Filosofie

Ode aan de liefde

Alain Badiou
Parrèsia, Amsterdam, 2016

Door Eveline Groot, filosoof en programmamaker

Bestel dit boek via Athenaeum Boekhandel
‘De liefde moet opnieuw worden uitgevonden, dat is duidelijk.’ Met dit citaat van de Franse dichter Arthur Rimbaud luidt Alain Badiou zijn Ode aan de liefde in. De woorden vormen de rode draad van het boek, want ze geven precies weer wat Badiou met zijn werk beoogt. Hij wil het risico en het avontuur in de liefde terugbrengen. Weg met de berekende datingsites. Weg met seksuele pleziertjes zonder hartstocht. Weg met het idee dat een huwelijk gecalculeerd moet zijn. De liefde moet begrepen worden als een constructie van een werkelijkheid, niets meer en niets minder.

Anders dan Badious betogen over politiek, kunst en wetenschap, is Ode aan de liefde niet opgebouwd aan de hand van een omvangrijke filosofische analyse. Het is een weergave van een publieke dialoog waarin journalist Nicolas Truong de filosoof het vuur aan de schenen legt, tijdens het theaterfestival van Avignon. Het is voor een auteur misschien frivool om te kiezen voor een interviewvorm als de meest systematische weergave van een discours over de waarheidsprocedure van de liefde, maar de vorm van het boek past perfect bij de inhoud. Liefde overrompelt, is noodzakelijk contingent, bestaat uit toeval. Zoals de ontmoeting met de ander je overkomt, zo ontstaat de dialoog tussen Badiou en Truong.

Wanneer het gesprek over liefde, seksualiteit en trouw aanvangt, zitten Truong en Badiou op een podium. De lezer kan zich voorstellen dat Badiou zo nu en dan ondeugend lacht bij zijn antwoorden. Als een ware charmeur windt hij het publiek om zijn vinger. Toeval leidt de dialoog, maar deze houding is niet toevallig aangenomen. De stilistische vorm vult ook hier de inhoud aan. In het gesprek vertelt Badiou dat de ware filosoof de taal van de liefde, de taal van het verleiden, moet spreken. Sinds de Griekse oudheid is de ‘orale dimensie’ immers het middel van de filosoof om zijn of haar ideeën te presenteren. Zodoende moet de filosoof verleiden ‘in naam van iets wat uiteindelijk een waarheid is’.

Om te begrijpen wat Badiou hiermee bedoelt, is het van belang te begrijpen welke plaats de liefde inneemt in zijn oeuvre. Badiou kan worden omschreven als een hedendaagse systeemfilosoof. Iemand die de metafysica – na een veelvuldig verklaarde dood – nieuw leven inblaast. In zijn veelomvattende theorie onderscheidt hij vier condities van de filosofie: wetenschap, politiek, kunst en liefde. Dit zijn de enige gebieden waarin een reflectie op de waarheid tot stand kan komen. Deze waarheid moet worden begrepen als een interruptie van de gevestigde orde van dingen. Waarheid hangt volgens hem dus altijd samen met een bepaalde tijd, plaats en situatie. Revoluties, logica, universaliteit en het risico zijn alle dimensies die een waarheidsproces kunnen starten. Een filosoof dient in naam van de filosofie daarom zowel de rol te kunnen spelen van de geleerde, als van de kunstenaar, activist en minnaar.

Om over liefde als een waarheidsprocedure te denken, gebruikt Badiou de concepten van de ontmoeting, het evenement, de duur en trouw. Een spontane ontmoeting tussen twee mensen is niet planbaar, ze kan daarom zomaar de vorm aannemen van een evenement. Liefde kan niet ontstaan zonder risico’s of toevalligheden: liefde is groter dan dat. Zonder dat je er ooit op kon anticiperen, verandert een willekeurige ontmoeting plots in een liefdesrelatie. In het liefdesspel – door Badiou de ‘scène van Twee’ genoemd – verander je als persoon en ontdek je een nieuwe waarheid. Je ziet de wereld niet enkel meer vanuit je eigen perspectief, maar vanuit het perspectief van de differentie, het perspectief van twee. Het evenement is hiermee in werking getreden en de liefde krijgt een metafysische status. Het opent een dimensie van de wereld die nog niet thuis is in de onmiddellijke orde van dingen.

De relatie die Badiou legt tussen liefde en waarheid doet sterk denken aan de opgang van de liefde van Socrates. In Plato’s Symposium leert Socrates de laatste hoe je door lief te hebben de waarheid van de vorm van het goede kunt kennen. Voor beide filosofen geldt dat ‘als je niet bij liefde begint, je nooit zult weten wat filosofie is’. In tegenstelling tot Plato beoordeelt Badiou het lichamelijke niet als negatief. Een filosoof ‘moet aanvaarden dat het denken niet te scheiden is van de stormachtige verwikkelingen van de liefde.’ Badious opvatting is dan ook niet romantisch, maar realistisch. Zo zoet als de liefdestocht begint, zo bitter kan het worden. Liefde is niet onschuldig. Toch is het van essentieel belang de kwellingen en obstakels in een liefdesrelatie te doorstaan en om trouw te blijven. De werkelijkheid die in de differentie is ontstaan, is een sterke verbintenis waard. Liefde is immers een waarheidsprocedure. En omdat de liefde, net zoals de waarheid, een proces is, moet het liefdespaar elkaar voortdurend opnieuw de liefde verklaren om het proces in stand te houden.

Als Badiou spreekt over zijn concept van trouw, legt hij zijn ziel bloot. Truong vraagt hem waar hij spijt van heeft. Badiou antwoordt dat hij niet trouw is gebleven aan zijn eerdere geliefden. Hiermee bedoelt hij niet trouw in traditionele zin. Badiou spreekt nooit over echtelijke trouw. Trouw zijn betekent immers trouw zijn aan de waarheidsprocedure van het differentiedenken dat ontstaat in een liefdesrelatie – of liefdesrelaties, want je kunt onderdeel uitmaken van meerdere ‘scènes van Twee’. Badiou zou alle stormachtige liefdes waarin hij verzeild is geraakt eer aan willen doen. Hierin schuilt een grote verdienste van de schrijver. Hij is namelijk in staat de individuele identiteiten die een differentie vormen een eigen plaats te geven. Verliefde zielen slokken niet in elkaar op, maar geven juist ruimte aan elkaar. Je kunt deel uitmaken van een wij, zonder het ik te verliezen.

Geeft Badiou in Ode aan de liefde gehoor aan Rimbauds oproep om de liefde opnieuw uit te vinden? Hoewel Badious lofrede op de liefde ruimte schept voor realistische dimensies van de liefde, voor onderbelichte en moeilijke dimensies van de liefde, blijft de aard van de liefde ook bij hem een mysterie. De ‘scène van Twee’ construeert een werkelijkheid die tot het ‘interieur’ van de wereld van de geliefde behoort, maar niet tot realiteit van de wereld. Zo blijft de liefde ondoorgrondelijk. De liefde krijgt in het boek wel de diepte die zij verdient: een eerherstel van Plato’s idee van de liefde als een brug naar de filosofie. De echte kracht van Badious Ode aan de liefde schuilt uiteindelijk in de veelzijdige weergave van de liefde. Liefde is rozengeur, bittere ernst en bovenal metafysische donder en bliksem.