Literatuur

Joden op drift

Joseph Roth
Bas Lubberhuizen, Amsterdam, 2016

Door Simon Demeulemeester, redacteur bij Knack en lid van het Joseph Roth Genootschap

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

Waarom is de vijf maanden jonge vertaling van Juden auf Wanderschaft – een negentig jaar oud boekje – al aan de vierde druk toe? Omdat het ondanks die hoogbejaarde leeftijd ongetwijfeld een boekje voor deze tijd is. Dat hoeft niet te verbazen, want de auteur heet Joseph Roth, de Oostenrijks-Hongaarse schrijver die wereldvermaard werd met romans als Radetzkymars en Job, en als journalist een meester was in het tekenen van het gezicht van zijn tijd. Hoe trots op en nostalgisch naar de dubbelmonarchie hij ook was, het geeft meer pas hem in deze context te bestempelen als jood, en beter: als Oost-Europese jood. Want Joden op drift is een ode aan de joden die begin vorige eeuw uit het oosten vluchtten naar het westen, in de hoop aan pogroms, revolutie en armoede te ontkomen.

Op Oost-Europese joden werd neergekeken door iedereen, inclusief joden die ook maar iets westelijker woonden: ‘Hoe verder in het Westen een jood geboren wordt, hoe meer joden er zijn op wie hij neerkijkt’, schrijft Roth. ‘De jood uit Frankfurt minacht de Berlijnse jood, de Berlijnse jood minacht de Weense jood, de Weense jood minacht de jood uit Warschau.’ Niemand beter dan Roth kon dit boekje schrijven, want hij is geboren in Brody – dat is vandaag in Oekraïne, maar was in Roths geboortejaar 1894 nog Galicië. ‘Helemaal aan het eind komen de joden uit Galicië, en daar kom ik vandaan. Ik, de laatste der laatste joden.’

In 1927, als Joden op drift uitkomt, timmert Adolf Hitler met zijn nazi’s nog aan de weg: hij zou pas zes jaar later rijkskanselier worden en definitief de macht grijpen. Toch lijkt Roth al aan te voelen dat er een grote ramp staat te gebeuren. Hij toont zich loepzuiver als journalist en schrijver: een heldere stem die Hitler ontmaskerde als gevaarlijk, ver voor die zijn ware gelaat toonde. Dit verklaard mede waarom Roths werk vandaag – in een Europa en een wereld opnieuw op drift – stringenter is dan ooit.

In goed 130 pagina’s schetst Roth de vluchtende Oost-Europese jood: hoe hij vlucht, hoe hij woont in de getto’s van Berlijn, Parijs en Wenen of in de sjtetls – het Jiddische woord voor een stadje waar veel orthodoxe joden wonen. De Ostjude emigreert omdat het in eigen land te gevaarlijk of armoedig wordt. ‘Velen zwerven uit instinct, zonder goed te weten waarom. Velen keren terug. Nog meer blijven er onderweg steken. De joden uit het Oosten hebben nergens een vaderland, maar op elke begraafplaats hebben ze graven.’

Voor het Westen toont Roth zich striemend kritisch; vooral in het nawoord dat hij in 1937 schrijft om toe te voegen aan een geplande herwerkte uitgave, die er uiteindelijk niet zal komen. Volgens vertaalster Els Snick zaten er weinig uitgevers te wachten op zo’n harde kritiek op de opkomende tiran Hitler, die veel Europese staten op dat moment nog als een bevriend staatshoofd zagen.

Roth hekelt dat er ‘in een aantal van de meest beschaafde landen van Europa’ verenigingen zijn die achtergebleven trekvogels naar het zuiden vliegen. Zijn vijfduizend zwaluwen meer waard dan vijfduizend mensen, vraagt hij zich af. Hij geeft zelf het antwoord – met een vraag, zoals het een joodse intellectueel betaamt: ‘Een vogel heeft geen paspoort nodig, geen biljet, geen visum – en een mens vliegt de bak in als hij iets van die drie dingen niet heeft?’ Vragen die vandaag ook gesteld worden in de vluchtelingencrisis. Het toont dat Roth moeiteloos bijna een eeuw overspant: van de migratie uit het Oosten toen, naar die uit het Midden-Oosten van vandaag.

