Samenleving

The Liberty of Servants

Berlusconi’s Italy

Maurizio Viroli
Princeton University Press, Princeton, 2011
Vertaling Antony Shugaar

Door Marc Leijendekker, oud-correspondent in Italië en schrijver

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel
Italië is bijna twintig jaar lang op een verlammende manier in de ban geweest van Silvio Berlusconi en het ziet ernaar uit dat dat nog niet voorbij is. In november 2011 werd hij gedwongen af te treden. En ook al durfden daarna ook in eigen kring mensen hun kritiek hardop uit te spreken, ook al was er een halfslachtige zoektocht naar een nieuwe leider voor rechts, Berlusconi bleef een enorme machtsfactor. De macht van deze mediamagnaat en demagoog berust op zijn enorme rijkdom en op het feit dat hij via zijn commerciële tv-zenders de beeldvorming kan manipuleren. Nu heeft hij zich opnieuw opgeworpen als kandidaat-premier. De peilingen geven hem weinig kans de verkiezingen te winnen. Desalniettemin lijkt hij te willen proberen in het parlement een machtsblok te vormen dat maatregelen die hemzelf en zijn bedrijf kunnen treffen, kan tegenhouden.

Hoe deze laatste akte afloopt, is onzeker. Maar de vertwijfelde reacties in binnen- en buitenland van mensen die dachten dat Berlusconi van het toneel was verdwenen, laten zien hoe uitzonderlijk de positie van Berlusconi was. Hoe heeft het zo ver kunnen komen? In het begin van zijn boek The Liberty of Servants: Berlusconi’s Italy vat politicoloog Maurizio Viroli het nog even kernachtig samen: niet eerder had een premier in een democratie zo veel geld, niet eerder had een premier in een democratie zo veel controle over de massamedia. Zelf zou ik daar nog aan willen toevoegen dat ik geen ander voorbeeld ken van een toppoliticus die in functie is gebleven nadat hij was beschuldigd en in veel gevallen veroordeeld voor én omkoping van rechters én financiële fraude én corruptie én indirecte contacten met de maffia én ranzige seksfeestjes – en die bovendien nog wetten op maat liet maken en magistraten die hem wilden vervolgen, uitschold voor idioten en randdebielen.

Viroli heeft zijn boek afgerond toen Berlusconi nog aan de macht was. Zijn analyse van het tijdperk-Berlusconi vormt een Italiaans zelfonderzoek. Harde conclusies schuwt hij niet– al zijn die in Princeton en Lugano, waar hij lesgeeft, net iets makkelijker te verteren dan in Italië zelf. ‘Berlusconi’, schrijft hij in zijn inleiding, ‘is zeker ongeschikt om een democratische republiek te besturen, maar wij Italianen, we moeten het onder ogen zien, zijn ongeschikt voor vrijheid.’

Vrijheid is een van de sleutelbegrippen in zijn boek. De meeste Italianen vinden dat ze in vrijheid leven, maar volgens Viroli is dat zelfbedrog: het is de vrijheid van mensen die hun gang mogen gaan zolang hun baas dat goed vindt. In het Italiaans spreekt hij van de libertà dei servi, de vrijheid van slaven. In het Engels is dat de liberty of servants geworden, de vrijheid van dienaren, een woord dat beter past in zijn analyse. Want Berlusconi is er volgens Viroli in geslaagd de Italiaanse republiek te veranderen in een hofhouding, waarin alles draait om de wensen en grillen van il signore en de hovelingen hun uiterste best doen om hun heerser te behagen. Uiteindelijk kun je beter lijfeigene zijn dan hoveling, is een van zijn terloopse opmerkingen. Een lijfeigene weet dat hij moet doen wat hem wordt opgedragen, maar hoeft niet voortdurend om de wensen van de baas te denken. Een hoveling geeft in feite zijn eigen identiteit en waarden op.

Vrijheid is ook een kernbegrip van Berlusconi. Het woord komt terug in de naam van zijn partij, in zijn propaganda, in zijn politieke liedteksten. Viroli gaat daar verder nauwelijks op in, maar sluit wel aan bij de gedachte daarachter: in het vocabulaire van Berlusconi was vrijheid altijd ‘vrijheid van’. Je bent vrij als je geen last hebt van de belastingdienst of van de wet. Viroli stelt daar ‘vrijheid door’ tegenover. Je bent vrij als je, doordat niemand boven de wet staat, weet dat je niet onderworpen bent aan arbitraire machten. Vrijheid door wetten. Dat schept burgers.

