwde waarnemingen. Ook al blijft dit filosofenkoppel hun hele leven samen: van sleur kan en mag geen sprake zijn.

Eilenberger laat de gedachte- en leefwerelden van zijn filosofen welhaast naadloos in elkaar overgaan in korte, vlot leesbare paragrafen. Hij stelt de op zelfopoffering berustende ideeën van Simone Weil lijnrecht tegenover het positieve egocentrisme van Ayn Rand, maar voltrekt deze ‘kanteling’ toch vloeiend op de pagina’s van zijn boek. Deze originele aanpak heeft het nadeel dat de lezer geen overzichtelijke beeld van ieders filosofische standpunt krijgt. Bovendien beperkt Eilenberger zich in dit boek tot één decennium, waardoor met name de ideeën van De Beauvoir en Arendt, wier bekendste en wellicht belangrijkste werk pas na 1943 verschijnt, hier onderbelicht blijven. De vraagt rijst of Eilenberger zich niet beter had kunnen beperken tot Weil en Rand, over wier werk hij merkbaar meer te schrijven heeft.

Wie de volledige filosofische erfenis van Arendt, De Beauvoir, Rand en Weil wil bestuderen, kan dus beter een (wetenschappelijke) introductie tot hun gedachtegoed ter hand nemen. Wel wordt door Eilenbergers aanpak duidelijk dat deze denkers geen abstract filosofisch systeem hebben uitgewerkt, maar in hun werk telkens reageren op omstandigheden uit hun eigen leven. Het vuur van de vrijheid is dan ook met name een aanrader als je de vervlechting van leven en werk van deze filosofen wil ontdekken.

Zonder inleiding of verantwoording is het echter gissen naar Eilenbergers eigen standpunt ten aanzien van de ideeën van de vier filosofen. Daarmee neigt Het vuur van de vrijheid naar een roman, waarin de lezer zelf de intenties van de auteur tracht te construeren. Naast het verhogen van de leesbaarheid heeft deze werkwijze nog een ander, onverwacht voordeel. Waar wetenschappelijke verhandelingen, door nauwgezet uiteen te zetten wat er van de tekst verwacht kan worden, in zekere zin minder persoonlijke inspanning van de lezer vragen, moedigt Eilenberger de lezer net aan om precies dat te doen waar zijn filosofen zich zo vurig voor inzetten: zelf nadenken.