Humanisme

Humanism

A Very Short Introduction

Stephen Law
Oxford University Press, Oxford, 2011
Ingebonden

Door Elise van Alphen, Promovenda Humanistiek (UvH) en redacteur Tijdschrift voor Humanistiek

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

Er zijn begrippen waarvan de meesten moeten bekennen dat ze eigenlijk niet goed weten wat ze er precies mee bedoelen. Humanisme is een schoolvoorbeeld hiervan. Werkzaam aan de Universiteit voor Humanistiek, die onder meer kennis over humanisme wil stimuleren, weet ik hoe ongrijpbaar het begrip humanisme is, laat staan zijn toepassing. Zelfs op een dergelijke universiteit siert de discussie over de definitie van humanisme met regelmaat de agenda. Een kort, introducerend werk over humanisme, mogelijk gemaakt door een gerenommeerde uitgever (Oxford Press), lijkt dan ook zeker geen overbodige luxe om helderheid te verschaffen over (vormen van) humanisme en de betekenis die het voor mens en samenleving kan hebben.

Universitair filosofiedocent Stephen Law heeft de uitdaging aangenomen en vat de koe direct bij de hoorns: hij onderscheidt in het kleine boekje Humanism een zevental opvattingen die tezamen humanistische wereldbeschouwingen kenmerken. Humanisten over de hele wereld delen, ondanks hun overige meningsverschillen, volgens Law de volgende uitgangspunten: 1) rede en wetenschap zijn onmisbaar om het leven en de wereld te begrijpen; 2) God en andere bovennatuurlijke wezens bestaan niet, of men kan daar niet zeker van zijn; 3) wat primair van belang is, is het leven hier en nu; 4) morele waarden zijn voor individu en samenleving belangrijk en ook zonder Godsbesef te funderen; 5) ieder mens heeft een individuele morele verantwoordelijkheid; 6) ook zonder religie bestaan er zinvolle levens; en 7) in elke samenleving zou er sprake moeten zijn van een scheiding tussen kerk en staat. Met het gebruik van deze zeven uitgangspunten om humanisme als seculiere wereldbeschouwing te presenteren, voorkomt Law dat het begrip humanisme verloren gaat in een brede definitie van menselijkheid of menselijke waardigheid. Hoewel er door de tijd heen genoeg christenen zijn die zichzelf humanistisch noemden, reserveert Law het woord humanisme voor seculiere vormen van humanisme. Humanisme is in zijn visie per definitie seculier (atheïstisch of agnostisch), maar omvat meer dan het atheïsme: humanisme is een positieve visie op de ‘grote vragen van het leven’, zoals op de vraag wat het betekent mens te zijn en in de wereld te leven. Een wereldbeschouwing krijgt – als ik Law in zijn introductie volg – dan ook pas het adjectief humanistisch als het uitgaat van alle zeven bovenstaande opvattingen.

Hiermee heeft de auteur zichzelf een handvat gegeven om mensen als humanistisch te bestempelen. Iets wat hij meteen toepast in het volgend hoofdstuk, waarin hij een aantal grote denkers uit het (veelal westerse) verleden beschrijft die van belang waren voor veel van deze bovenstaande uitgangspunten. Socrates, Kant, Marx en Nietzsche, om er een paar te noemen, worden opgetrommeld als ‘humanistische voorvaders’. Deze invention of tradition is een bekende stap van veel minderheden die hun plek nog moeten bevechten en is niet vreemd aan het georganiseerd humanisme. Zo werd in Nederland onlangs nog een humanistische canon gelanceerd, die veel van de ‘humanistische voorvaders’ bevat die ook Law aanhaalt. Dat deze denkers van groot belang waren voor lancering, verdieping en/of verspreiding van enkele van bovenstaande uitgangspunten en voor menig humanist als inspiratiebronnen dienen, is goed verdedigbaar. Toch knaagt er iets wanneer deze denkers met een eigentijdse definitie in het hokje humanisme ingedeeld worden. Naast het feit dat dit nogal een anachronistische onderneming is – je plakt immers een opvatting van het nu op het verleden – wordt mijns inziens te veel door Law verbloemd dat een aantal van deze ‘humanistisch voorvaders’ zichzelf niet zullen herkennen in het tweede uitgangspunt van het humanisme. Zo vermeldt Law wel dat de filosoof Hume ongodsdienstig was, maar niet dat de Duitse filosoof Immanuel Kant zichzelf als christen beschouwde. Dit verdonkeremanen van het godsbesef van de ‘humanistische voorvaders’, leidt tot een simplistisch beeld van de historische werkelijkheid. Het lijkt nu alsof het kritisch, redelijk en wetenschappelijk denken enkel voorbehouden was aan atheïstische en agnostische mensen; alsof godsdienstig kritisch denken een contradictio in terminis was en is.

Gelukkig beseft de auteur zich wel degelijk dat dit antagonisme tussen kritisch denken en godsdienst niet geheel opgaat. In de introductie geeft hij bijvoorbeeld aan dat er religieuze mensen bestaan die wel in staat zijn tot zelfstandig, kritisch denken en het eens zijn met veel van de humanistische opvattingen. Veel van het religieuze denken in West-Europa ziet Law zelfs humanistisch worden, net als de afzonderlijke samenlevingen in het geheel. Maar, zo haast hij zich de lezer te vertellen, West-Europa is een uitzondering. In de rest van de wereld kent humanisme nog veel tegenstand. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld worden humanisme en atheïsme nog fel bestreden door religieuze groeperingen.