Maar Berlusconi wil geen burgers, hij wil hovelingen. Met een reeks voorbeelden, schakelend van klassieke teksten naar actuele anekdotes, schetst Viroli hoe Berlusconi de gran signore uithing. Hij deelt gunsten uit als dat hem uitkomt, straft wie hem tegenwerkt, wil bewonderd en geliefd worden, en let zorgvuldig op zijn imago. Het simpele feit dat Berlusconi zo veel arbitraire macht heeft gekregen, betekent een enorme inperking van de vrijheid in Italië. Mensen gaan zich in die context serviel gedragen. Een prachtig voorbeeld daarvan is dat van een gemeenteraadslid uit Rome dat, om bij Berlusconi in de gunst te geraken, had voorgesteld om een straat te vernoemen naar zijn moeder Rosa. Die had immers, in de politieke mythologie van Berlusconi, haar zoon aangespoord de politiek in te gaan om Italië te redden. Het zal je reddingswerker maar wezen.

Zo’n rol als dienaar en hoveling is veel Italianen op het lijf geschreven, stelt Viroli. Buitenlandse heersers, despotisch bestuur en de geestelijke en wereldlijke macht van de Katholieke Kerk hebben hun sporen nagelaten in de Italiaanse ziel. Hij schildert die met grove, zwartgallige streken. Weinig zelfrespect. Onverschilligheid en cynisme. Een goedlachse opstelling waarachter een opportunistisch pendelen tussen slaafse onderdanigheid en anarchistische opstandigheid schuilt. Wat in veel gevallen ontbreekt, schrijft Viroli, is een autonoom waardenbewustzijn, een gevoel voor verantwoordelijkheid dat, waar nodig, leidt tot een moreel plichtsbesef.

Het zijn grote woorden en ze doen veel Italianen geen recht. Maar iedereen die het land kent, zal hier elementen in herkennen. Italianen gedragen zich te veel als onderdanige dienaren en te weinig als zelfdenkende burgers – het zijn Viroli’s woorden.

Wat Viroli morele zwakte noemt, is slechts een deel van de verklaring hoe Berlusconi zo’n dominerende positie heeft kunnen verwerven. Of liever: hij ziet die morele zwakte uitdrukkelijk ook bij de maatschappelijke en politieke elite, binnen alle partijen. Die heeft in zijn ogen grotelijks gefaald en niets gedaan tegen de gestage groei van Berlusconi’s macht – eerst als ondernemer en mediamagnaat, later als politicus. ‘Hij won […] wegens het verraad van een elite wiens plicht het was te voorkomen dat hij zo veel macht vergaarde.’

Op zeker vier sleutelmoment hebben ook tegenstanders en critici van Berlusconi een belangrijke rol gespeeld, constateert Viroli. In 1985, toen de toenmalige socialistische premier Craxi zijn vriend Berlusconi hielp met een decreet op maat voor zijn plannen om in heel Italië tv-uitzendingen te verzorgen. Toen suste links het eigen geweten met de belofte van een ‘eigen’ zender binnen de publieke omroep, Rai Tre. Een tweede moment was in 1990, toen een nieuwe mediawet het feitelijke duopolie tussen de publieke RAI en de commerciële zenders van Berlusconi sanctioneerde en daarmee Berlusconi’s mediamacht bestendigde. Verder in 1994, toen Berlusconi de verkiezingen had gewonnen en ook links vond dat de bepalingen met betrekking tot belangenverstrengeling niet op hem van toepassing waren. En tenslotte in 1997-1998, toen de linkse leider Massimo d’Alema een akkoord probeerde te sluiten met Berlusconi dat zou moeten leiden tot een politiek tweestromenland. Maar uiteindelijk was het Berlusconi die als winnaar uit deze machiavellistische schaakwedstrijd kwam.

Viroli komt tot de conclusie dat niets minder dan een morele wedergeboorte nodig is. Italianen moeten ‘een gezonde minachting voor het leven van een hoveling ontwikkelen’. De elite moet  bereid zijn tot ‘morele keuzes, ook al zijn die zonder hoop op beloning of een overwinning’. En, wat concreter, de ongeletterdheid van veel Italianen moet worden aangepakt, opdat ze beter zelf leren oordelen. Hij schat dat 38 procent van de bevolking de betekenis van teksten onvoldoende kan construeren en mede daardoor makkelijk te beïnvloeden is. En de ‘morele ongeletterdheid’ is een nog groter probleem: ‘Mensen leren hoe ze zuiver over morele problemen moeten nadenken, is misschien de meeste urgente verantwoordelijkheid die je als burger hebt in Italië.’

Het zijn grote en soms wat utopische vergezichten. Maar ze maken wel duidelijk dat er veel op het spel staat. Het optreden van Berlusconi en de meegaandheid, op verschillende manieren, van heel veel Italianen hebben grote schade toegebracht aan de Italiaanse democratie. Daarom is het in Italië onvermijdelijk om, met Viroli, opnieuw na te denken over de invulling van vrijheid en burgerschap.