Nog scherper echoot de hedendaagse actualiteit in zijn vernietigende veroordeling van de ‘niet-inmenging’ van de Volkenbond – de organisatie die in 1919 was opgericht om ‘een einde aan alle oorlogen’ te maken. ‘Er kan geen Europese en ook geen Europees-christelijke moraal bestaan zolang het principe van de “niet-inmenging” gehandhaafd blijft.’ Roth begrijpt niet waarom de Volkenbond niet ingreep in Duitsland. Dat was voor hem het enige wat de Duitse joden ervoor kon behoeden nog ‘jarenlang de paria’s’ te zijn. ‘Waar is de tijd dat Europa nog Europa was en dat Engeland de tsaar te verstaan gaf wat het nu de korporaal van de wereldoorlog bescheiden onthoudt. […] Niemand kan me verbieden bij mijn buurman in te breken als hij van plan is zijn kinderen met een bijl de hersens in te slaan. […] De vader is vastbesloten alleen zijn eigen straatje schoon te houden; en uit de kamer van zijn zoon stinkt de rotzooi al ten hemel.’ Lees dit voor in Aleppo en veel burgers zullen er hun grootste angst in herkennen: zal non-interventionist Donald Trump Syrië laten aan Bashar al-Assad, diens beschermheer Vladimir Poetin en hun vatbommen?

Roth stierf al in 1939 en maakte dus de apocalyptische apotheose van het Derde Rijk – der totale Krieg, de gaskamers, de zes miljoen – niet meer mee. Hij voorvoelde het wel, zo blijkt uit stukjes die als ijsblokjes over de ruggengraat glijden: ‘Het moge duidelijk zijn dat “racisme” niet tot compromissen in staat is. Een miljoen proleten hebben dringend een paar honderdduizend joodse stakkers nodig om – zwart op wit – hun superioriteit te bewijzen. Wat hebben joden nog te verwachten? Het gepeupel is al onverbiddelijk genoeg als het wetteloos en zijn blinde instincten volgend op straat tekeergaat. Wat wordt dat als het zich organiseert?’ Overigens: waar Roth met zijn taal krast in de ziel, doet Paul van den Steen dat in dit verzorgd uitgegeven boekje middels pennenstreken: hard en helder zijn zijn lijnen. Maar wat vatten ze mooi de grimmige toon. Laat uw oog vallen op de zwarte stippen die van den Steen in bijna elke tekening tekende: donkere hemellichamen. In zijn woorden: ‘de maan zonder licht, die de Oost-joden op hun tocht begeleidt’.

Roth gruwt van nationalisme, en kiest principieel voor de onderdrukten. En dus neemt hij het in het nawoord uit 1937 ook op voor de Duitse jood, want die staat er ondertussen nog slechter voor dan de Oost-Europese: ‘Hij is het trekken verleerd, net zoals het lijden en het bedelen.’ In de passages over het zionisme toont Roth zowel zijn grote hart – ‘Hij had het hart van een walvis’, zei Tommy Wieringa onlangs in Knack – als zijn visionaire blik. Volgens Roth hebben de joden recht op Palestina, ‘omdat geen enkel ander land hen wil’. Maar helaas zijn ze ‘de slachtoffers of de naïeve uitvoerders van de Europese politiek. Ze worden uitgebuit of misbruikt.’ En hij voelt meteen ook mee met de Arabieren: ‘De angst van de Arabieren voor het verlies van hun vrijheid is even begrijpelijk als de wil van de joden om in goed nabuurschap met hen te leven oprecht is. Sowieso zal de emigratie van de jonge joden naar Palestina altijd iets van een joodse kruistocht hebben, omdat ze jammer genoeg ook schieten.’