Mogelijk is die underdogpositie van het humanisme in veel landen er de reden van dat de rest van het boek, ondanks de nuance, toch een sterk antigodsdienstig karakter heeft en de tegenstelling tussen kritisch, redelijk (= humanistisch) denken en onvolwassen (= godsdienstig) denken op de rest van de pagina’s regelmatig en versterkt terugkeert. Hoewel Law zelf beaamt dat humanisten niet per definitie atheïstisch hoeven te zijn maar ook agnostisch kunnen zijn, lijkt hij wel het atheïsme als zo’n belangrijk onderdeel van het humanisme te beschouwen dat hij in de volgende twee hoofdstukken het bestaan van God met redelijke argumentatie wil ondermijnen. Eerlijk gezegd heb ik betere pogingen daartoe gelezen, zoals het Atheïstisch manifest van Herman Philipse. Law geeft de standpunten en argumentatie van de godsdienstige mens zo karikaturaal weer dat het wel erg gemakkelijk wordt om erop te schieten.

Wat mij aan dit deel van het boek stoort, is dat ik – anders dan de ondertitel A Very Short Introduction mij deed vermoeden – geen ‘objectieve’ beschouwing meer over humanisme in de hand heb, maar een polemisch manifest van een specifieke humanist: namelijk van de uitgesproken atheïstische humanist Law die ons wil overtuigen van de volwassenheid van het humanisme door de onvolwassenheid van religie ‘aan te tonen’. Met een beetje goodwill kun je deze hoofdstukken zien als een humanistische illustratie van het redelijk omgaan met het godsbestaan-vraagstuk. Maar een introductie op humanisme is het allang niet meer.

Bovendien vind ik Laws aanpak om humanisme enkel te bespreken vanuit de oppositie met godsdienst nogal eng. Mogelijk wreekt zich hier het verschil in achtergrond tussen de auteur en mijzelf. Het Nederlandse georganiseerd humanisme heeft in vergelijking met veel andere landen een veel minder uitgesproken militant atheïstisch karakter. De godsdienstbestrijding is voor deze humanisten niet het doel – dat wordt veelal overgelaten aan de vrijdenkersverenigingen. Een organisatie als het Humanistisch Verbond is vooral in het leven geroepen om de ongodsdienstige mens in de ‘grote vragen des levens’ bij te staan. Toch lijkt dit niet zo ver van Laws definitie van humanisme te staan. Humanisme is voor hem ook meer dan godsdienstbestrijding, maar op welke manier humanisme een positieve visie geeft op de mens en wereld, blijft in Humanism vaag. Zelfs in zijn latere hoofdstukken waarin humanistische opvattingen over morele educatie, de zin van het leven en moraliteit centraal staan, komt het humanisme vooral naar voren aan de hand van een zwart-wit beschrijving van zijn ‘vijand’ godsdienst. Wederom wordt benadrukt dat humanisten volgens Law, anders dan godsdienstigen die dogma’s klakkeloos volgen (en daardoor volgens de auteur gevaarlijk zijn), kritisch en autonoom over levensvragen en moraliteit denken. Veel meer lijkt er volgens Law niet over humanisme te vertellen aangezien de uitkomsten van het kritisch, autonoom en redelijk denken per humanist verschillen. Is dat inderdaad zo? Law neemt immers wel afstand van het relativisme; hij meent dat elke mens toch over een instinctieve, natuurlijke moraliteit bezit. Bovendien lijkt hij juist te stellen dat uit de rede toch bepaalde opvattingen moeten volgen, zoals zijns inziens de ontkenning van het godsbestaan. Dergelijke vragen blijven helaas onopgehelderd.

Mijn laatste grote kritiekpunt is dat de (postmoderne) kritiek op het geloof in individuele autonomie en rede nauwelijks ter sprake komt. Individuele autonomie staat immers niet alleen onder druk door autoritaire religieuze groeperingen en totalitaire regimes, maar autonomie wordt  – zoals niet de minste grote denkers hebben aangetoond (Freud, Marx, Nietzsche, Foucault) – ook bemoeilijkt door minder zichtbare, maar even bepalende krachten in mens en samenleving als biologische driften, het onbewuste, politiek-economische systemen en media. Juist voor humanisten die veel waarde aan autonoom en redelijk denken hechten, is deze kritiek op het geloof in rede en autonomie van het individu een grote uitdaging waar iedere humanist zich toe zou moeten verhouden. In een samenleving waarin veel mensen zich een speelbal voelen van grotere processen (globalisering, economische en ecologische crises et cetera), is het zeker niet alleen filosofisch van nut om kritisch na te denken over de grenzen van autonomie en rede. Dat Law dit niet doet en vrij onproblematisch denkt te kunnen spreken van ‘de’ realiteit die humanisten anders dan godsdienstigen wel onder ogen zien, versterkt mijn conclusie dat Humanism. A Very Short Introduction, vooral een gemiste kans vormt om te laten zien wat de betekenis van humanisme voor mens en samenleving van de eenentwintigste eeuw is.