Filosofie

Tijd

Hoe tijd en mens elkaar beïnvloeden

Rüdiger Safranski
Atlas Contact, Amsterdam, 2016

Door Jilt Jorritsma, historicus en Connect-ambassadeur

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

‘Tijd is een van die begrippen die voor het grootste gedeelte misbruikt worden’, stelde de beroemde generaal Carl von Clausewitz zo’n twee eeuwen geleden. Sindsdien is het vrijwel onmogelijk geworden om aan het regime van de tijd te ontkomen. De commercie houdt ons voor dat we van en bij de tijd moeten zijn, want de wereld wacht niet! Tegelijkertijd wordt er in menig zelfhulpboek juist aangeraden om de tijd te nemen en vooral niet te vergeten in het ‘nu’ te leven. Ook publieksfilosofen – Joke J. Hermsen, Marli Huijer, Ignaas Devisch, Aleida Assmann en Lieven de Cauter om er een paar te noemen – hebben zich recentelijk bezig gehouden met de beleving van tijd. Het oude raadsel van de tijd is een actueel probleem geworden.

Al die aandacht wijst op onze eigenaardige omgang met het fenomeen tijd. Reden voor de Duitse cultuurfilosoof en historicus Rüdiger Safranski om het concept te ontleden. Safranski beschouwt de verschillende betekenissen die grote denkers aan tijd hebben gegeven en beoogt zo orde te scheppen in een uiteenlopend debat. Gezien de overweldigend grote hoeveelheid beschouwingen over tijd lijkt dat een onmogelijke opgave. Maar Safranski schuwt de grote onderwerpen niet, zoals blijkt uit zijn monografieën De Romantiek, Het kwaad of zijn vorige boek, een vuistdikke biografie van Goethe. Safranski lijkt daarom de aangewezen persoon om de tijd te overmeesteren.

Overweldigende rijkdom
Safranski vat tijd niet alleen op als een eenheid die met een klok gemeten kan worden, maar beschrijft ‘wat hij met ons doet en wat wij ermee doen’. Tijd is daarom ingedeeld in tien hoofdstukken die ieder een andere omgang van de mens met de tijd centraal stellen. Safranski begint zijn onderzoek bij de verveling: het moment van vervlakking waarop we de uitgestrektheid van de tijd ervaren. Zo’n vervlakking maken we vandaag de dag ook mee, stelt Safranski. De ondraaglijke monotonie die voortvloeit uit de globalisering van smaken, modes en bedrijven geeft de indruk van een vermoeiende en benauwende gelijkvormigheid. Wat overblijft is een ‘jachtige rusteloosheid, die zich nergens mee kan verbinden, niet eens met zichzelf’.

De behoefte aan verbinding stuurt de mens in zijn benadering van de tijd. Hij is op zoek naar een nieuw begin, een verandering die ervoor moet zorgen dat hij zich niet ‘dood verveelt’. Vernieuwing en innovatie zijn zo de kernwoorden van onze moderne tijd geworden: ‘dit is de tijd van de beginners’ die hun ogen enkel op het heden hebben gericht. Door die focus op het heden wordt de tijdsdruk op het individu steeds groter. Alles dient nú, en dus sneller en efficiënter te gebeuren. Dit is waar Safranski voornamelijk voor waarschuwt. ‘De versnelling is van dien aard,’ meent hij, ‘dat we niet genoeg tijd hebben om aan de snelle veranderingen te wennen, de ziel kan het niet bijhouden’.

Aan de hand van tijdsbenaderingen uit het verleden wil Safranski aantonen dat het ook anders kan. De meerwaarde van zijn boek ligt dan ook in het samenbrengen en verbinden van inzichten, observaties en benaderingen van het fenomeen tijd zoals die door belangrijke denkers zijn beschreven. Safranski’s achtergrond als specialist op het gebied van de Duitse filosofische cultuur is daarbij goed te merken. Goethe’s Faust komt meerdere malen in het boek voorbij, evenals het werk van Hofmannsthal, Heidegger, Schopenhauer en Hegel. Hun gedachtegoed wordt vervlochten met dat van de oude Grieken, mythologieën en observaties van onze huidige tijd.

Inflatie van de tijd
Deze overweldigende hoeveelheid aan ideëen is echter ook de grootste zwakte van Safranski’s aanpak. Door overal rekenschap van te willen geven, blijft het onduidelijk wat voor probleem met de tijd Safranski nu eigenlijk zelf voor ogen heeft. Het ontbreekt in het boek aan een leidende probleemstelling van waaruit Safranski de verscheidene ideëen uit het verleden bevraagt. Safranski legt weliswaar buitengewoon interessante verbanden tussen verschillende denkers, maar hun betekenis in het grotere geheel van het boek blijft onduidelijk. Het slechts tweehonderd pagina’s tellende Tijd maakt daarom een rommelige indruk. Dit gevoel wordt versterkt doordat Safranski terechtkomt in filosofische gebieden die niet direct in contact lijken te staan met de tijd. Zo wordt er bijvoorbeeld gesproken over de risicogevallen in de gezondheidszorg, het verval van de werkelijkheid en de onsterfelijkheid van de ziel. De vertaalslag naar de tijd ontbreekt hier, waardoor het willekeurig aanvoelt: de tijd bevindt zich zodoende in alle aspecten van het leven en verliest daardoor zijn waarde. Dit is precies waar Clausewitz ons twee eeuwen geleden al voor waarschuwde.

Naar een politiek van tijd
Toch verkondigt Safranski wel een boodschap die sporadisch in het boek terug te vinden is. Tijd moet, zo stelt hij, op de politieke agenda komen te staan. De verhoging van de productie- en verbruikssnelheid zou volgens Safranski gecompenseerd moeten worden door ‘onthaasting, vertraging en een tendens richting duurzaamheid’. Om een nieuwe tijdspolitiek tot stand te brengen dient zich een revolutie van het maatschappelijke tijdregime te voltrekken; één die de tijdservaring van het individu in bescherming neemt tegen de economische en maatschappelijke tendens waarin de tijd almaar wordt versneld en geëxploiteerd. We moeten daarom een nieuwe aandacht ontwikkelen, zo stelt Safranski: ‘De techniek geeft nog altijd het algemene levenstempo aan’.

Hoe deze nieuwe relatie tot de tijd er precies uit zou moeten komen te zien, dat blijft onduidelijk. Safranski blijft te veel in het gedachtegoed van anderen hangen om zelf met een oplossing te komen. Het open einde van het boek is niet bevredigend en roept vooral vragen op in plaats van dat het vragen beantwoordt. Tijd is daardoor niets nieuws onder de zon, maar Safranski’s eruditie maakt het desalniettemin een genot om te lezen.