Roth neemt het in Joden op drift dan wel op voor de Ostjuden, hij ergert zich ook aan hen, want hij heeft geen talent voor eenzijdigheid. Hij ergert zich vooral omdat zij zo opkijken naar het Westen. ‘De Oost-Europese jood beschouwt Duitsland bijvoorbeeld nog altijd als het land van Goethe en Schiller, de Duitse dichters die iedere leergierige joodse jongen beter kent dan bij ons de scholieren onder het hakenkruis.’ Maar de voordelen en de schoonheid van het Oosten, die ziet de Oost-Europese jood niet, jammert Roth. ‘Hij ziet niet de goedheid van de Slavische mens, die in al zijn ruwheid altijd nog fatsoenlijker is dan de beteugelde wreedheid van de West-Europeaan, die zich afreageert in perversiteiten en de wet omzeilt, met zijn deftige hoed angstig in de hand.’

Het is Roth ten voeten uit. Hem kan weinig starheid verweten worden. Zo ondertekende hij wel eens zijn stukken voor socialistische kranten met ‘Der rote Joseph’, maar hield hij zijn ogen niet dicht tijdens zijn reis door de Sovjet-Unie. Meer zelfs: hij raakt er zo teleurgesteld in het socialisme dat hij er conservatief wordt. In het katholieke Nederlandse dagblad De Tijd toont hij zich beenhard voor elk totalitarisme: ‘Lenin is de grootvader, Mussolini de vader en Hitler de zoon van één en hetzelfde systeem. Als de Hitlerjeugd ’s morgens een uniform of een trompet te kort komt, kan ze rustig een uniform of een trompet lenen bij de communistische jeugd, want het zijn dezelfde uniformen en trompetten.’

De ook vandaag nog pulserend relevante Roth valt vooral te lezen in het tweede nawoord dat hij in 1937 schreef, tien jaar nadat Juden auf Wanderschaft werd gepubliceerd (met deze toevoeging bewijst Snick haar talent om Roth als blijvend relevant neer te zetten). Hij wilde zijn ‘jodenboek’ herwerken en aanpassen aan wat ondertussen gebeurd was in Duitsland maar ook Rusland, waar Stalin na de uitschakeling van Trotski het antisemitisme fel aanwakkerde. Straatarm als hij was, bezat hij geen exemplaar van zijn eigen boek. Van geen enkel van zijn boeken trouwens, want Roth had eigenlijk zo goed als niets. Hij kreeg het exemplaar uit de bibliotheek van zijn vriend en zielsverwant Stefan Zweig, dat hij zelf jaren eerder aan Zweig had geschonken.

In feite was Joden op drift het begin van wat Snick ‘de mooiste literaire vriendschap uit de geschiedenis’ noemt. De eerste brief van Roth naar Zweig schreef hij op 8 september 1927, om hem te bedanken voor ‘de hartelijke woorden over mijn jodenboek’. Zweig, die 13 jaar ouder was en al een gevestigde literaire waarde toen Roth nog onbekend was, had Roths succes aangezwengeld met enthousiaste recensies en zou tot aan het einde blijven zorgen voor Rothi – zoals Zweigs vrouw Friderike hem liefdevol betitelde. Zo betaalde hij Roths hotelrekeningen en liet hij voorschotten voor zichzelf doorstorten naar Roth.

Ook inhoudelijk bestond er een sterke uitwisseling, en Roth en Zweig voerden heftige discussies. Over de wenselijkheid van assimilatie door joden, bijvoorbeeld. Of over Hitler, ‘de korporaal van de wereldoorlog’. Zweig hield lang vol dat Hitler niet verkozen zou worden, terwijl Roth al in 1932 de dichter Heinrich Heine parafraseerde: ‘Ze zullen onze boeken verbranden en er eigenlijk ons mee bedoelen.’ Roth verliet Berlijn op 20 januari 1933, de dag dat Hitler Rijkskanselier werd, en zou nooit meer naar Duitsland terugkeren. Hij was furieus op Zweig omdat die tot in 1934 – toen ook zijn boeken verboden werden – zijn Duitse uitgever trouw bleef. ‘U zult ten onder gaan, veel eerder dan men denkt’, schreef hij. Ook de boeken van Zweig belandden op de brandstapel – ook dat had Roth goed voorzien.